Dinsdag 07/02/2023

'Huilen is altijd overdramatisering'

'Toen ik zeven was, dacht ik dat ik de nieuwe Stravinsky zou worden.' Van Paul Witteman, 59, al meer dan twintig jaar een van de gezichten van de Nederlandse openbare omroep en auteur van het Nederlandse Boekenweekessay, verscheen onlangs In hoger sferen, een bundel columns over Bach, Brahms en andere grote componisten. 'Het ellendige van praten over muziek is dat het iets radeloos in zich draagt. Je gaat op zoek naar iets dat je nooit zult vinden.' Door Frénk van der Linden

Paul Witteman

In hoger sferen

Balans, Amsterdam, 160 p., 15 euro.

Als u dertig seconden krijgt om na te denken over de vraag wat u beschouwt als het verdrietigste moment in uw leven...

"... dan heb ik daar maar één seconde voor nodig. Ik weet dat exact."

Waar bevond u zich?

"In Heemstede. Op de weg van de psychiatrische inrichting in Bennebroek naar mijn toenmalige woning."

Om wat voor soort verdriet ging het?

"Totale wanhoop. Een van mijn dierbaren was in een depressie geraakt, en ik had haar naar die kliniek gebracht. Wat ik nog niet kon bevroeden was dat ze daar drie jaar zou blijven. We schrijven begin jaren zeventig, en zo'n inrichting was iets verschrikkelijks. Als iemand aan een depressie leed, werd hij tussen absolute krankzinnigen gezet, mensen die de hand aan zichzelf wilden slaan, maar ook wel aan anderen. Als je iemand dáártussen moet achterlaten, breekt er iets. Ik zat in de auto te janken, ik dacht: ik moet terug, deze situatie ongedaan maken. Wat natuurlijk niet kon. Dat station was gepasseerd."

Welke muziek associeert u met die stemming?

"Het eerlijke antwoord is Fauré - met Bach en Brahms mijn grootste idool. Niet zijn requiem, hoezeer dat ook voor de hand ligt, maar zijn kamermuziek. Ik had indertijd net een album gekocht met strijkkwintetten, en die draaide ik elke dag.

"(op docententoon) De meeste mensen die met muziek bezig zijn, hebben periodes. Om te beginnen groei je op met muziek die je niet zelf hebt gekozen. Dan komt er een moment in je leven dat je die muziek afwijst, omdát je die niet zelf hebt gekozen. En dan breekt de fase aan dat je zelf muziek ontdekt. Ik kreeg oor voor Fauré dankzij mijn broer, die helaas dood is, en ja... dan ben je wel even een paar jaar met elkaar aan de praat. Niet dat ik op die manier zoveel muziektheoretische kennis heb opgebouwd, maar ik kan wel horen of een bepaald thema terugkomt, of wordt omgekeerd, of fugatisch is. Dat is de kleine voorsprong die ik heb op de gemiddelde luisteraar. En wat ik zo weergaloos vind aan Faurés muziek, is de combinatie van de onvergetelijke melodieën, de knappe harmonieën en de overgang van de romantiek à la Brahms naar het impressionisme van Ravel, Debussy."

Leuke volzin over de genialiteit van die muziek, maar wat is het in Paul Witteman dat hij juist hiervoor plat gaat?

"Ik ben ben katholiek opgevoed. Daardoor heb je een grote ontvankelijkheid voor dit type muziek, die we nu eenmaal aan de kerk te danken hebben. Maar hoe mooi het ook mag zijn dat het katholicisme mij Fauré heeft gebracht, en verder nog vele andere manifestaties van schoonheid: je betaalt er een hoge prijs voor. Op een gegeven moment ontdekte ik dat die hele godsdienst poppenkast was en dat ik mijn hele leven had gebouwd op een onzinnige theorie. Dat was wel even een klap."

Hoe komt het dat de liefde voor muziek die rechtstreeks uit godsdienst is voortgevloeid, wél blijft?

"Omdat het er goed beschouwd geen donder mee te maken heeft. Het is niet zo dat je niet meer van zulke klanken kunt genieten als je ophoudt in God te geloven. Andries Knevel ziet dat verband wel, maar het is helemaal niet waar. Het grappige is trouwens dat ik zo'n mechanisme ook bij popmuziek heb. Ik ben bezeten van sommige Beach Boys- en Crowded House-nummers, alleen: ik zing ze mee zonder te begrijpen waarover ze gaan. Ze gáán ook nergens over. Voor mij prevaleert dus niet een eventuele boodschap in de muziek, maar de muziek zelf. En die muziek is meestal geen vrolijke muziek. Vermoedelijk ligt dat bij de meeste mensen zo."

Waarom?

"De dood, meneer. Het heeft allemaal met de dood te maken. We weten dat het leven op zeker moment eindigt, zonder dat je daar veel aan kunt doen. Velen vinden dat, anders dan zij beweren, niet fijn. Ze zoeken iets dat enige redding brengt, een soort spiritualiteit, en die vinden ze in muziek."

Muziek is getoonzette hoop. Zoiets?

"Ja. Maar als ik voor mezelf mag spreken: hoop op berusting, en niks meer dan dat. Niet hoop op een leven na de dood of wat dan ook."

Hoe komt het dat Mozart, vooral zijn Gran Partita, u van wanhoop naar hoop kan voeren?

"De eerste keer dat ik goed naar dat stuk luisterde, was tijdens de dienst die werd gehouden na de dood van Joop den Uyl, in de Nieuwe Kerk. Een blazersensemble speelde de Gran Partita, en het gekke was: hoewel bijna iedereen die daar zat treurig was, gaf de ongelofelijke schoonheid van de muziek mensen het idee dat... nu ja, dat Den Uyl weliswaar dood was, maar dat we daar vrede mee gingen hebben. Als afscheid nemen zó kon... nu ja, dan was dat niet niks. Daar heb je dus die berusting. En hoe ontstaat die? Doordat de dialoog tussen de blazers in de Gran Partita gepaard gaat met een hele kalme ostinato-begeleiding, zo van: het leven gaat door. Het is zó goed gedaan dat... nu ja... dat daar dus geen woorden voor zijn. Het ellendige van praten over muziek is dat het iets radeloos in zich draagt. Je gaat op zoek naar iets dat je nooit zult vinden."

'Het cliché zit er zelden naast', schrijft u ergens. 'De mooiste melodieën van Chopin vloeiden uit zijn pen als er problemen waren, als hij pijn leed in de liefde.' Werkt het bij u als luisteraar óók zo? Dat uw mooiste muzikale ervaringen zich voordoen als het mis is tussen u en uw geliefde?

"Nee. (ironisch) Sorry, maar hopelijk ga je er toch niet vanuit dat het grootste verdriet in relaties schuilt? Het echte verdriet in het leven gaat over onze eindigheid, over onze vergeefse zoektocht naar de zin van ons bestaan.

"Zelfs als ik fluitend van geluk langs het Spaarne fiets - goh, wat is het hier mooi, en wat geweldig dat ik hier woon -, ben ik me ervan bewust dát ik het zo mooi vind omdat ik besef dat het op een dag allemaal op zal houden. Dat gevoel overmeestert mij telkens weer. Je denkt misschien: da's ouwemannengeklaag. Maar dit heb ik mijn hele leven al."

Verandert er in de loop der jaren niks aan dat gesomber?

"Ik constateer een forse verbetering. Het probleem van ons leven is dat je tijdens het jachtige haken naar bevestiging en roem geen tijd hebt om te letten op kleine dingen die van grote betekenis zijn. Daar begint bij mij zo langzamerhand verandering in te komen. Morgen, zondag, moet ik twee televisieprogramma's presenteren: 's morgens Buitenhof en 's avonds Woestijnruiters. Dat is zwaar werk, kan ik je verzekeren. 's Morgens om zeven uur op, 's nachts om één uur weer thuis. Ondertussen ben ik wel 59. En dus loop ik me al sinds vanochtend vroeg zorgen te maken of het wel goed zal gaan. Toch kan ik tegenwoordig tot mijn verbazing tussendoor ook genieten van strijklicht op een middeleeuwse gevelrij, of een mooie viooltoon of de lach van mijn vriendin. Vroeger gunde ik mezelf dat niet."

Huilt u weleens om muziek?

"Nee. Ik voel het weleens opkomen, hoor. Maar zoals bij elke aanleiding om te huilen, zoals een sentimentele film, of een gelukkige gebeurtenis, of juist een niet-gelukkige gebeurtenis, heb ik de attitude ontwikkeld en in stand gehouden om dat niet de vrije loop te laten."

Waarom wenst u niet te huilen?

"Omdat huilen een soort inflatie oplevert. Huilen is eigenlijk altijd overdramatisering. Het gaat niet aan om wanneer iets tegenzit, zelfs al is het van ernstige aard, te huilen. Want op hetzelfde moment, ik zeg maar iets flauws, kunnen op Schiphol elf mensen levend verbranden in hun cellen."

Hoe bedoelt u: 'het gaat niet aan'?

"Nou, in de rangorde van narigheid in het leven past een mens bescheidenheid."

Doen zich nooit situaties voor waarin u uzelf niet in de hand houdt?

"Ik kan me een moment herinneren van een paar jaar geleden dat het me in mijn persoonlijke leven echt heel erg tegenzat. Ik zette thuis een cantate van Bach op. Misschien wel zijn mooiste: Du Hirte Israel (BWV 104). De luidsprekers stonden in mijn boekenkast, en ik weet nog dat ik mij naar die boekenkast wendde en met gebalde vuist dacht: laat ik nu maar eens even een potje gaan huilen. (stoïcijns) Maar anders dan menigeen denkt, lucht het niet op. Dat is een ervaringsfeit."

Wacht even, u besluit uzelf wel of niet te laten gaan?

"Zo werkt het bij mij. En toentertijd vond ik dat er zoveel tegelijkertijd op mijn bordje kwam, dat het even mocht. Bovendien had ik niet het vermoeden dat er iemand de kamer binnen zou kunnen komen, wat helaas wel gebeurde. Dus sindsdien doe ik het niet meer, huilen."

Hebt u ooit de ambitie gekoesterd zelf musicus te worden?

"Ja, maar zoals iedereen op jeugdige leeftijd ambities koestert: zonder te beseffen dat het benodigde talent ontbreekt. Toen ik zeven was, dacht ik dat ik dirigent zou worden. En anders wel de nieuwe Stravinsky, die in mijn jongensjaren de belangrijkste levende componist was. Kijk, mijn moeder was musicienne, mijn vader was advocaat en politicus. In het gezin Witteman werkte het zo: óf je werd musicus, óf je werd jurist. Er was nog een derde mogelijkheid: je werd niets. En ik werd niets. Na een trage hbs-procedure, die tot ieders verrassing toch nog met succes werd afgerond, zat ik een jaar op het conservatorium in Amsterdam. Ik studeerde fluit en piano. Ik ging heel snel vooruit, maar als ik naar de gezichten van de leraren keek, besefte ik dat ik op zoek moest naar een andere bestemming."

Waar zat het gebrek aan talent?

"Ze zeiden allemaal dat ik erg muzikaal was, een absoluut gehoor, een goede repertoirekennis, een redelijk ontwikkelde smaak, maar ik ontbeerde techniek. Als je een groot musicus wilt worden, moet je vanaf je vijfde bijna nergens anders aandacht aan besteden. Zo had ik het niet bepaald aangepakt. Het was een totale mislukking, die in een patroon paste: tot mijn dertigste ging in feite alles wat ik aanpakte mis. Maar de passie voor muziek, de zucht naar nieuwe genotservaringen op dat gebied, is mijn hele leven gebleven. Ook toen ik politicologie ging studeren en in de journalistiek terecht kwam. Ik luisterde en luister de hele dag naar muziek."

Hoe verhoudt muziek zich tot literatuur?

"Muziek komt op plaats één tot en met tien, dan krijg je een hele tijd niks, dan komt beeldende kunst, dan krijg je weer een hele tijd niks, en dan komt literatuur. Zelfs Harry Mulisch is dat met mij eens. Taal is geen gereedschap, taal is een handicap. Pas als je taal kunt begrijpen, kunt volgen, kunt hanteren, is het mogelijk om te genieten van wat een schrijver te zeggen heeft. Iedereen heeft weleens een boekje gelezen van Elsschot, de man die ik beschouw als de beste schrijver die ooit in het Nederlandse taalgebied heeft geleefd. Maar geef toe: je kunt slechts van zijn zinnen en zijn manier van in het leven staan genieten als je écht hebt leren lezen. Bij Mozart zit het anders: die noten gaan rechtstreeks en keihard naar je hart."

En journalistiek? Waar staat journalistiek?

"Ach, journalistiek. Dat is een ambacht. Een heel erg leuk ambacht, misschien wel het allerleukste, maar een ambacht. Geen kunst."

U gebruikt dat ambacht nu om mensen te enthousiasmeren voor de kunst die u zelf niet in uw mars had?

"Ja, en het gevaar is natuurlijk dat je dan te lyrisch wordt. Je schrijft al snel te mooi over kunst, dus ik probeer me in te houden. Gelukkig maken we bij ons in de familie doorgaans gebruik van het understatement. Als je na het beluisteren van een muziekstuk droogjes 'Mooie noten' zegt, bedoel je: ik ben kapot.

"Het schrijven van die columns is echt in de plaats gekomen van uitvoerend musicus zijn. Als jij bij mij op bezoek zou komen en me zou vragen iets te spelen, zou ik dat nooit doen. Eén keer heb ik me laten gaan, bij een jubileum van de VARA. Ik begeleidde een zangeres op de piano. Dat werd een ronduit traumatische ervaring. Echt waar. In Hilversum kun je bij het beeldarchief van de omroepen een rood kruis op de band laten zetten als je wilt dat het nooit meer wordt herhaald. Nu, op die gewraakte band staan drie rode kruizen. Helaas hebben twee onverlaten van collega's die uitzending op een videoband staan, en dus duikt het weleens op in een of ander troosteloos overzicht. Telkens weer dringt zich dan het besef aan me op dat een mens alleen moet doen wat hij goed kan. En ik deed toen iets waar ik behoorlijk slecht in was. Nota bene voor een miljoenenpubliek. De volgende dag ben ik naar Vera Keur gegaan om te zeggen dat ik het nóóit meer zou doen. Sterker: ik heb de geplande herhaling van twee dagen later weten te cancelen."

Bij welk muziekstuk overvalt u het sterkst de sensatie 'dit kan ik niet'?

"Het begin van de Mattheuspassie. Dat is onnavolgbaar. Vanwege het veelomvattende ervan. Meestal teert een componist een heel stuk lang op één of twee mooie vondsten, maar bij het begin van de Mattheuspassie volgt de ene vondst op de andere. Het zijn er wel twintig of dertig achter elkaar. Dat is zo imponerend dat je bijna geneigd bent Knevel alsnog gelijk te geven, namelijk dat een mens zoiets niet kan bedenken, en dat is toch het ergste wat je kan overkomen.

"Misschien vind ik de Mattheuspassie ook zo geweldig omdat ik daar voor het eerst samen met mijn moeder naar luisterde, hier in het Haarlemse Concertgebouw. Dat is een van die onvergetelijke jeugdherinneringen."

Witteman leest een column voor waarin hij beschrijft hoe zijn moeder thuis een pianostuk van Brahms (Intermezzo opus 118) speelt.

"Brahms noemde zijn intermezzi wiegeliederen van verdriet. Hij bewijst in opus 118 zijn meesterschap in amper zeven minuten massieve emotie, met een melodie die dagen niet meer uit je hoofd gaat. (...) Door een gelukkig toeval beschik ik over een illegale uitvoering van de te vroeg gestorven Russische pianist Youri Egorov, een huisopname van een concert in 1988, ergens in Amsterdam. De gebrekkige geluidskwaliteit versterkt de authentieke emotie. Zo klonk het thuis ook wanneer ik het mijn moeder hoorde spelen. Ze legde er..."

Witteman schiet plotseling vol en staakt het voorlezen. Hij zet zijn brilletje even af en veegt het vocht uit zijn ooghoeken. "Goh, wat krijgen we nu? Een slokje graag." Dan gaat hij verder: "Ze legde er de warmte in die een leven vol valse verwachtingen genietbaar maakte. Als een echte Andriessen liet ze zich tijdens en na het spelen niet gaan. Terwijl ik wel had willen huilen van ontroering zei ze na die zeven minuten: 'Mooie noten.'"

Frénk van der Linden

'Hoe mooi het ook mag zijn dat het katholicisme mij Fauré heeft gebracht, en verder nog vele andere manifestaties van schoonheid: je betaalt er een hoge prijs voor''Muziek komt op plaats één tot en met tien, dan krijg je een hele tijd niks, dan komt beeldende kunst, dan krijg je weer een hele tijd niks, en dan komt literatuur. Zelfs Harry Mulisch is dat met mij eens. Taal is geen gereedschap, taal is een handicap'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234