Zondag 28/02/2021

Hugo Camps op bezoek bij Johan Boskamp

Mijn hele leven is een intellectuele inhaalrace geweest

Geld noemt hij de pest in het hedendaagse voetbal, excentrieke weelde interesseert hem geen moer. Voetbaltrainer Johan Boskamp heeft de wereld afgereisd en successen geboekt, maar de Rotterdamse straat kleeft hem aan. In zijn denken, in het voetbal, in zijn taaltje. 'Eigenlijk heb ik mijn biotoop nooit verlaten. Overal in de wereld heb ik gezien: alleen de havenots kun je nog gelukkig maken.'

Foto Jonas Lampens

Hij wist het al langer: Amerika is klaar voor een zwarte president. "Dag na dag heb ik de verkiezingen gevolgd, soms tot diep in de nacht. Toen ik het zag, dacht ik: jammer dat ik niet mag stemmen. Ik had zo'n gevoel van: elke stem telt. Nee, in België mag ik ook niet stemmen, terwijl ik het wel zou willen.

"Amerika is mijn land. Ik wou er gaan wonen, had er al een huis gekocht. Het lot heeft anders beslist. De sportcultuur van het land, de vriendelijkheid van de menen, het klimaat dat alle pijntjes wegneemt, dat kennen wij hier niet. Natuurlijk was ik voor Barack Obama. Iedereen kon toch zien dat die John McCain geen lekkere jongen is. Niet dat ik politici op hun woord geloof, dus ook Obama niet, maar hij heeft wel het lef van de hoop."

Voetbaltrainer Johan Boskamp, zo vaak een circus in zijn eentje, is heus wel van de wereld. Achter zijn soms middeleeuwse arabesken gaat een tweede man schuil. Een stillere uitgave, hongerig naar nieuws en geschiedenis, gevoelig voor loyaliteit, brevierend in herinneringen. Het geluk van kleinkinderen ook.

Ja, ook vandaag eet hij weer hutsepot. Ik zie hoe hij met ambachtelijke precisie een kuiltje boetseert, voor de jus. De armen breed over tafel, het hoofd iets te laag over het bord. Oorlogskind tenslotte. Straks, zegt hij, straks als ik met pensioen ben en de auto van de club wegvalt, neem ik gewoon weer de bus. "Ik hoef geen auto meer. Ik ben geen man van excentrieke weelde."

Het aandoenlijke aan Johan Boskamp is: na alle reizen en successen blijft er toch iets van weerloosheid over hem hangen. Net nog noemde hij zichzelf een smeerlapje, maar een doortrapte smeerlap is hij zeker niet. Wel is de straat in hem gekropen en gebleven, in het denken, in het voetbal, in zijn taaltje. De straat nu ook als handelsmerk.

In het voetbal is hij zijn eigen cliché geworden: of hij ligt op de bank als een zak cement, of hij staat bulderend langs de lijn. Louis de Funès, maar dan zwaarlijviger. Zijn vocabulaire herleid tot tweehonderd woorden. Doortrekken, knijpen, godverdomme... En de scheidsrechter is in het beste geval een eikel. Wel een vakman, die, tussen het ontploffen door, alles ziet. Eén blik op zijn razende hormonen en je denkt: waar is de lijkschouwer? Maar zo is zijn dag niet. 's Avonds, thuis in het grote huis met vijf slaapkamers en twee badkamers, is het stil. Dan zit hij in een hoekje met een boekje. Of kijkt hij naar documentaires en actualiteitenrubrieken. In zijn eentje. Zijn duizend dvd's over de Tweede Wereldoorlog gaan er ook altijd in. Soms spreekt hij een hele dag niet.

"Nog voor mijn dertiende ben ik van school gegaan. Mijn moeder had gedacht dat de ambachtsschool wel iets voor mij zou zijn. Nou, vier maanden heb ik het volgehouden. En dus moest ik gaan werken, in de fruithandel bij mijn opa. Om 4 uur 's morgens bananen sjouwen. Ik zie het twaalfjarigen vandaag niet doen. Mijn ouders werkten nog harder, ook in het fruit. Er was liefde tussen hen, veel liefde. Niet dat het benoemd werd, maar je zag het. Als ze na een dag labeur doodmoe thuiskwamen, hadden ze toch nog plezier met elkaar. En met de buren. Gingen ze nog een paar uur op straat gezellig klooien met de mensen aan de overkant. In die jaren werd het leven nog gedeeld.

"Als jongetje van veertien werd ik ontdekt door Feyenoord. Dat was een meevaller. Ik werd gewoon opgepikt van de straat. Ineens mocht ik alleen nog voetballen. In no time verdiende ik 7.000 gulden in een jaar. Dat was veel geld. Het leven veranderde: ik moest niet langer zink en koper gaan jatten om een kaartje voor de film te kunnen kopen. Bij Feyenoord kregen we het geld nog in een envelop. Ik deed die niet eens open, gaf die gelijk aan mijn moeder. Zo ging dat toen. Mijn ouders kwamen weleens naar een wedstrijdje kijken, maar ik deed het nooit goed. Mijn moeder gooide er graag een joekel uit.

Straatleven

Op zijn vijftiende was hij al met Jenny, een meisje uit Rotterdam-Zuid. "We gingen vroeg samenwonen, in een eigen huis. Jen was als mijn moeder: ik deed het nooit goed. Ook zij beheerde de financiën. Ik wist nooit wat er op de bank stond. Voor de kinderbijslag had ze een potje, daar werd niet aan gekomen. Mijn hele leven heb ik mijn geld afgegeven, zo was ik opgevoed. Jenny regelde alles. Toen de kinderen wat groter waren, zei ik op een dag tegen Jenny: 'Moeten zij ook niet eens een bijdrage leveren aan het familiebudget?' Jen had me de keel kunnen oversnijden.

"Na haar dood zat ik in Dubai. Ineens dacht ik: er moet thuis toch nog ergens geld liggen. In dat soort landen krijg je namelijk je dollars mee in plastic zakken. Ik belde de kinderen: zij wisten nergens van. Na lang zoeken vonden ze de plastic zakken vol dollars ergens verborgen in de badkamer van Jen. Jenny was een moderne vrouw, had een eigen rekening. Ze ging naar concerten en musea, met haar vrienden. Daar hoorde ik niet bij. Over voetbal werd thuis niet gesproken. Aan plakboeken deden we niet. Jenny was de baas. Als zij de drie jongens iets vroeg, werd het meteen gedaan. Ik deed er altijd iets langer over. Als zij de kinderen geld gaf, kreeg ze het binnen de kortste keren terug. Ik nooit."

Het leven op straat, de oorlogsjaren in Rotterdam, de harde leerschool bij Feyenoord, Jenny die de broek droeg: hij had het voor geen goud willen inruilen. "Eigenlijk heb ik mijn biotoop nooit verlaten. Overal in de wereld heb ik gezien: alleen de havenots kun je nog gelukkig maken. Voor hen is de zondag nog zondag. Ga maar eens naar een wedstrijd van Boca Juniors of River Plate. Je weet niet wat je ziet. Al een week voor de wedstrijd tillen de mensen zich op tot de goddelijk staat van hun idolen. De straten, de huisjes, de kinderen, alles is geverfd in de kleuren van de club. De beleving die daar voor en tijdens een wedstrijd losbarst, is ongekend geluk. En na de wedstrijd soms ongekend drama. Alle rottigheid van het leven is (even) vergeten.

"Ik was er toen de pesos was ingestort. In Argentinië weten ze al langer wat kredietcrisis is. Maar laat een balletje rollen en de mensen beginnen te zingen en te dansen. Ik ken geen land met meer levensvreugde. Weet je wat ook zo mooi is: rijk en arm worden bij het voetbal door elkaar heen gehusseld. Ze lachen en huilen samen. Hoe zuur het leven ook moge zijn, Boca en River gooien er vreugde in. De dag van de wedstrijd maakt het niet uit of de pesos naar de kloten is. Ik kan niet dansen, heb zelfs een gloeiende hekel aan alles wat polonaise is, maar als ik in Argentinië ben, ga ik ook anders lopen. Lichtvoetiger, ja.

"Dezelfde gelukservaring had ik ook als trainer van Stoke City. Terwijl ik in Dubai en Koeweit vooral poen pakte, voelde ik mij als coach van Stoke City weer helemaal herboren als voetbaldier. Ik vond er het volkse van Rotterdam terug. De huisjes waarin de mensen woonden, deden denken aan Coronation Street. Het hele dorp ademde voetbal. Op de dag van de wedstrijd liep iedereen, jong en oud, in de kleuren van de club. Alsof niemand volwassen was geworden. Soms ging ik een koffie drinken in een winkelcentrum: nou, het volk liep uit. Honderden fans om me heen. De grootste vergissing van mijn leven is geweest dat ik mijn contract heb opgezegd bij Stoke. Het was een principiële zaak. Ik kon niet dulden dat iemand van het bestuur zich de pretentie aanmatigde voetbaltechnisch tussenbeide te komen tijdens een wedstrijd. Dat is een aanslag op mijn trots. Ja, principes gaan boven geluk.

Verder is er weinig spijt in zijn leven. "Je kunt niet zeggen dat voetballen hard werken is. Een luxeleventje is het. Toen ik trainer van Anderlecht was, voelde ik even iets van spijt. Het overkwam me dat ik dacht: ik had toch beter nog wat doorgeleerd. Ineens hoorde ik mensen over dingen praten waarbij ik het in Keulen hoorde donderen. Niet dat ik me beschaamd of achtergesteld voelde, maar je wilt graag meepraten. Mijn hele leven is een intellectuele inhaalrace geweest. Niet dat ik nu zo'n intellectuele jongen ben geworden, maar ik weet nu wel wat er in de wereld te koop is. Ik heb me suf gelezen, keek op sommige dagen naar vijf documentaires, volgde alle journaals. Kennis bijspijkeren was een soort tweede leven geworden. Ik heb alle continenten doorkruist om me in te leven in cultuurverschillen. Natuurlijk, altijd wel in het teken van voetbal, niet om naar een museum te gaan.

"Nu ik alleen woon, lees ik nog meer. Gisteren ben ik het huis niet uit geweest. De hele dag documentaires gekeken en ook nog een paar voetbalwedstrijden. Noem het achterstallig onderhoud. Maar toch, ook bij Anderlecht ben ik altijd mezelf gebleven. In het verlengde van mijn ouders en mijn jeugd. En ook van een Rotterdamse mentaliteit: compromisloos in de essenties. Althans, als het ergens over gaat, niet om domweg eigenzinnig te doen. Iedereen riep dat Boskamp geen trainer voor Anderlecht was. Niet chic en tweetalig genoeg. Ik heb er geen last van gehad. De ouwe baas (Constant Vanden Stock, HC) heeft nooit een opmerking gemaakt over mijn outfit. Ik wist ook wel dat ik soms in het clubkostuum moest lopen. Ik spreek zoals ik denk en dat is plat Rotterdams. Dat heeft zelfs Anderlecht mij niet afgenomen. Ik kon prima communiceren met de ouwe Vanden Stock. Hij begreep me wel, alleen niet aan de telefoon. Na elk telefoontje met de baas belde Michel Verschueren: 'Wat heb je nou eigenlijk allemaal gezegd?' Dat belde hij dan weer door naar de baas."

Weelde, zegt hij, dat is een dun kettinkje om de hals met de trouwring van Jenny. "Ik heb nooit iets anders gedragen, geen kettingen, geen oorbellen, geen onzin. Of toch, toen ik nog voetbalde, had ik een medaillon van de kinderen om de hals. Ostentatieve weelde hoort niet bij ons, zo ben ik niet grootgebracht. Ook de drie jongens zie je niet met gekke dingen rondlopen. Toen ik naar Dubai ging, heb ik mij een nieuwe gsm gekocht: 45 euro.

"Ik heb altijd goed verdiend. Nadat ik mijn contract bij RWDM had verlengd, kreeg ik vier appartementen en een huis van vader l'Ecluse. In het buitenland laat ik me altijd in dollars uitbetalen. Ik ben een dollarman. Je zult zien, als Obama de boel een beetje op orde krijgt, gaat de dollar weer stijgen. Er circuleert te veel geld in het voetbal. Neem Manchester City. Die zijn nu een vliegtuig aan het bouwen in de kleuren van de club met alles erop en eraan. Baden, massagehokken, slaap- en eetvertrekken. Niet normaal meer. Toen ik het hoorde, dacht ik nog: waarom geen casino? Engelse voetballers zijn gek van gokken. In de bus, op weg naar de wedstrijd, hangen ze nog aan hun gsm om in te zetten op paardenraces. Dat krijg je er niet uit. Ik ken een jongen die geregeld een half miljoen per week vergokte.

"Belgische voetballers doen het wat bescheidener. Maar ook zij zijn kaartverslaafd. Hier gaat het om een paar honderd euro. Bij Dender heb ik mijn jonge spelers verboden te kaarten voor geld. Als je niet uitkijkt, zijn ze zo hun salaris kwijt. Geld is de pest in het hedendaagse voetbal. Manchester City heeft 35 miljoen euro betaald voor Robinho. Waar zijn we dan mee bezig? België is geen professioneel voetballand. Clubs kopen om te kopen. De scouting is een ramp. Waarom spelen Dembélé en Vertonghen niet bij Anderlecht? Het grootste Belgische talent, Eden Hazard, speelt in Lille. Zijn broertje van nog geen vijftien is al gescout door Liverpool.

"De toekomst is aan de jeugd, maar zo wordt er in het voetbal niet gedacht. De laatste jaren trekken clubs een blik Argentijnen en Brazilianen open. En altijd weer zijn ze te laat. Een goeie speler haal je niet uit Argentinië voor minder dan 10 miljoen. Dus je moet gaan kijken naar jongens van vijftien. Zij zijn nog betaalbaar. Ik reis de wereld rond om die gastjes te scouten. Maar clubs hebben geen geduld. En dus huren ze dure B-toppers in, type Frutos. Een club die de titel pakt, maar niet zorgt voor doorstroming van de eigen jeugd heeft het slecht gedaan."

Zwart geld

Jaren zeventig. Ineens liep een zwik Nederlanders op Belgische voetbalvelden. Rensenbrink, Haan, Boskamp... De zwartgeldgeneratie. In bestuurskamers regende het envelopjes onder de tafel. Het leven zoals het was. Zou het vandaag anders zijn?

"Ik voel mij niet aangesproken, maar dat zwarte circuit krijg je niet meer uit het voetbal. Het is de cultuur van het land. Zonder zwart geld had Rob Rensenbrink nooit in België gespeeld. En de Polen Lato en Lubanski ook niet. Door al die 'zwarte' buitenlanders ging het Belgische voetbal naar een hoger niveau. Hoe kun je nou nog een buitenlander naar België lokken? Hij wil natuurlijk aan het nettobedrag komen dat hem voor ogen staat. Dat krijgt een Belgische club niet klaar zonder een paar ingenieuze constructies. Moeten we daar schande over spreken? Begin dan maar met het hele land.

"Ik heb geboet in de affaire-Bellemans. Mijn vijf appartementen heb ik moeten verkopen om de fiscus bij te spijkeren. Nog altijd zeg ik: dat ene frustraatje van het gerecht heeft het voetbal hier kapotgemaakt. Ik weet nog altijd niet wat zijn beweegredenen waren. Zolang het niet ten koste gaat van andere mensen mag je toch aan creatieve boekhouding doen. Maradona moet de fiscus in Napels nog 30 miljoen. Daar lachen ze in Argentinië om. Na Bellemans kregen we het Heizeldrama en daarna het Bosmanarrest. Alle rottigheid in het voetbal komt uit België vandaan."

Johan Boskamp weet wat multiculturalisme is. Dat heeft hij in Dubai, Koeweit en Georgië wel geleerd. Ook in Dender is de islam opgerukt tot de kleedkamer. Voor hem is het vanzelfsprekend.

"Ik ben niet bang voor de islam. In Dubai ging ik eens in gesprek met een sjeik. Ik zei: 'Die Allah van jou doet helemaal niks, zoals die God van ons ook niet thuis geeft.' Geloof staat voor oorlog, en daar kan ik niet bij. In Dubai lag ik op het strand een appel te eten tijdens de ramadan. Dat mocht niet van de politie. Nou ja, dan niet. Ik heb een hekel aan religie. En dat heb ik ook met zoveel woorden gezegd tegen die sjeiks in Dubai en Koeweit. Ik zei gewoon: het spijt me zeer, maar ik ga niet vijf keer per dag met mijn reet omhoog liggen. Ik ga ook niet op mijn knieën zitten. Wat kunnen mij die zeshonderd maagden schelen.

"In de kleedkamer is er respect voor de religieuze gevoelens van spelers. Daar is religion geen probleem. Er worden ook geen grappen over gemaakt. Moslimjongens willen niet in hun blote reet staan, nou dan niet. Als je in mijn tijd je onderbroek aanhield onder de douche werd je verrot gescholden. Nee, zelf ga ik niet met de jongens onder de douche. Ik wil niet dat ze zich doodschrikken.

"Of ik heb een plaat voor mijn kop, of het is een vooroordeel. In de veertig jaar dat ik in het voetbal sta, heb ik nooit een homo gezien. Ze moeten er natuurlijk zijn, maar ik ken ze niet. Voetballers zijn een ander volk op dat gebied. Kennelijk wordt het niet geaccepteerd. Ik heb weleens aan een oude gabber van Feyenoord gevraagd: ken jij een homo op het veld? Hij kwam niet verder dan een arbiter."

Jenny

Jenny ging dood en haar man wou het niet weten. Hij vluchtte twee jaar de wereld in, tot het afscheid acuut werd. "Tien jaar voor haar dood werd borstkanker vastgesteld. Een amputatie heeft niet geholpen. De kanker zaaide uit, eerst naar het bot, later naar de lever. In 2001 is ze gestorven. De laatste drie weken heb ik naast haar gezeten in het ziekenhuis. Ik sliep op een stretchbedje. Dat vergeet ik van mijn leven niet. Het is pas sinds enige tijd dat ik erover kan praten zonder vol te schieten. Ik heb het jarenlang weggestopt. Ik wou het huis verkopen. Jen was gek op haar tuin. Mij krijg je niet warm voor een gazonnetje. Maar ik laat de tuin toch maar zorgvuldig onderhouden door mijn broer, voor Jen.

"Ik heb nooit kunnen aanvaarden dat Jenny er op een dag niet meer zou zijn. Ik stelde haar voor naar Boston te gaan, naar de beste specialisten. Ze wou niet. Ze wilde in haar ziekenhuis blijven in Jette, bij haar artsen. Op een avond kwam de dokter naar me toe. De kinderen waren er ook. De kinderen zeiden: 'Papa, we moeten iets doen.' Ik wist niet wat ze bedoelden: 'Hoezo, we moeten iets doen?' De dokter maakte het duidelijk: Jenny had gevraagd om levensbeëindiging. Ze had het doorgesproken met de kinderen. Ik wist van niks. Ik denk dat ze het mij heeft verzwegen omdat ze wist dat ik alleen al bij de gedachte helemaal naar de kloten zou gaan. Ik weet van mijzelf dat ik een smeerlap ben, maar dit had ik niet verwacht.

"Jen had alles geregeld, haar uitvaart, de muziek, alles. Ook dat wist ik niet. Het ziekenhuis wou nog een dominee sturen. Toen werd ik woest: 'Als die man hier binnenkomt, gooi ik hem het raam uit.' Het kruis op de kist heb ik er ook afgegooid."

Na de uitvaart vertrok hij naar Dubai. Met vijftig boeken. "Ik heb dagen niet meer kunnen slapen, kon er met niemand over praten, moest alles zelf verwerken. Altijd weer rolde de film van haar laatste levensjaren voor me. Dat ze zei: 'Ik moet effe weg.' Wij wisten niet waar naartoe. Bleek dat ze naar het ziekenhuis was gegaan voor een chemokuur. Ook dat hield ze voor mij verborgen. Jen wou niemand tot last zijn. Zo ben ik ook, ik laat iedereen met rust, ook de kinderen. De kleinkinderen niet, die laat ik niet los.

"Jen zal er altijd zijn. Ik heb me voorgenomen niet te veel over haar te praten. Dat zou niet eerlijk zijn als ik een nieuwe partner heb. Die legt het altijd af tegen Jenny. Je gaat toch vergelijken."

De broosheid van het leven doet hem pijn aan de ogen. Nu hij over zijn bezoek aan Botswana spreekt, is er weer die brok in de keel en een sluier vocht in de ogen. Van het zwaailicht Boskamp blijft niets meer over. "Ik was bij een gezinnetje: twaalf man in een hut. De kinderen hadden aids, zoals bijna alle kinderen in Botswana. Ik zag de wondjes in het gezicht. We gingen naar het zwembad. Ik had een kindje op de arm en keek in die donkere vlekjes. Automatisch duwde ik het meisje naar het uiteinde van mijn arm. Ik duwde haar een beetje weg. Wat ben je dan voor een figuur? Hoe laf kun je zijn?"

Na weer een titel bij Anderlecht duwde Constant Vanden Stock hem een glas champagne in de hand. Boskamp weigerde en dat begreep de ouwe baas niet. Hij was lichtjes beledigd. "Ik drink geen druppel alcohol. Nooit, never. Mijn opa was een duivenmelker. Op zondag moest ik de ring van de duif naar het café brengen om te klokken. Mijn opa zat vrolijk aan een jenevertje. In de namiddag ging hij zijn prijs ophalen. Thuis was het eten klaar en opa was er natuurlijk niet. Elke keer weer moest ik hem gaan halen. De afstand tussen het café en ons huis was 500 meter. Brallend liep hij door de straat, met die zwarte visserspet op. De schaamte die ik toen voelde, is nooit meer overgegaan."

Ik heb een hekel aan religie. En dat heb ik ook met zoveel woorden gezegd tegen die sjeiks in Dubai en Koeweit. Ik zei gewoon: het spijt me zeer, maar ik ga niet vijf keer per dag met mijn reet omhoog liggen

In 2001 is Jen gestorven. De laatste drie weken heb ik naast haar gezeten in het ziekenhuis. Ik sliep op een stretchbedje. Het is pas sinds enige tijd dat ik erover kan praten zonder vol te schieten

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234