Woensdag 16/10/2019

Maatschappij

Horen, zien en twijfelen: beroepsgeheim plaatst artsen voor zware dilemma's

Beeld Leon Fernando

Hoe gewrongen de medische wereld zit met het beroepsgeheim, blijkt uit de zaak rond Patrick Roelandt, een huisarts die door zijn patiënt is vermoord. Niet alleen heeft het beroepsgeheim artsen al in gevaar gebracht, het stelt hen ook voor zware dilemma's. 

Eigenlijk had Roelandt geen tijd om op 1 december 2015 zijn patiënt Danny S. te gaan bezoeken, die klaagde over 'krakende longen'. Maar hij deed het toch. Op het einde van het huisbezoek, net wanneer de dokter zijn tas wilde opbergen, kreeg hij van zijn patiënt een vleesmes in zijn hals geploft. 

Twee jaar later is nog steeds niet duidelijk wat S. toen bezielde. Wilde hij wraak nemen op de medische wereld omdat zijn zoontje een tekort had bij de geboorte? Niemand die het weet. En de dader zelf heeft over zijn motief steeds andere verklaringen afgelegd. De nabestaanden hopen dan ook om op het proces, dat woensdag in Kortrijk gestart is, iets van duidelijkheid te krijgen. Al is dat in dit geval twijfelachtig.

Mogelijk gevaarlijke patiënten

Wat wel duidelijk is volgens Kristiaan Vandenbussche, de advocaat van de nabestaanden, is dat nieuwe regels rond het beroepsgeheim zijn dood mogelijk hadden voorkomen. "Twee weken voor de moord is er een inval geweest bij de beklaagde", zegt hij aan de nieuwsdienst van VRT. "Men heeft toen veel wapens en gevaarlijk materiaal gevonden. Als er toen een signaal geweest was van justitie richting de artsenkring, dan had dit waarschijnlijk vermeden kunnen worden."

Als gevolg van de moord op de huisarts kwam er in mei vorig jaar een nieuwe wetsbepaling over het beroepsgeheim. Daardoor kan justitie informatie uitwisselen met huisartsen over mogelijk gevaarlijke patiënten. De ironie daarvan, zo vindt de dochter van de overleden arts, is dat Roelandt daar heel zijn leven voor gepleit heeft. 

Maar het ligt niet enkel aan justitie, die gebonden is aan het geheim van het gerechtelijk onderzoek, om artsen op de hoogte te brengen van losgeslagen patiënten. Ook artsen kunnen heel wat doen om speurders bij een onderzoek te helpen, maar ook zij zitten dan vaak vast aan het beroepsgeheim. 

Dat de ene arts al iets sneller belt naar de procureur dan de andere, bleek onlangs nog op het assisenproces tegen Ivo Poppe (61), schuldig bevonden aan vijfvoudige moord, waaronder die op zijn moeder. Had zijn psychiater niet uit de biecht geklapt, dan was de ‘diaken des doods’ misschien nooit ontmaskerd. Want de psycholoog bij wie Poppe twee jaar eerder in therapie was, hield de opgebiechte misdrijven wel netjes voor zich. 

“Feiten opbiechten is onvoldoende om het beroepsgeheim te schenden”, zo maakte psycholoog Mattias Desmet zich sterk in de Brugse assisenzaal. “Pas als een patiënt nieuwe feiten aankondigt, is daar voldoende grond voor.” Klopt. En precies daarom luidde psychiater Wim De Troyer de alarmbel wel. Hij vond het risico op nieuwe moorden reëel en schakelde, na veel wikken en wegen, het gerecht in.

Nog van deze tijd?

Twee zorgverleners, twee inschattingen. Het doet de wenkbrauwen fronsen. Is het beroepsgeheim dan nog van deze tijd? “Absoluut”, meent psycholoog Koen Lowet, afgevaardigde van de Belgische beroepsvereniging. “Het is onmogelijk werken zonder. Patiënten die weten dat ze niet helemaal vrijuit kunnen praten, zullen nooit op verhaal komen. Zo kun je er niet mee aan de slag.” 

“Het beroepsgeheim is dé sleutel in de relatie tussen arts en patiënt”, beaamt Piet Hoebeke, uroloog (UZ Gent) en decaan van de faculteit geneeskunde en gezondheidswetenschappen (UGent). “Die relatie moet op slot. Stel je voor dat er geen beroepsgeheim zou zijn. Welke patiënt met een seksueel overdraagbare aandoening zou dan nog op zijn gemak op consultatie kunnen komen en vertellen: ‘Ik heb een scheve schaats gereden en heb er iets aan overgehouden.’ Die veilige contouren moeten er zijn.” 

Zien, horen en zwijgen. Het is een belofte die teruggaat tot de Oude Grieken, opgenomen in de eed van Hippocrates. “Al hetgeen mij ter kennis komt in de uitoefening van mijn beroep of in het dagelijks verkeer met mensen (…) zal ik geheimhouden en niemand openbaren”, zo deed de Griekse arts rond 400 v.Chr. zijn leerlingen op het eiland Kos zweren. En zo staat het ook vandaag nog in de voorlaatste alinea van de artseneed.

Het beroepsgeheim is “een heilig huisje”, vult uroloog Piet Hoebeke aan, gespecialiseerd in een vakgebied waarin het taboe niet zelden heerst. “Maar het is niet omdat het in de broek zit dat er nog meer geheimhouding bij te pas komt. Er bestaan geen meer of mindere beroepsgeheimen. Het geldt voor keelpijn evenzeer als voor pijn aan de piemel. Dat is iets waar iedereen in de gezondheidszorg alert voor moet zijn. Neem nu een ambulancier. Die mag ook niet bij de bakker staan toeteren: ‘Moet je nu eens weten wie ik gisteren van de straat heb opgeraapt?’ Dat kan gewoon niet.” 

Het eeuwenoude beroepsgeheim is sinds 1867 ook in onze strafwet verankerd, in artikel 458. Als je de straffen bekijkt, weet je waarom artsen en zorgverstrekkers zo op hun hoede zijn. Wie zijn boekje te buiten gaat, riskeert een veroordeling voor de correctionele rechtbank. Dat kan een gevangenisstraf zijn, van acht dagen tot zes maanden – meestal met uitstel. Of een fikse geldboete. Daarnaast kan de Orde der artsen tuchtsancties uitspreken, zoals een blaam, een waarschuwing of een (tijdelijke) schorsing.

Beeld Leon Fernando

Toch is het beroepsgeheim niet “absoluut”. In de loop der jaren werd het al wat milder. Volgens gezondheidsjurist Tom Balthazar (UGent) gebeurde dat “onder invloed van maatschappelijke verwikkelingen”. Zo werd in 1987 voor het eerst de ‘noodtoestand’ aanvaard als uitzondering op de geheimhouding. In een notendop: komt iemands fysieke integriteit in gevaar, dan heeft de zorgverlener toch recht van spreken. 

Kortom, er zijn grenzen aan de zwijgplicht. “Bij het begin van de therapie zal ik dat ook altijd goed kaderen”, vertelt psycholoog Koen Lowet, die vaak kinderen en jongeren behandelt. “Wat kan? Waar stopt het? Ik zeg zo’n tiener soms weleens: ‘Alles wat hier voorbijkomt, is in het geheim. Maar als jij hier morgen opbiecht dat je een kalasjnikov gekocht hebt en van plan bent om de helft van je school neer te maaien, dan moet ik wel ingrijpen’.”

Schoentje wringt

Het scheelde geen haar of psychiater Joris Vandenberghe (UZ Leuven en UPC KU Leuven) had ooit het gerecht ingeschakeld voor een noodtoestand. “Ik heb één situatie meegemaakt waarbij een patiënt er heel concreet mee dreigde om iemand te vermoorden. Hij deed me zijn hele plan uit de doeken. Dan moet je gaan uitvlooien: is dit nu een geloofwaardige dreiging? Of is die man mij gewoon aan het testen en uitdagen? Je moet je ook vragen stellen als: heeft hij een wapen? Weet hij zijn geviseerde slachtoffer al wonen? En is hij in staat om effectief een moord te begaan? Ik heb zijn casus toen anoniem aan de procureur voorgelegd, na overleg met de Orde der artsen, en heb uiteindelijk beslist om mijn beroepsgeheim niet te breken. We zagen nog geen reële dreiging. De man had geen wapen en was lichamelijk erg verzwakt. Bovendien was zijn doelwit op de hoogte van de plannen, dus ook die kon extra veiligheidsmaatregelen nemen.”

Toch wringt precies daar het schoentje van de zwijgplicht, meent Vandenberghe. “En ik denk dat het altijd zal blijven wringen. Je zit daar per definitie met botsende belangen. Aan de ene kant het beroepsgeheim, aan de andere kant de hulpverleningsplicht. Jij maakt je als arts grote zorgen over mensen die in nood verkeren. Dan kom je onvermijdelijk in dat spanningsveld terecht en moet je creatief zijn: hoe kun je die twee punten toch met elkaar verzoenen? Soms moet je echt beslissen: nu stel ik het ene belang boven het andere. Nu primeert mijn hulpverleningsplicht en maak ik mijn beroepsgeheim daar ondergeschikt aan.”

Ook Frederik Nevens, leverspecialist aan het UZ Leuven, voelt hoe er frictie zit op de geheimhouding. “Kijk naar mijn domein. Ik zie veel patiënten met levercirrose door overmatig alcoholgebruik. Mensen bij wie er al wat hersenschade is. Toch kan ik mijn patiënten niet verbieden om achter het stuur te kruipen. Ik kan het hen wel ten stelligste afraden, maar als zij zich daar niks van aantrekken, sta ik machteloos. Dan voel ik vaak dat conflict. Aan de ene kant wil je je patiënten maximaal beschermen. Aan de andere kant wil je ook de maatschappij behoeden voor dronken chauffeurs.” 

Spreken is zilver, zwijgen is goud? Niet altijd, want het spreekrecht voor artsen werd, behalve met de noodtoestand, nog verder uitgebreid. Dat leidde tot artikel 458bis, dat het beroepsgeheim in drie fases ‘afzwakte’. Zo kregen artsen in de nasleep van de zaak-Dutroux, in 2001, de mogelijkheid om misdrijven op minderjarigen te melden aan het parket. Dit werd nadien nog uitgebreid tot misdrijven op álle kwetsbare personen – dus ook mensen met een beperking of ouderen. Sinds 2011, na het Vangheluwe-schandaal, hebben artsen ook recht van spreken als ze menen dat een dader nog andere, onbekende slachtoffers zal maken. Dit terwijl ze vroeger enkel konden ingrijpen voor een bekend slachtoffer. In 2012, ten slotte, kwam daar nog de tussenkomst bij partnergeweld bij. 

Spreekrecht, spreekplicht

“In die zin is de manier waarop we met het beroepsgeheim omgaan wel veranderd”, duidt psychiater Joris Vandenberghe. “Het is een spreekrecht dat in de praktijk ook weleens een spreekplicht wordt. Als je weet dat er mensen in gevaar zijn, maar je zwijgt en onderneemt niks, dan leun je al dicht bij het schuldig verzuim aan. Dat gaat toch al redelijk ver.” 

Eén keer belde uroloog Piet Hoebeke zelf naar de procureur, in het belang van een ‘kwetsbaar persoon’. Een minderjarige. Artikel 458bis op het scherpst van de snee. “Dat kind moest onder het mes. De ouders, getuigen van Jehova, hadden mij strikt opgedragen: ‘Geen bloedtransfusie, want dat strookt niet met ons geloof.’ Tijdens de operatie kwam ik in een heikele situatie terecht, ik wilde op veilig spelen. Je wilt zo’n kind toch niet laten doodbloeden? Toen heb ik de procureur gebeld, met de vraag dat koppel tijdelijk uit hun ouderlijke macht te ontzetten en mij toelating te geven voor een transfusie. Uiteraard moet je de ouders daarna op de hoogte brengen. Maar dan zijn ze je heel dankbaar, dat weet ik wel zeker. Kwaad zijn ze allerminst. (lachje)

Klapt een arts uit de biecht, met artikel 458bis als stok achter de deur, dan nog blijft het wikken en wegen. Want telkens weer moeten ze inschatten: dreigt er op dit moment nog gevaar? Zo ja, dan mogen ze praten. Zo niet, dan moeten ze zwijgen. “Wees er dus maar zeker van dat er nog huisartsen, psychologen en psychiaters rondlopen die erg pijnlijke dingen vernomen hebben van hun patiënten”, stelt professor Balthazar. 

Beeld Leon Fernando

Hulp bieden betekent dan ook niet altijd naar het parket stappen, integendeel. Piet Hoebeke: “Bij vermoedens van seksueel misbruik, kinderverwaarlozing of Münchhausen by proxy, waarbij ouders hun kind opzettelijk ziek maken, stap ik niet naar het gerecht. Dan ga ik eerder via psychologen en vertrouwensartsen. Want als je daarin bruuskeert, richt je soms alleen nog meer schade aan.”

Een ‘gedeeld beroepsgeheim’ heet dit dan. Als behandelende arts roep je de hulp in van een andere zorginstantie om een alarmerende situatie te ontmijnen. Ook dit komt wel vaker voor. Zeker de vertrouwenscentra spelen hier “een niet te onderschatten rol”, meent Joris Vandenberghe. “Dat is een tussenstap die wij dikwijls inlassen. Zo kun je vaak al heel wat op gang trekken, nog los van gerechtelijke stappen.”

Extra buffers

Denk aan de volgende situatie: een man zoekt psychiatrische hulp omdat hij zich aangetrokken voelt tot kinderen. Vandenberghe: “Veel mensen met een pedofiele geaardheid gaan nooit over tot daden. Ze vinden hun neigingen verschrikkelijk. Maar als je dan tijdens gesprekken hoort dat zo’n man toch kinderen wil benaderen, moet je ingrijpen. Je moet hem duidelijk maken: ‘Wat je nu van plan bent, kan niet.’ Is hij toch van zin om kinderen te contacteren, dan kun je extra buffers inbouwen. Vindt hij het oké als je een vertrouwensarts inschakelt? Als je zijn huisarts inlicht, en de mensen in zijn omgeving? Je moet ook nagaan waar de kinderen verblijven: is dat in de thuisomgeving, een crèche, op school? Kun je daar iets ondernemen? Pas als het vertrouwenscentrum vaststelt dat die man de deur gesloten houdt, dat ook zij vastlopen, dan moet je een melding doen bij het gerecht.”

Het beroepsgeheim, het lijkt het hoogste goed. Maar toch, ook artsen zijn maar mensen. Ongezonde nieuwsgierigheid is ook hen niet vreemd. Zeker als er bekende koppen in het spel zijn. Herinner u februari 2008: vicepremier Yves Leterme (CD&V) belandt met een inwendige bloeding in het UZ Leuven. Opmerkelijk: tijdens zijn ziekenhuisverblijf checken net iets te veel artsen en verpleegkundigen zijn medisch dossier. Ook personeelsleden die niks met zijn behandeling te maken hebben. Een flagrante schending van de privacy heet dat. En voor wie ook informatie lekt: een inbreuk op het beroepsgeheim. Eén medewerkster krijgt zelfs haar ontslag. 

“Zelf heb ik toen nooit over Yves Leterme gecommuniceerd”, blikt behandelend specialist Frederik Nevens terug. “Maar ik voelde wel die druk. Iedereen wilde zijn prognose kennen. Ook omdat er grote politieke ontwikkelingen aan vast hingen. Dat was wel stressen. Alsof iedereen over mijn schouder meekeek.” 

Piet Hoebeke mag er niet aan denken, dat collega-artsen ongevraagd zitten te neuzen. “Eerlijk waar, dan is het kot te klein. Dat zit er hier goed ingeprent, dat zoiets niet straffeloos kan. Maar natuurlijk, wat als iemand met een ander zijn code inlogt? Daarom zal ik nooit ofte nimmer mijn log-in aan een collega doorspelen. Er zijn artsen die dat doen, aan hun secretariaatsmedewerkers. Maar ook dat kan eigenlijk niet. Zo geef je die sleutel tot de relatie arts-patiënt gewoon weg.”

Groot vraagstuk

Nog uitdagender zijn de brede zorgnetwerken, meent Joris Vandenberghe. “De tijd van één arts voor een patiënt ligt achter ons. Nu werken artsen, verpleegkundigen en kinesisten samen in één dossier. Maar wie mag welke informatie zien? Mag de tandarts het verslag van de psychiater zien? Ik vind van niet. Maar misschien moet hij wel weten welke medicatie de patiënt neemt, ook als een psychiater die voorgeschreven heeft. Hoe gaan we bepalen wie wat mag zien? Zal de patiënt dat zelf mee kunnen sturen? Daar staan we nog voor een groot vraagstuk.” 

Eeuwig achter slot en grendel? Waar je als patiënt alvast wel in kunt berusten, is dit: het beroepsgeheim blijft onbeperkt geldig, ook na de dood. Wel kunnen nabestaanden, door de patiëntenrechtenwet, vragen om het medisch dossier in te kijken, maar dan alleen onrechtstreeks – altijd via een arts of zorgverlener. Tenzij de patiënt zich daar uitdrukkelijk tegen heeft verzet. Tom Balthazar: “Maar goed ook dat de geheimhouding na overlijden geldig blijft. Stel: een vrouw heeft ooit na een avontuurtje een abortus ondergaan, en heeft daar met niemand over gesproken. Ook niet met haar man of kinderen. Die wil echt niet dat zoiets bekend raakt na haar dood. Sommige zaken uit je medisch dossier neem je nu eenmaal liever mee in je graf.” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234