Zaterdag 27/02/2021

Huilen in Hotton

Kamperen in de Ardennen, het is een vorm van vrijetijdsbesteding die niet geheel onpopulair genoemd kan worden. Een mens zou zich kunnen afvragen waarom, zeker als hij onderstaand relaas gelezen heeft.

Het legendarische lied met de openingszin 'Ja, kamperen is de mooiste zomersport, waarvan je steeds maar jonger wordt' (gitaarakkoorden C en G7), is niet in Hotton geschreven. Hoewel deze conclusie niet in een wetenschappelijk vakblad gepubliceerd zal worden, kunt u er toch maar beter nota van nemen. Er is trouwens geen enkele reden om er zomaar van uit te gaan dat u nooit in Hotton zult kamperen, het leven neemt soms onverwachte wendingen, vaak ten kwade.

Want waarom zou u bijvoorbeeld niet eens een dagje of twee naar Hotton gaan? De bossen kregen er de naam 'het oerwoud van de gematigde streken' mee, wat uiteraard schromelijk overdreven is, maar dat hoeft u er niet bij te vertellen wanneer u nadien aan uw vrienden de vakantiefoto's toont. U kunt er over het Grote-Routepad 57 wandelen en er de befaamde Grotten van Duizend-en-Een-Nacht bezoeken. Alle grotten lijken wel op elkaar, maar dat doen Chinezen ook, en het spreekt vanzelf dat u na uw schoolreis van dertig jaar geleden bent vergeten wat het verschil tussen een stalactiet en een stalagmiet is. En des avonds slaat u uw haringen in de grond op het terrein van de camping die ik hier Réseau d'Égouts zal noemen.

Op papier is camping Réseau d'Égouts een droom: het terrein bevindt zich in een bocht van de Ourthe, midden in wat een stadsmens als de natuur beschouwt, en dat op vijf minuten lopen van het centrum. Bovendien heeft Le Réseau een streepje voor op vele andere campings; er is geen animatie. Meer en meer moeten campings op bejaardentehuizen lijken, dat is de heersende, internationale trend. Op weg naar de stilte van het bloedhete Zwarte Gebergte zette ik vorig jaar even voorbij de Loire mijn tent op. Ik had er gedacht op mijn gemak te kunnen kijken naar de druiven die ik later nog op een winteravond zou drinken, maar bevond me tussen op en neer wippende kinderen die, aangemoedigd door Hollandse animatrices (ook 'animatrassen' genoemd als ze voor Club Med werken), K3 playbackten. Als Belgische artiesten in het buitenland wensen door te breken, moeten ze hun niveau naar beneden halen. Deze zomer nog werd ik op een camping in de buurt van Spa uit mijn slaap gejodeld door een Hollandse entertainer die luistert naar de naam Dick Braat. Een man met een kop ongeziene krullen, die zijn boterham verdient door op campings wereldberoemde covers te kwelen. Meezingers, zo is er altijd wel iemand die niet vals zingt. 'Je bent nooit alleen op de camping', zong hij, op de melodie van 'You'll never walk alone', opgedragen aan twee tieners die elkaar hadden gevonden in de liefde. Hij had spijtig genoeg gelijk, je bent nooit alleen op de camping.

Maar in Hotton heeft men geen last van Dick Braat, geen hinder van opjuttende animatrassen. De mensen moeten daar zichzelf animeren, en ik ben dan altijd bang dat ze dat in de douche doen. Om mij smerig te voelen, hoef ik mij maar te wassen op de camping. Er is geen sprake van dat ik mij daar zonder sandalen onder de waterstraal begeef. Als er tenminste al een straal water is. Je zit er te prutsen aan alle mogelijke draaiknoppen om toch maar een druppel uit de waterleiding te krijgen, om dan een kokendhete minuut te beleven die niet eens geleidelijk overgaat in een ijskoude minuut. Je ziet de haarballen van je voorganger afdrijven en het afvoerputje verstoppen, over de gele plekken op de vloer durf je jezelf geen vragen te stellen, het washandje dat is blijven liggen, raak je best niet aan. Voor je propere kleren is er zelden plaats, na het douchen zullen je schoenen zeiknat zijn, tegen de tijd dat men zich op deze vierkante centimeter heeft afgedroogd, hebben er zich boeiende schimmelkweekjes tussen je tenen genesteld. En dan spreek ik over de nog betere camping, waar dikke mannen deuntjes fluiten onder de douche om zichzelf wijs te maken dat ze thuis zijn, waar het niet zo heel hard naar pis stinkt op de plaats waar men zijn tanden kan poetsen. Ik heb het nog over een camping met een of meerdere sterren, waar je naast jou op het toilet iemand zichzelf te pletter hoort schijten, iemand die zodanig kermt en kreunt dat het op hyperventileren lijkt, tot je zijn drol hoort plonsen en je weet dat zijn billen nu kliedernat zijn. Daarna het ritselen van zijn krant, daarna het gebrom ten gevolge van het besef dat de lege rol toiletpapier nog niet vervangen is. De twijfel tussen de vlakke hand en de smerige onderbroek. Dat zijn de campings die nog sterren krijgen. Le Réseau d'Égouts heeft geen ster. Je hebt er laarzen nodig om naar toilet gegaan, de geur van stront is er alomtegenwoordig. Welkom in de anus van de gematigde streken.

Ik ben een propere mens, ik was me niet op een camping. Nooit. En bovendien verdraag ik de aanblik niet meer van mensen die in hun onderbroek over een paadje lopen, nonchalant met een handdoek over hun schouder en een rol wc-papier in de hand. Het is niet bepaald mijn idee van kamperen: aan dezelfde wastafel staan met iemand die rochelend en kokhalzend zijn tanden staat te schuren. Vrouwen die zijn opgetrokken uit vele lagen pudding en die naast elkaar langdurig hun loszittende haren staan te kammen, en die daarna in een langs alle kanten uitgerekt badpak langs mijn tent flaneren laten een traumatische indruk op me na. En net dat is een goede reden om je vakantie op Le Réseau te spenderen: iedereen met nog een beetje functionerende zintuigen moet kotsen van het sanitair, er is nauwelijks iemand die zich daar wast. Een wasbeurt wordt er vervangen door een bus deodorant. Op dat punt verdienen ze een ster, een fonkelende. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat er hier wel een minder smerige douche beschikbaar is, maar daarvoor moet je de sleutel vragen aan de baas. Daarvoor moet je vijf kilometer lopen om iemand te vinden die weet waar de baas is.

Nochtans heeft deze camping een veelbelovende ingang in de vorm van een bareel. Je hebt er een speciaal kaartje voor nodig om binnen te raken, dit wonder van de techniek straalt veiligheid en comfort uit. Wie twee meter verder loopt, ruikt de zoete geur van rotheid, afkomstig van de vuilniszakken die toeristen daar in de containers wilden gooien. Ware het niet dat die containers al een volledig seizoen vol zitten en niemand zich de moeite heeft getroost om de hele troep naar het stort te brengen. Het zijn mooie katten die er de zakken openkrabben.

Ik was naar de kantine gegaan om te vragen of er nog plaats beschikbaar was voor mijn tentje. Bezopen mannen in blote bovenlijven zeiden me dat ik daarvoor de baas moest hebben, en hun betatoeëerde armen wezen mij de richting. Het lekkere wijf dat ze in hun vizier kregen, waar ze het dus meteen maar over hadden en die ze best wel eens op hun knie wensten te leggen, stond aan de deur en was mijn vriendin.

De baas van de camping bleek zich uiteindelijk in een versleten caravan te verschansen. Zijn gezicht zat onder het bloed, dat nog niet helemaal gestold was, en op mijn vraag of ik hem kon helpen, liet hij een gemompel horen. Hij scheen het vervelend te vinden dat iemand van zijn camping gebruik wilde maken. "Zet je tent maar ergens recht", zei hij. "We hebben ontsmettingsmiddel meegebracht", liet ik weten, maar ik moest me met mijn eigen zaken bemoeien. Er zijn nochtans hotels waar men een welkomstcocktail mag verwachten. De tent stond nog niet helemaal recht of we hadden al kennis gemaakt met de bewoners van de stacaravans in de buurt van ons perceel. Containers op wielen, met schotelantennes die hun leven zin gaven, en tuintjes vol plastic kabouters. Ze kunnen meer dan veertig televisiestations ontvangen, en dan nog overkomt hen de catastrofe dat er geen zak te zien is op tv. Dat zijn de momenten waarop ze hun kruiswoordraadsels oplossen onder de parasol, of dat ze even hun hond van de ketting halen om er een wandelingetje mee te maken. "Het is hier schoon om te wandelen", zeiden ze, "we komen graag met onzen Blackie naar hier in de zomer." Ze wilden ons zoveel vertellen, hun hele leven. Ik wachtte liever tot hun leven afgelopen was, dan was dat verhaal tenminste af en kon ik het in één keer volledig horen, dus sloeg ik het aanbod om een kopje koffie te komen slurpen in hun caravan maar af. Het gaf hen iets meer tijd om na te denken over een Italiaanse rivier met twee letters, ze moesten onze onbeleefdheid maar als een voordeel zien.

En daar zaten we dan, aan de Ourthe. Voor de muziek werd gezorgd door onze overbuur, gratis en tot halftwaalf 's avonds. Een poedel wilde bewijzen dat hij luider kon blaffen dan een Duitse herder. De bal die in onze voortent werd getrapt, was afkomstig van een heel dom kind dat er gewoonweg niet aan dacht dat ballen kunnen worden opengesneden met hele lange messen. De jongen zei niet 'dank u' toen hij zijn bal terugkreeg. Een visser belemmerde ons zicht op de Ourthe. Na enige tijd zijn verveling met een vislijn te hebben gecamoufleerd, toonde hij ons trots het kleine visje dat hij had opgehaald. Een halve duim groot. Als hij het van zijn haakje haalde, scheurde het hele beest in tweeën. Misschien had hij applaus van ons verwacht. Ook zijn klederdracht was geïnspireerd op die van de mensen uit Sint-Martens-Latem die tegenwoordig massaal in hun onderbroek op het dek van hun bootje staan en zichzelf in deze pose naar de Gentse binnenstad loodsen. Het moet psychologisch heel bevrijdend werken je niet langer meer te schamen om je immense lelijkheid. Afstotelijkheid ten teken van de goede smaak, naar analogie van de moderne kunst. Zie naar mij! Zie naar mij! Zie alstublieft nu naar mij!

Een beetje verder in het water roestten autowielen en dreven kinderen op de banden ervan. Kajakkers dreven voorbij en keken regelrecht onze tent in. Een moeder liet haar kind met zijn warme pamper pootjebaden tussen de blikjes bier.

's Nachts strompelden bezopen mannen over de touwtjes van onze tent, we telden de weinige stoten dat het liefdesspel in de tent naast ons in beslag nam en baden dat het theatrale gekrijs van het kreng meteen zou ophouden. Nadat de buurman het snot van zijn neus met een luidruchtige reutel naar zijn keelgat had getrokken en ingeslikt, werd eindelijk alles stil. Op de krekels na, zij hoefden niets te faken en kwamen met manieren klaar.

We werden als laatste van de hele camping wakker in de misselijkmakende hitte van de tent. Voor veel vakantiegangers is het een plezier om al om zeven uur 's morgens op te staan en dat wereldkundig te maken. Wij hadden het hier wel gezien en kraamden op. Het gezicht van de baas bevond zich inmiddels onder een laag etter, en ik vermoed dat het onvrolijk keek toen wij kwamen afrekenen. "U bent maar één nacht gebleven", zei hij, maar meer durfde hij niet te vragen. Ik vermoedde dan ook dat zijn gezicht tot moes was geslagen door een klant die ternauwernood het sanitair had overleefd en aan wie hij nog geld had durven vragen ook. "U bent maar één nacht gebleven, ach, euh, dan hoeft u niets te betalen."

Er was niks dat hem nog kon schelen, wist ook de vlieg die zich tegoed deed aan zijn wonden.

Voor de muziek werd gezorgd door onze overbuur, gratis en tot halftwaalf

's avonds. Een poedel wilde bewijzen dat hij luider kon blaffen dan een Duitse herder'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234