Maandag 23/09/2019
Hugo Camps in zijn werkkamer, thuis in Knokke.

Camps 75

Hugo Camps: ‘Ik had die column over Stevaert niet mogen schrijven’

Hugo Camps in zijn werkkamer, thuis in Knokke. Beeld Karoly Effenberger

Columnist en journalistiek fenomeen Hugo Camps wordt zaterdag 75. Taart en champagne, denkt een mens dan, maar het feestvarken zelf houdt het op ‘bloemen, noch kransen’. In Knokke maakten we de balans van zijn leven op. ‘Ik heb weinig bezittingen. Maar ik heb wél voor een klein appartement aan patrijsjes gegeten. Dat vind ik een verdedigbare keuze.’

“Ik ben een pyjama­man geworden”, vertrouwt hij me toe. “Ik geniet ervan om het hele weekend in mijn pyjama te blijven hangen. Toen ik nog in Antwerpen woonde, nam ik bij het minste teken van commotie de lift en verdween ik in de stad. In Knokke heeft dat geen zin: hier gebeurt toch niks.”

Het is middag en we eten borrelnootjes in restaurant Esmeralda, vlak bij het casino. Excuseer: het Napoleon Games Grand Casino. Buiten nodigt de lentezon uit tot flaneren. Nogal wat mannen dragen hun Knokke-­uniform: lichtgroene polo met opgerichte kraag, vaalblauwe trui die losjes om de schouders hangt, rood-roze broek die twijfelt tussen smal en skinny. Op de zeedijk aan het Albert­strand kijken ze niet op een pastel­kleurtje meer of minder.

Het is moeilijk te geloven dat in de bonte wereld van Heist en omstreken ook de existentieel bezwaarde ziel van Hugo Camps woont. Dat je tussen de gebotoxte gezichten van Het Zoute ook zijn doorgroefde gelaat kunt spotten. Wat heeft een liefhebber van donkere jazz­kroegen te zoeken in een stad die prat gaat op haar Blue Buddha Beach Club?

“Zelfbescherming”, zegt hij. “Antwerpen is te gevaarlijk voor mij. Ik zou er voortdurend naar de Bourla gaan. Of naar de Ciro’s, voor een steak met witloof. Knokke, in al zijn vreugdeloosheid, verlengt mijn houdbaarheids­datum.”

We zouden in het gezelschap van een zeebaarsje en een glas rode wijn zijn 75ste verjaardag vieren. Maar de jarige ziet weinig redenen om het confetti­kanon af te schieten. “Er valt niks te vieren. Dit is het begin van het einde.”

De balans van zijn leven opmaken, wil hij wél. Voor één keer dan. Want op nostalgie moet je zuinig zijn, vindt hij. “Aan terugblikken ga je kapot. Zeker als je, zoals ik, een negatief ingesteld geheugen hebt. Van de kermissen in het dorp herinner ik mij weinig. Van de begrafenissen des te meer.”

Johnny Cash

Zijn stemgeluid doet me denken aan dat van Johnny Cash op diens American Recordings. Het is broos geworden. Alsof zijn stembanden – na al die jaren van gewichtig ge­opinieer – weigeren om zijn woorden nog langer van aplomb te voorzien.

En wat is hij minzaam. “Lieve vriend”, noemt hij me, ook al kennen we elkaar niet. Zijn hoofd mag dan wel van graniet zijn, zijn ogen verraden dat hij een weekdier is.

“Hugo is veel breekbaarder dan je zou denken”, had de Nederlandse cabaretier Paul van Vliet me enkele dagen geleden gezegd. “Als je hem in je armen sluit – wat ik vaak gedaan heb – voel je een heel fragiel lichaam. Zijn lijf verkleint zich wanneer je hem omhelst.”

Volgens Van Vliet is het een wonder dat zijn vriend 75 is geworden. “Hugo heeft bij momenten een ruig en verwoestend leven geleid. Zwaar gerookt, veel gedronken, gulzig gegeten. Rond zijn vijftigste kreeg hij een hart­infarct. Toen ik hem in het ziekenhuis bezocht, was hij buiten bewustzijn. Ik heb een tekst voor hem op een briefje geschreven en het op zijn borst gelegd: “Zoveel wegen nog te gaan, zoveel bergen te bestijgen. Zoveel liefde nog te geven, zoveel liefde nog te krijgen.” Hij heeft mijn woorden pas een paar dagen later gelezen. Maar hij beweert nog altijd dat ze hem de kracht hebben gegeven om te blijven leven.”

Vijf jaar geleden tikte Magere Hein Hugo Camps opnieuw op de schouders: wat een eenvoudig darm­onderzoek had moeten zijn, resulteerde na medisch geblunder in vergiftigde organen. “Ik werd geopereerd en moest zes maanden een stoma dragen. Nooit ben ik zo beschaamd geweest. Als ik met mensen ging dineren, was ik me voortdurend bewust van de zak die onder de tafel mijn ontlasting opving. Verschrikkelijk. Ik kan mijn verval niet met anderen delen. Ik sluit me nog liever op in de kelder.”

Chef Verdriet, noemden ze hem bij het Nederlandse weekblad Elsevier. Voor iemand die geluk definieert als ‘verdriet dat even uitrust’, is dat een uitstekende bijnaam, zeg ik. “Ach, mijn imago van chronische somberaar... Dat beeld krijg ik nooit meer weg. Ik kan nu met jou naar buiten gaan en op de zeedijk beginnen buikdansen. Je zult je doodlachen met mijn dikke, klotsende buik en er in je stuk op vrolijke wijze verslag over uitbrengen. Maar zal de beeldvorming over mij daarmee gecorrigeerd zijn? Natuurlijk niet. En dat hoeft ook niet. Ik bén een zwaarmoedig man. Ik ben zo geboren.”

Wanneer ik vraag of hij ooit met zijn eigen neerslachtigheid gekoketteerd heeft – of Hugo Camps ooit Hugo Camps gespééld heeft – valt hij vier seconden stil. Om vervolgens te zeggen: “Vooruit dan: een enkele keer zal ik wel­eens extra droef uit mijn ogen gekeken hebben. Maar dan alleen in het gezelschap van een vrouw. Opdat ze me zou omhelzen en voor me zou zorgen.” Hij lacht en even wordt de 75-jarige een boefje.

Ex-koning van Limburg

Terwijl we een Zeebrugse garnaal in cocktail­saus dopen, spoelen we de tijd terug naar de jaren tussen 1976 en 1986: het decennium waarin Hugo Camps hoofdredacteur van Het Belang van Limburg was. Tien jaar lang weekte hij de krant los van het katholieke establishment en gaf hij het provinciale Belang nationaal aanzien. Als hij op de Grote Markt in Hasselt kwam, namen de mensen hun hoed voor hem af: aan het hoofd­redacteur­schap was toen nog een sociale bonus verbonden.

En toch liep het fout.

In een ongenadig Humo-stuk – ‘De koning van Limburg in vrije val’ - beschreef toenmalig journalist Leo De Haes begin ’86 hoe Camps zich al jaren “als een zonnekoning gedroeg”. Hoe hij er met zijn “tirannieke grillen”, zijn “onberekenbare karakter” en zijn “dubieuze journalistieke praktijken” in geslaagd was om “de voltallige redactie tegen zich in het harnas te jagen”. Een paar dagen later werd Camps ontslagen.

Tijd om 32 jaar na de feiten – en geheel conform de tijdgeest – de dingen te benoemen zoals ze zijn: was hij inderdaad een karikatuur van een hoofd­redacteur of had Leo De Haes gewoon iets verkeerds gegeten?

“Dat stuk was een georkestreerde afrekening”, zegt Camps. “Een een-tweetje tussen mijn katholieke vijanden en een paar ontevreden journalisten. Maar ik erken dat ik een belabberd hoofd­redacteur was. Ik was ijdel en schreef veel stukken zelf. Dat zullen vast niet al mijn journalisten leuk gevonden hebben. Bovendien was ik vaak in Brussel, waardoor ik naliet om een band op te bouwen met de redactie. En nog belangrijker: ik was geen manager. De overgang van schrijfmachines naar computers, de firmawagen­verzuchtingen van mijn journalisten... het interesseerde me allemaal niet. Na mijn jaren als hoofdredacteur heb ik gezworen dat ik nooit meer ergens chef zou zijn. Aan die eed heb ik me gehouden.”

Nadat hij zijn aanvoerdersband en een deel van zijn ijdelheid in de dichtst­bijzijnde vuilnisbak had gekieperd, begon hij met grote gretigheid interviews en reportages te schrijven voor NRC Handelsblad en Elsevier. “Dat ik in Nederland kon gaan werken, heeft me gered. De zelf­censuur die ik me in Limburg had opgelegd, viel volledig weg. Eindelijk kon ik weer heerlijk ongeremd schrijven.”

Verlamd door Hugo Claus

Hij veegt zijn mond af, pakt zijn smartphone en toont me de column die hij vannacht schreef: een lofzang op voetballer Andrés Iniesta. Schrijven is ook na duizenden stukjes niets minder dan een noodzaak, zo blijkt. “Ik heb een immens gevoel van nutteloosheid wanneer ik een dag geen stukje heb gemaakt. Al geef ik toe dat schrijven ook een alibi is om niet te moeten leven: ik roep wel­eens een deadline in om te ontsnappen aan de plichten van het bestaan.”

Zou hij nog schrijven, mocht hij niet langer gepubliceerd worden? “Nee, dan staar ik nog liever de hele dag naar het plafond. Zonder lezers zou ik in het ijle tikken. Ik heb een publiek nodig. Of op z’n minst de illusie van een publiek.”

Met ex-premier en Hugo Camps’ vriend Guy Verhofstadt praatte ik tijdens een voorbereidend gesprekje over de campsiaanse schrijf­stijl. Ik gebruikte het woord barok, maar Verhofstadt tekende protest aan. “Barok schrijven betekent voor mij: nutteloze versierinkjes aanbrengen. Tierlantijnen gebruiken omwille van de tierlantijnen. Dat is niet wat Hugo doet. De woorden die hij gebruikt, zijn wel exuberant, maar ze staan altijd ten dienste van het punt dat hij maakt. Over elke beeldspraak, elke vergelijking, elke belediging is nagedacht.”

'Ik schrijf liever over een vrouw in een vissershuisje dan over de Wetstraat 16.' Beeld Karoly Effenberger

Ik overhandig het compliment tussen voorgerecht en hoofdgerecht aan mijn tafelgenoot. En vraag hem of hij het niet jammer vindt dat er in onze contreien geestdriftiger geapplaudisseerd wordt voor zuinige dan voor zwierige taal. “Ik snap niks van die bewondering voor een taal zonder adjectieven. Om het met Hugo Claus te zeggen: een zuinige taal is een luie taal.”

Dat zijn literaire manier van journalistiek bedrijven in tijden van snelle nieuws­consumptie in het gedrang komt, betwist hij niet. Maar vrolijk wordt hij er niet van. “Op enkele uitzonderingen na staan er in de krant geen piekfijn verzorgde stukken meer. Een doodzonde is het. Als je een stuk schrijft waarin je de wonden van de tijd blootlegt, is het van het grootste belang dat je dat in een mooie taal doet. Fraaie taal geeft je onderwerp de nodige sérieux. Slordige taal devalueert het.”

Zonder dat mij wat gevraagd wordt, zeg ik dat ik de observerende Camps vaak verkies boven de verontwaardigde Camps. Dat hij naar mijn gevoel op zijn best is wanneer hij de schoonheid van iets benoemt in plaats van de schande. “Ik schrijf zelf ook liever over een vrouw in een vissers­huisje dan over de Wetstraat 16”, zegt hij. “De waarneming is mij dierbaarder dan de mening. Maar de krant wil opinies. En ik begrijp dat. Standpunten brengen mensen in beweging: ze zorgen ervoor dat voor- en tegen­standers van zich laten horen en dat het maatschappelijk debat floreert.”

Een roman heeft hij, ondanks het stilistische meesterschap dat velen hem toedichten, nog altijd niet geschreven. Een gebrek aan werklust en discipline? Hij buigt zich voorover en kijkt me indringend aan. “Lieve vriend, een roman moet gestut worden door literaire architectuur. En ik hou niet van het bedenken van structuren. Ik ben de man van de losse observatie. De nonchalant geformuleerde beschouwing. Je moet weten wat je kunt en wat je niet kunt.”

Bevriend zijn met Hugo Claus hielp ook al niet om grote literaire ambities te koesteren. “Als je Claus kent, begin je bibberend te schrijven. Geconfronteerd met zijn oeuvre voelde ik me vaak heel klein. Al heeft hij me regelmatig gevraagd om mee na te denken over een titel voor zijn nieuwe boek. Dat heb ik toch altijd als een overwinninkje beschouwd.”

Spijt van Stevaert

We praten over de kunst­roof die de afgelopen nacht in Knokke plaatsvond: in galerie Mercier werd een werk van Arne Quinze gestolen. Natural Golden Chaos: een bouwsel vervaardigd uit goud van 18 karaat. “Diefstal is te betreuren”, zegt Hugo Camps. “Maar kunst hoeven we die constructies van Quinze nu ook niet te noemen. Steigers zijn het, meer niet.” Eens een dwars­ligger, altijd een dwars­ligger.

Al lijkt het erop dat zijn weerbarstigheid niet helemaal spoort met het huidige maatschappelijke humeur. “Dissidentie mag ook”, luidt het motto van zijn column in deze krant. Dat klinkt haast verontschuldigend. “Dissidentie wordt minder naar waarde geschat dan vroeger”, zegt hij. “Logisch: er is ook minder op de duisternis te veroveren dan weleer. Vijftig jaar geleden moesten onderwerpen als seks en ideologie nog met hand en tand op de maatschappelijke agenda gezet worden. Vandaag zijn ze vanzelfsprekend. Het neemt niet weg dat een mens zich principieel moet blijven verzetten. Je mag nooit slaafs de kudde volgen.”

Op 2 april 2015 – de dag waarop Steve Stevaert zich in het Hasseltse Albert­kanaal wierp – zorgde Hugo Camps voor een journalistieke dissonant van­jewelste: terwijl zowat alle kranten met Stevaert-­hagiografieën uitpakten, schreef híj een column waarin hij de vroegere sp.a-voorzitter ‘een behaagzieke volks­menner met een tirannieke binnenkant’ noemde en vast­stelde dat Stevaert ‘meer gezelligheid had gespeeld dan er ooit in hem aanwezig was geweest’. Het kostte De Morgen tientallen abonnees en Camps een paar vriendschappen.

“Er werd mij gevoelloosheid, arrogantie en zelfs lijken­pikkerij verweten”, zegt hij. “Maar ik blijf erbij dat mijn woorden niet overdreven waren. Integendeel: het verschil tussen de publieke Stevaert en de echte Stevaert was in werkelijkheid nog veel groter dan ik in mijn column liet blijken. Al hadden mijn critici een punt: ik had die tekst over Steve eigenlijk niet mogen schrijven. Niet op die onverbloemde manier. En al helemaal niet op de dag van zijn dood. Ik ben toen een beetje uit de bocht gegaan.”

“Hugo is soms te hard voor mensen”, zei ex-NAVO-­secretaris-­generaal Willy Claes toen ik hem vroeg om de minder fraaie kanten van zijn voormalige kompaan aan te wijzen. “Ik ga geen namen noemen, maar ik ken politici die nog altijd met wraakgevoelens rondlopen omwille van wat hij ooit over hen geschreven heeft. Hugo is een groot politiek poëet. Maar hij speelt soms de man in plaats van de bal.”

“Ik laat me gewoon leiden door de actualiteit”, zegt Camps, kauwend op een langoustine. “Als Kris Peeters begint te klooien met ultra­orthodoxe joden, schrijf ik dat de staatsman verschrompeld is tot een dwerg. Omdat het ook zo ís. En toch bewonder ik liever dan ik fileer. Op mijn leeftijd valt er weinig meer te dromen. Maar dat ik nog altijd kan bewonderen, is een troost. En ik blijf graag trouw in mijn bewondering. Idolen worden tegenwoordig veel te snel ingeruild. Messi heeft een mindere periode en hop, iedereen supportert voor Ronaldo. Dat is onkies. Ik ben nog altijd een fan van Rik Van Looy. Niet van Greg Van Avermaet. Enige continuïteit is geen misdaad.”

Willy Claes over Hugo Camps: 'Hugo is soms te hard voor mensen. Ik ga geen namen noemen, maar ik ken politici die nog altijd met wraakgevoelens rondlopen omwille van wat hij ooit over hen geschreven heeft.' Beeld BELGA

Duitse prostituee

Aan Arendo Joustra, zijn voormalige hoofd­redacteur bij Elsevier, had ik gevraagd wat hij zijn Belgische compagnon de route in dit leven nog toewenst. “Dat hij eindelijk eens tevreden is met zichzelf”, had hij geantwoord. “Want achter de zelfverzekerde columnist schuilt een erg onzeker man. Hugo voelt zich vaak de mindere. Terwijl hij iedereen aankan. Alleen beseft hij dat zelf niet.”

Camps zucht wanneer ik hem de woorden van zijn vriend voorleg. Niet uit ergernis, maar omdat hij weet dat dit het moment is waarop hij moet beslissen of hij zijn hart op een kier zet of niet.

“Ik ben grootgebracht door een vader en een moeder die leden aan het leven”, zegt hij na een initiële aarzeling. “Mijn vader werkte bij de Boerenbond, waar hij melkmachines verkocht. Al zijn collega’s waren technisch ingenieurs, zelf had hij enkel vakschool gelopen. Aan die vaststelling ontleende hij een levens­lang minderwaardigheidscomplex. Elk jaar opnieuw was het zijn grootste droom om twee melkmachines meer te verkopen dan zijn collega’s. Alleen op die manier kon hij tijdelijk zijn onzekerheid bezweren. “Wij zijn niks en we zullen ook nooit iets worden”, was zijn adagium. Ik heb het hem een miljoen keer horen zeggen. En geloof me: dat blijft hangen.”

“Tussen camionneurs met verweerde koppen en aangeslagen tanden heb ik me altijd thuisgevoeld. Maar tijdens dinertjes met Hans van Mierlo (voormalig Nederlands politicus, red.) en Harry Mulisch sputterde ik. Dan dacht ik: dit is mijn wereld niet. Pure zelf­twijfel.”

“Ik leef al heel mijn leven intellectueel boven mijn stand. De taal heeft me de mogelijkheid gegeven om dat gedeeltelijk te camoufleren en daar heb ik dankbaar gebruik van gemaakt. Maar mijn gevoel van achterstand raak ik nooit meer kwijt. Nog steeds ben ik bang als ik een stukje naar de eindredacteur mail. Als de bemoedigende woorden uitblijven, begin ik al te zwalken. Dan denk ik: “Het zal wel niet goed genoeg geweest zijn.””

Ook zijn moeder lepelde hem weinig zelfvertrouwen in. “Ze is een groot deel van mijn jeugd ziek geweest. Kanker in de buik. Vaak zat ze op de bank met een elektrisch kussentje op haar schoot: dat moest de pijn verzachten. Ze gaf me wel affectie, maar het was genegenheid van de katholieke soort: een man werd je er niet van. Hoe ouder ze werd, hoe meer ze haar leven uitbesteedde aan de kerk. Vroomheid was voor haar belangrijker dan tederheid. Ze had weinig erotische présence.”

Of hoe de man die in duizend toonaarden vrouwen kan bezingen, als kind geen overdosis vrouwelijke zinnelijkheid meekreeg. “Ik heb mijn moeder mijn vader nooit zien strelen. Ik heb haar nooit naakt gezien, zelfs een blote schouder zat er niet in. En dan moest ik op mijn zevende ook nog eens naar het jongensinternaat. Waar elke vorm van opwinding uit het leven werd gezogen. Waar ik elke nacht met de handen boven de lakens moest slapen. Waar de minste belofte van erotiek vakkundig de nek werd omgewrongen.”

“Toen ik op mijn zeventiende vrijkwam, begon ik op elke vrouw te jagen die ik tegenkwam. Ik heb me in een Diests bordeel laten ontmaagden door een Duitse prostituee. Op een bed met een vuile, bruin­gele sprei. Het was voorbij voor ik goed en wel besefte wat er gebeurd was.”

In zijn streven om zijn tekort aan sensualiteit goed te maken, ontstond ‘de dwang om doorlopend verliefd te zijn.’ “Ik had – en heb – een grote nood aan bevestiging. En die kan alleen maar van een vrouw komen. Mannen geloof ik niet. Die kunnen niet aanvaarden dat iemand groter is dan zij.”

“Het gaat me bij vrouwen overigens niet om de seks, maar om de illusie. Niet om het bezit, maar om het verlangen. Als ik op een terras een vrouw met een mooie mond zie, kan ik weken aan een stuk met die mond bezig zijn. Ik hoef niet eens te weten wie die vrouw is en waar ze vandaan komt. In de liefde ben ik een kruidenier.”

Werd hij weleens verliefd op de vrouwen die hij onder het mom van een interview psychologisch ontkleedde? “Dat gebeurde, ja. Het overkwam me met Linda van Dyck, de actrice. En met Miranda van Kralingen, de opera­zangeres. Gelukkig hadden ze allebei betere dingen te doen en hebben ze me behoed voor de nederlaag.”

“Dé liefde van mijn leven was een getrouwde vrouw. Tijdens de zomervakantie verbleef ze met haar man soms in Knokke. Dan reed ik elke avond van Hasselt naar hier. We spraken af dat zij om acht uur op het balkon van hun appartement zou gaan staan, zodat we ongemerkt even naar elkaar konden wuiven. Honderd keer hebben we besloten om te gaan samenwonen. Honderd keer heeft ze zich bedacht. Ze wilde haar kind de emotionele last van een gebroken gezin besparen. Na een tijd werd haar onbereikbaarheid me te veel. Ik zat voortdurend naar mijn telefoon te staren, wachtend op haar stem. Sindsdien weet ik dat je aan grote liefdes altijd doodgaat.”

'Bij Martine heb ik rust gevonden. Ze is mijn steun en toeverlaat, mijn hier en nu.' Beeld Karoly Effenberger

“Bij Martine heb ik rust gevonden. Ze is mijn steun en toeverlaat, mijn hier en nu. Er zijn momenten geweest waarop mijn hardnekkige neiging om verliefd te worden haar verdrietig maakte. Maar ze weet dat de buiten­echtelijke harts­tocht zich enkel in mijn hoofd afspeelt. Ik ben haar nooit écht ontrouw. Of toch niet meer.”

Vaderlijk verdriet

Plots: “Ik ben een slechte vader geweest. Toen ik als dertiger bij mijn eerste vrouw ben weggegaan, ben ik ook grotendeels uit het leven van mijn dochters verdwenen. Ik heb een flink stuk van hun leven gemist. Toen ze nog klein waren, dachten ze dat ik aan lager wal geraakt was. Op mijn veertigste gaf ik een feestje in het chique Scholteshof in Stevoort, alleen maar om Eva en Sandra te tonen dat hun papa geen landloper was.

“Na mijn scheiding noemde mijn moeder me een smeerlap: “Hoe durf je je dochters in de steek te laten?” Twee jaar lang heb ik haar niet gezien. Toen de kanker haar had ingehaald, ging ik aan haar doodsbed zitten. Ik was haar nagels aan het lakken wanneer ze zei: “Een man die zijn kinderen in de steek laat, kan mijn zoon niet zijn.” Toen is er iets in mij gebroken. Ik ben in mijn auto gestapt en naar Parijs gereden, waar ik me drie dagen en drie nachten verloren heb gedronken. Terug thuis heb ik voor mijn moeder nog een doods­prentje geschreven – zes regels waaraan ik tien uur gewerkt heb – en ben ik naar haar begrafenis gegaan. Daarna heb ik gezegd: “En nu sluit ik dit hoofdstuk af.””

Hij neemt een slok wijn en verglijdt in gedachten. In de stilte die ontstaat hoor ik Ella Fitzgerald zingen: “Every time we say goodbye, I die a little.” Toeval is een vreemde snuiter. Ik vraag hoe de band met zijn dochters vandaag is. “Intieme gesprekken blijven moeizaam. In de eerste jaren na mijn scheiding zag ik Sandra en Eva enkel op zaterdag. Die paar uren dat we samen waren, wilden we niet verpesten door moeilijk te doen. En dus hielden we het luchtig. Zo is er in onze relatie een oppervlakkigheid geslopen die er nooit meer is uitgegaan. Ach, het is zo gelopen. Maar ik ruil meteen al mijn columns voor een hechtere band met mijn dochters.”

“Ik ga even een sigaretje roken, mag dat?”

Wanneer hij terug is, zegt hij: “We zijn fundamenteel alleen, er is geen ontkomen aan. Je kunt je bij vrienden wentelen in warmte en gezelligheid zoveel je wilt, er komt altijd een moment waarop de kilte je weer te pakken krijgt.”

“Vriendschappen zijn zo moeilijk vast te houden. Zolang ze oppervlakkig blijven, is er geen vuiltje aan de lucht. Maar zodra je met een vriend de diepte ingaat, word je kwetsbaar. Dan kan één verkeerd woord al hard aankomen. Hoe inniger de vriendschap, hoe groter de kans op blutsen en builen.”

Zijn er – nu de tijd stilaan begint te dringen – vriendschappen die hij als­nog zou willen restaureren? “Ja, maar ik durf het niet. En ik weet ook niet hoe het moet. Beschadigde intimiteit herstellen, veronderstelt dat je de oorzaken van de averij verklaart. En dat vind ik te pijnlijk.”

“Nu ja, ik hoef ook geen half peloton vrienden te hebben. Er zijn een paar mensen die weten wie ik écht ben. Voor alle anderen blijf ik liever een schimmige man die nu en dan langs de gevel schuifelt. Ongrijpbaar zijn, is goed. Het geeft je de mogelijkheid om ongemerkt te falen. Om je verdrietjes en mislukkinkjes weg te masseren naar een kale vlakte waar niemand is.”

De glazen zijn leeg, de vissen verteerd, de vragen gesteld. Op één na: welke goeie raad zou hij, de zeventiger, mij, de veertiger, willen geven? “Zoek je geluk in de kleine dingen van het leven. Zodra iets té groot wordt – een liefde, een reputatie, een project – raak je het kwijt. Al die grote jongens met hun opgeblazen ego’s en wereld­omspannende ambities, denk je dat die gelukkig zijn? Ik heb er een paar gekend: ruïnes waren het. Neem het van me aan: grote levens zijn grote leugens.”

Ik omklem zijn beide handen en bedank hem voor zijn tijd. Hij vraagt of ik hem naar huis wil brengen, ik zeg: natuurlijk. Wanneer we voor de oprit van zijn huis staan, stapt hij moeizaam uit de auto. Ik moet denken aan de woorden van Paul van Vliet.

“Hugo is veel breekbaarder dan je zou denken.”

Manu Adriaens, 'Hugo Camps 75.  Een leven van inkt, nylons en masseerolie', uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, 224 p., 24,95 euro. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234