Zondag 19/01/2020
Pas na 72 jaar zagen de twee oud-geliefden uit Auschwitz elkaar eindelijk terug.

Holocaust

Holocaust-overlever David Wisnia (93) had één vraag: was de vrouw die hij in 1943 leerde kennen in Auschwitz, de reden dat hij nog leefde?

Pas na 72 jaar zagen de twee oud-geliefden uit Auschwitz elkaar eindelijk terug. Beeld NYT DANNA SINGER


Ze leerden elkaar kennen in het concentratiekamp van Auschwitz. Als Joodse gevangenen. David Wisnia en Helen Spitzer droomden van een toekomst buiten het kamp, maar werden na de oorlog gescheiden. 72 jaar later zagen ze elkaar terug.

De eerste keer dat hij haar sprak, in 1943, bij het crematorium van Auschwitz, besefte David Wisnia dat Helen Spitzer geen gewone gevangene was. Zippi, zoals ze genoemd werd, was proper en zag er altijd verzorgd uit. Ze droeg een vestje en rook goed. Ze werden aan elkaar voorgesteld door een andere gevangene, op haar verzoek. Haar aanwezigheid – een vrouw die buiten de vrouwelijke vertrekken met een mannelijke gevangene sprak – was eigenaardig. Voor Wisnia het besefte, waren alle gevangenen rondom vertrokken en stonden ze daar alleen. Geen toeval, realiseerde hij zich later. Ze vatten het plan op elkaar een week later terug te zien.

Op het afgesproken tijdstip ging Wisnia naar de barakken tussen de crematoria 4 en 5. Hij beklom de geïmproviseerde ladder gemaakt van bundeltjes kleren van de gevangenen. ­Spitzer had tussen de honderden stapels een ruimte net groot genoeg voor hen beiden ­gemaakt. Wisnia was 17 jaar, zij 25. “Ik had geen flauw benul”, mijmert Wisnia op 93-jarige ­leeftijd. “Zij heeft me alles geleerd.”

Ze waren Joodse gevangenen met privileges, al moest Wisnia eerst de lichamen van gevangenen die zelfmoord hadden gepleegd ­verwijderen. Spitzer had een functie met meer macht als grafisch ontwerper van het kamp.

Ze werden geliefden en zagen elkaar zowat elke maand. Veel vertelden ze niet. Tenzij wat korte stukjes uit hun verleden. De vader van Wisnia hield van opera en was met de rest van zijn familie omgekomen in het getto van ­Warschau. Spitzer, die ook van muziek hield – ze speelde piano en mandoline – leerde Wisnia een Hongaars liedje. Onder de dozen met ­kleren hielden andere gevangenen de wacht.

Een paar maanden lang slaagden ze erin elkaar die ontsnappingsmomenten te geven. Ze wisten dat het niet zou blijven duren. Rondom hen was de dood. Toch fantaseerden ze over een toekomst samen buiten Auschwitz. Ze wisten dat ze gescheiden zouden worden, maar planden, als de gevechten voorbij waren, bij elkaar te komen. Ze deden er 72 jaar over.

Spitzer was bij de eerste Joodse vrouwen die in maart 1942 in Auschwitz arriveerden. Ze kwam uit Slowakije, als eerste vrouw in de regio die een opleiding tot grafisch kunstenaar had voltooid. Ze arriveerde in Auschwitz samen met 2.000 ongehuwde vrouwen.

Helen Spitzer als jonge vrouw. David Wisnia wilde haar altijd terugzien. © NYT DANNA SINGER Beeld NYT DANNA SINGER

Connecties

In het begin moest ze afbraakwerk doen in het bijkamp Birkenau. Ze was ondervoed en leed continu aan tyfus, malaria en diarree. Ze hield het vol als dwangarbeider, tot ze verwond werd aan haar rug door een instortende schoorsteen. Dankzij haar connecties, het feit dat ze Duits sprak, haar capaciteiten als grafisch vormgever en puur geluk slaagde ze erin een kantoor­baantje te bemachtigen.

Als eerste taak moest ze onder meer rode poederverf met vernis vermengen om een ­verticale streep op het uniform van vrouwelijke ­gevangenen te schilderen. Uiteindelijk begon ze alle vrouwen die in het kamp aankwamen te ­registreren, zei ze tijdens een getuigenis in 1946 die werd gedocumenteerd door de psycholoog David Boder, die de eerste vraaggesprekken met overlevenden na de oorlog opnam.

Toen dat Spitzer en Wisnia elkaar leerden kennen, deed ze papierwerk voor de nazi’s. Ze maakte de maandelijkse lijsten met arbeidskrachten in het kamp op. Naarmate haar verantwoordelijkheden toenamen, kreeg ze meer vrijheid. Soms mocht ze het kamp verlaten. Ze kon douchen en moest geen armband dragen. Ze gebruikte haar kennis van het territorium om een 3D-model van het kamp te bouwen. Dankzij haar privileges kon ze gecodeerde postkaarten sturen naar haar broer in Slowakije.

Toch was Spitzer op geen enkel moment een nazicollaborateur of een ‘kapo’, een Jood die andere Joden moest bewaken. Ze gebruikte haar positie om de andere gevangenen en het verzet te helpen. Dankzij haar vaardigheden als grafisch ontwerper kon ze documenten vervalsen en gevangenen andere taken en barakken toebedelen. Ze deelde officiële kamprapporten met tal van verzetsgroeperingen, zegt Konrad Kwiet, hoogleraar aan de universiteit van ­Sydney. Hij sprak Spitzer voor een essay in ­Approaching an Auschwitz Survivor. In het boek, geredigeerd door Jürgen Matthäus, directeur toegepast onderzoek van het Holocaust ­Memorial Museum in de Verenigde Staten, wordt Spitzer ondervraagd door vijf historici.

“Het verrast me niet dat mensen in Zippi’s positie minnaars hadden en hun invloed probeerden aan te wenden om mensen te redden”, zegt Atina Grossmann, professor aan de Cooper Union in New York, die Spitzer ook voor het boek interviewde. “Voor iedereen die je redde, veroordeelde je een ander. Je moest precies te werk gaan, zo kon je de Duitsers verschalken.”

Wisnia belandde bij de ‘lijkeneenheid’ in Auschwitz. Hij moest de lichamen van gevangenen verzamelen die zich tegen de elektrische omheining hadden gegooid. Hij bracht ze naar een barak, de vrachtwagens voerden ze weg.

Na een paar maanden deed het gerucht de ronde dat Wisnia een begenadigd zanger was. Hij begon voor de naziwachters te zingen en kreeg een nieuw baantje in een gebouw dat de SS de sauna noemde. Hij ontsmette de ­kleren van nieuwe gevangenen met dezelfde Zyklon B-korrels die gebruikt werden om ­gevangenen in de gaskamers om te brengen.

Spitzer, die Wisnia had opgemerkt in de sauna, begon er vaker naartoe te gaan. Ze betaalde gevangenen met voedsel om tot een uur de wacht op te trekken als ze samen waren.

Hun relatie duurde enkele maanden. Op een middag in 1944 beseften ze dat het wellicht hun laatste bezoek aan hun nestje zou zijn. De nazi’s voerden de laatste gevangenen weg, de beruchte dodenmarsen, en vernietigden bewijzen van hun misdaden.

Ontsnapt

Terwijl de crematoria verwoest werden, gingen in het kamp geruchten rond dat de Sovjets op komst waren. De oorlog kon snel voorbij zijn. Wisnia en Spitzer hadden twee jaar Auschwitz overleefd, de meeste gevangenen zongen het niet langer dan enkele maanden uit. In Auschwitz alleen stierven 1,1 miljoen mensen. Tijdens de laatste ontmoetingen spraken ze af elkaar na de oorlog in een ontmoetingscentrum in Warschau op te zoeken. Ze beloofden het.

Wisnia vertrok voor Spitzer met een van de laatste transporten uit Auschwitz. In december 1944 werd hij overgebracht naar het concentratiekamp van Dachau. Wat later, op een dodenmars vanuit Dachau, stootte hij op een handschep. Hij sloeg er een SS-wacht mee omver en ontsnapte. De volgende dag zat hij verscholen in een schuur toen hij naderende troepen hoorde – de Sovjets? Hij rende de tanks tegemoet. Het waren de Amerikanen.

Hij kon zijn geluk niet op. Sinds zijn tiende droomde Wisnia ervan ooit in de opera van New York te zingen. De zussen van zijn moeder waren naar de Bronx geëmigreerd, hij kende hun adres van buiten. In Auschwitz was dat een soort gebed geworden, een houvast.

De soldaten ontfermden zich over Wisnia, gaven hem Spam te eten, staken hem in een uniform, stopten hem een machinegeweer in de handen en leerden hem schieten. “Ik wilde niets meer te maken hebben met Europa”, zegt hij. “Ik werd 110 procent Amerikaans.”

In zijn nieuwe rol werd Wisnia ‘Little Davey’, tolk en burgermedewerker. Hij ondervroeg Duitsers en nam wapens in beslag. “Onze jongens waren niet zo lief voor de SS”, zegt Wisnia. Al kon hij als Pool nooit een volwaardige GI worden, Wisnia werkte na de oorlog veel voor het Amerikaanse leger. Van zijn plan om Zippi in Warschau te zien bleef niets meer over. Zijn toekomst lag in Amerika.

Vrouwenkamp

Spitzer was bij de laatsten die het kamp levend verlieten. Ze werd naar een vrouwenkamp in Ravenbrück gestuurd en naar een bijkamp in Malchow, alvorens met een dodenmars weggevoerd te worden. Zij en een vriendin ontsnapten door de rode streep op hun uniform te verwijderen en op te gaan in de lokale bevolking. Toen het Rode Leger oprukte en de nazi’s zich overgaven, trok Spitzer naar haar geboortestad Bratislava in Slowakije. Van haar ouders en familie was geen spoor, op haar broer na, die net was getrouwd. Ze besloot hem met rust te laten zodat hij onbezorgd aan zijn nieuwe leven kon beginnen.

Volgens Grossmann, de historica, bleef Spitzer bewust op de vlakte over wat net na de oorlog gebeurd was. Ze hint op de smokkel van Joden over de grens via de Bricha, een ondergrondse organisatie die vluchtelingen illegaal naar Palestina bracht.

Miljoenen overlevenden hadden geen thuis meer, Europa bulkte van de vluchtelingenkampen. Spitzer kwam terecht in het eerste exclusief Joodse vluchtelingenkamp in de Amerikaanse zone van bezet Duitsland, waar in de lente van 1945 minstens 4.000 overlevenden bij elkaar zaten. Feldafing, toevallig een kamp waaraan Wisia goederen leverde. “Ik reed er soms naartoe, maar had geen idee dat zij daar was”, zegt Wisnia.

Getrouwd met politiechef

In september 1945 trouwde Spitzer met Erwin Tichauer, de politiechef in het kamp die samenwerkte met het Amerikaanse leger. Weer bevond Spitzer zich in een bevoorrechte positie. Al waren de Tichauers strikt genomen vluchtelingen, ze woonden buiten het kamp.

Spitzer was met haar 27 jaar een van de oudste overlevenden in Feldafing. Vanwege haar mans positie, vertelde ze Grossmann, werd ze beschouwd als ‘topmanagement’ in het kamp. Ze verdeelde eten aan vluchtelingen, vooral aan de snel groeiende groep zwangere vrouwen.

Tichauer en zijn vrouw waren vele jaren begaan met humanitaire zaken. Ze gingen op missie naar Peru, Bolivia en Indonesië. Dr. Tichauer doceerde ook ingenieurswetenschappen aan de University of New South Wales in Sydney. Tijdens hun reizen leerde Spitzer nieuwe talen en nam ze het op voor mensen in nood, met name zwangere vrouwen en jonge moeders. Haar bestaan werd niet bepaald door haar ervaringen als overlevende van de Holocaust, zegt dr. Matthäus. “Ze bereikte enorm veel met haar echtgenoot.”

Texas 

Uiteindelijk verhuisden de Tichauers naar Amerika. Eerst naar Austin in Texas, en dan naar New York, waar Tichauer professor aan New York University werd. In hun appartement, omringd door boeken over de Holocaust, sprak Spitzer vaak met historici. Ze sprak niet in het openbaar en zei dat ze een hekel had aan het concept van de Holocaust als een business.

“Ze zag zich niet als een professionele overlevende”, zegt Grossmann. “Het was haar taak een historicus voor historici te zijn. Ze hield zich aan een heel sobere, bijna technische weergave van wat gebeurd was.”

Toch viel in al die uren waarin ze met historici over de gruwelen van Auschwitz praatte niet één keer de naam Wisnia.

Kort na het einde van de oorlog hoorde ­Wisnia van een ex-gevangene in Auschwitz dat Spitzer nog leefde. In februari 1946 pikten zijn tante en oom hem op in de haven van ­Hoboken. Ze konden niet geloven dat de

19-jarige met het uniform van een Amerikaanse soldaat de kleine David was die ze het laatst in ­Warschau hadden gezien.

In 1947 leerde hij zijn toekomstige vrouw Hope kennen. Vijf jaar later verhuisde het koppel naar Philadelphia, waar hij vicepresident werd van een bedrijf dat encyclopedieën verkocht, tot hij professionele cantor werd.

Jaren nadat hij met zijn vrouw naar Levittown verhuisd was, vertelde een vriend hem dat Zippi zich in New York bevond. Wisnia, die zijn vrouw over zijn liefje in Auschwitz verteld had, wilde haar zien, al was het maar om te vragen of ze stiekem geholpen had om hem Auschwitz te doen overleven. De vriend regelde een afspraak. Wisnia reed twee uur van Levittown naar Manhattan en wachtte in een hotellobby tegenover Central Park. “Maar ze daagde niet op”, zegt Wisnia. “Ik kwam er achteraf achter dat ze het uiteindelijk niet zo verstandig vond. Ze was getrouwd. Ze had een man.”

David Wisnia was 17 toen hij in Auschwitz de 25-jarige Helen Spitzer ontmoette. Vandaag woont de 93-jarige man in Pennsylvania. © NYT DANNA SINGER Beeld NYT DANNA SINGER

Kleinkinderen

In de loop van de jaren volgde Wisnia de bewegingen van Spitzer via hun gemeenschappelijke vriend. Ondertussen groeide zijn familie aan – hij had vier kinderen en zes kleinkinderen. In 2016 besliste Wisnia weer contact te zoeken met Zippi. Hij had zijn verhaal met zijn familie gedeeld. Zijn zoon, die rabbijn in een synagoge in Princeton in New Jersey was, nam het initiatief. Uiteindelijk stemde ze ermee in hem te zien. In augustus 2016 nam Wisnia twee kleinkinderen mee naar zijn afspraak met Spitzer. Hij zei niet veel tijdens de rit van Levittown naar Manhattan. Hij wist niet wat hij mocht verwachten. Het was 72 jaar geleden dat hij zijn ex-vriendin nog had gezien. Hij wist dat ze sukkelde met haar gezondheid, maar verder wist hij bitter weinig over haar leven.

Toen Wisnia en zijn kleinkinderen in haar appartement aankwamen, lag Spitzer in een ziekenhuisbed, omringd door rekken vol boeken. Sinds haar man in 1996 gestorven was, was ze alleen geweest. Ze hadden nooit kinderen gekregen. Haar zicht en gehoor waren sterk afgenomen. De telefoon was haar voornaamste communicatielijn met de wereld.

Eerst herkende ze hem niet. Toen boog hij zich voorover. “Haar ogen gingen wijd open, het leek wel alsof ze opnieuw tot leven kwam”, zegt Wisnia’s kleinzoon Avi Wisnia (37). “We schrokken er allemaal van.”

Plotseling praatten Wisnia en Spitzer honderduit in het Engels. “Ze vroeg me in aanwezigheid van mijn kleinkinderen: ‘Heb je je vrouw verteld wat we gedaan hebben?’”, zegt Wisnia gniffelend en hoofdschuddend. “Ik zei: ‘Zippi!’”

Wisnia vertelde over zijn kinderen, zijn tijd bij het Amerikaanse leger. Spitzer sprak over het humanitaire werk na de oorlog en haar man. Ze verwonderde zich over het perfecte Engels van Wisnia. “Mijn god,” zei ze, “ik had nooit gedacht dat we elkaar zouden weerzien, en nog wel in New York.”

Reünie

De reünie duurde ongeveer twee uur. Uiteindelijk stelde hij de vraag: had zij er iets mee te maken dat hij Auschwitz overleefd had? Ze stak haar hand op om vijf vingers te tonen. Ze sprak met luide stem, met een zwaar Slowaaks ­accent. “Ik heb je vijf keer behoed voor een slecht transport.”

“Ik wist dat ze dat zou doen”, zei Wisnia tegen zijn kleinkinderen. “Het is ongelofelijk. Ongelofelijk.” En er was meer. “Ik was op je aan het wachten”, zei Spitzer. Wisnia was verbaasd. Nadat ze ontsnapt was aan de dodenmars, had ze in Warschau op hem gewacht. Zij had zich aan het plan gehouden. Hij daagde nooit op. Ze had van hem gehouden, vertelde ze zachtjes. Hij had ook van haar gehouden, zei hij.

Wisnia en Spitzer zagen elkaar nooit terug. Vorig jaar stierf ze op 100-jarige leeftijd. Tijdens hun laatste middag samen, voor Wisnia haar appartement verliet, vroeg ze hem voor haar te zingen. Hij nam haar hand vast en zong een Hongaars liedje dat ze hem in Auschwitz geleerd had. Hij wilde haar tonen dat hij de woorden nooit vergeten was. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234