Zondag 07/06/2020

BoekenSchrijvers in hun kamer

‘Hoor je hun schriele, schrille gepiep, dan weet je dat er weer eens flink gepoept is’: Maarten ’t Hart over zijn schrijfkamer

Beeld Ivo van der Bent

Schrijver Maarten ’t Hart neemt ons mee naar wat hij ‘zijn hol’ noemt. Hij is niet de enige die het erg goed toeven vindt in deze kamer vol bijbels en naslagwerken.

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers wel. In deze reeks nemen ze ons mee op hun (geestelijke) omzwervingen door hun werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat in 1794 deed in zijn boek Reis door mijn kamer.

Zo nu en dan verzoekt een filmploeg, in het kader van een tv-interview, om opnamen te mogen maken in de werkkamer. Wie ben ik om dat te weigeren? Maar als de leden van zo’n filmploeg dan een blik werpen in mijn werkkamer, zie je ze terugdeinzen. Komen dáár al die meesterwerken vandaan? Dat is toch geen werkkamer met allure, zoals de vorstelijke werkkamer van Adri van der Heijden of Harry Mulisch?

Ze hebben gelijk. Ik werk in een hol, dus moeten we daarin op reis. In het hol staan één bureau, twee tafels en drie stoelen. Ook staan er drie boekenkasten, louter gevuld met naslagwerken en bijbels. Vooral die bijbelverzameling is curieus. Waar is het goed voor, zeker als atheïst, om zo’n vijftig verschillende bijbels (en slechts één koran) in de kast te hebben in allerlei talen en vertalingen? Wordt ooit wel eens een blik geworpen in een van die bijbels?

Nou en of, het is een groot genoegen het Woord te lezen in een taal die je niet beheerst. Omdat de Bijbel erin is geramd, weet ik wat er staat en kan ik dus, als ik de Schrift lees in een taal die mij vreemd is, toch vrij goed inschatten wat al die vreemde woorden betekenen. Natuurlijk, er is een grens aan; bijbels in vreemde lettertekens zoals het Russisch of Tamil kan ik niet lezen, maar de meeste Europese talen kan ik vrij goed volgen. Behalve Fins en Hongaars. Dat zijn hopeloze talen. Moet ik in quarantaine, dan kan ik maanden vooruit met mijn bijbels.

Ook wat naslagwerken betreft ben ik tamelijk goed voorzien. Ooit dacht ik dat je, als je een boek schrijft, voortdurend van alles zou moeten naslaan en opzoeken en verifiëren, en daar zou je dus encyclopedieën voor nodig hebben.

Die heb ik dan ook staan in alle soorten en maten. Zestien delen Grzimek: Het leven der dieren. Die staan op een plank die steeds doorzakt, dus af en toe haal ik die zestien delen uit de kast, keer de plank om en zet de delen terug. Grzimek staat er voor spek en bonen, want ik kijk er nooit in.

Verrukkelijk

De vijfdelige Nederlandse oecologische flora van drs. E.J. Weeda die er naast staat, wordt daarentegen onophoudelijk geraadpleegd, en ik mag er ook graag puur voor mijn plezier in lezen. Wat een verrukkelijk naslagwerk! Daar weer naast staan de 32 delen van de The New Encyclopaedia Britannica. Loodzware boekwerken die enorm veel plaats innemen. Machtige folianten boordevol kennis. Wat er niet in staat, is de moeite van het weten eenvoudig niet waard. Toch haal ik zelden zo’n foliant uit de kast.

Dan staat er ook nog tien delen van Grove’s Dictionary of Music and Musicians. Die zijn verouderd en vervangen door een nieuwe glorieuze editie, maar ach, waarom zou ik die aanschaffen? Tien delen Moderne encyclopedie van de wereldliteratuur laten een andere plank doorbuigen, en maar liefst 25 delen van Kindlers Literatur Lexikon staan zedig naast elkaar. Mooie donkergrijze bandjes waarin ik regelmatig snuffel op zoek naar meesterwerken waar ik nog nooit van heb gehoord.

Waar ik veel plezier van heb, is een oude encyclopedie uit 1941 die Het nieuwe zoeklicht heet, en die is voorzien van de veelbelovende ondertitel: Nederlandse encyclopedie voor allen. Dat ‘voor allen’ vind ik nogal raadselachtig. Zouden er dan ook encyclopedieën zijn die slechts voor sommigen bedoeld zijn? Hoe dan ook, deze Zoeklicht-encyclopedie kan ik met een gerust hart inkijken. Ik ben geen sommig mens, maar een van die allen.

De waarheid gebiedt te zeggen dat het rendement van al die naslagwerken, op de Nederlandse oecologische flora na, verrassend gering is. Zou je ze naar de kringloop brengen, dan zou je ze niet erg missen.

BIO

• geboren op 25 november 1944 in Maassluis (NL) • gedragsbioloog en schrijver van o.m. De jacobsladder, Het psalmenoproer en Johann Sebastian Bach 

Dat geldt niet voor een boekwerk waarvan ik twee edities bezit. Dat is het glorieuze boek van Dr. L. Brouwers, Het juiste woord. De eerste editie van dit – naar ik aanneem – van oorsprong Vlaamse product verscheen in 1931. In 1988 verscheen de zesde druk, bewerkt en aangevuld door Dr. F. Claes. In zijn voorwoord schrijft Claes dat hij tienduizend nieuwe woorden, staande uitdrukkingen en spreekwoorden heeft toegevoegd. Dat is natuurlijk prachtig, maar hij heeft ook heel veel verouderde en gewestelijke woorden en uitdrukkingen verwijderd. Dat was misschien onvermijdelijk, maar daarom ben ik blij met de vijfde druk, met die verouderde woorden en uitdrukkingen.

Wat maakt Brouwers nu tot het meest onmisbare boek in mijn werkkamer? Je bent op zoek naar synoniemen voor een woord. Je zoekt het woord achter in Brouwers op, je slaat de pagina op waar het wordt behandeld, en ziedaar, de synoniemen buitelen je om de oren. Plus allerlei zegswijzen en staande uitdrukkingen en spreekwoorden waar dat woord in voorkomt.

Het is echt een wonder, dat prachtboek van Brouwers. Je kunt het inmiddels ook online raadplegen, maar geef mij die twee dikke boeken maar. Beide Brouwers-edities liggen uit de band, als gevolg van veelvuldig gebruik.

In één opzicht voldoet Brouwers niet. Het is nogal een kuis boek. Een preuts boek. Zoek je de synoniemen voor het woord ‘penis’, dan krijg je er wel een paar, maar de wat grovere benamingen voor het mannelijk geslachtsorgaan worden je toch onthouden. Ook in de diverse edities van Dr. F. Claes. Op het gebied van seks schiet Brouwers tekort. Jammer genoeg, want juist op dit terrein is sprake van een wildgroei aan synoniemen, zoals onder meer blijkt uit het Erotisch woordenboek dat in 1977 bij de erven Thomas Rap verscheen.

In mijn werkkamer heb ik ook een kleine geluidsinstallatie. Ik kan cd’s draaien. Twee edities van alle cantates van Bach heb ik er staan. Moet ik in mijn werkkamer in quarantaine, dan heb ik daar vooralsnog genoeg aan, al prijken in een hoekje ook alle werken van Wagner.

Belaagd

Mijn werkkamer wordt onophoudelijk belaagd. Huismuizen, veldmuizen, rosse woelmuizen en spitsmuizen proberen dag en nacht binnen te dringen. Vooral de spitsmuizen haat ik, want die zien mijn werkkamer als een gerieflijke latrine. Anders dan huismuizen of veldmuizen poepen spitsmuizen geen kleine zwarte drolletjes, maar een soort vies-bruine langwerpige sigaartjes. Je kunt bijna niet geloven dat zo’n klein beestje zo’n groot stinkend gevoeg produceert.

Dus met man en macht probeer ik de spitsmuizen buiten de deur te houden, maar dat is een vrijwel onmogelijke opgave. Vallen, daar lachen ze om, en vergif laten ze staan. Ze zijn gewiekster dan huismuizen, wat betreft het op de pot gaan. Waarom ze zo graag binnen hun gevoeg doen, terwijl ze buiten een lusthof tot hun beschikking hebben – ik weet het niet. Ze brengen ook heel eigenaardige geluiden voort. Of die bedoeld zijn om mij uit mijn concentratie te halen? Wie zal het zeggen. Hoor je hun schriele, schrille gepiep, dan weet je dat er weer eens flink gepoept is.

Rest de vraag natuurlijk waarom iemand die op de eerste verdieping van zijn huis riante vertrekken ter beschikking heeft om als werkkamer in te richten toch zo’n hol prefereert. Welnu, het antwoord is dat dit hol in de zomer koeler is dan enig ander vertrek in ons huis. In de winter is het hier wel vrij koud, maar een fleecevest is snel aangetrokken.

Ach, het is zo prettig toeven in deze pretentieloze ruimte. Hier krijgt, om met Achterberg te spreken, het ogenblik voldoende grootte en achtergrond, ten behoeve van de verbeelding.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234