Zaterdag 16/01/2021

Holocaust for ever

Op 11 april 1945 werd het concentratiekamp Buchenwald bevrijd. Voor de Spaans-Franse schrijver Jorge Semprun, op een blauwe maandag nog minister in Spanje en in Buchenwald gevangene nummer 44904, is 11 april de absolute dag tegen het vergeten.

'Het geheugen heeft geen wistoets, dat maakt het zo vreselijk', stelt Semprun in 'Tussen liefde en chaos', het boek dat Martin Coenen schreef over zijn ontmoetingen met twintig internationale auteurs. Een voorpublicatie.

Martin Coenen

B-e-n j-e-e g-e-k g-ee-w-o-r-d-e-n! Ben jee.. Ben j..." Druk gesticulerend herhaalde Jorge Semprun het zinnetje drie keer. Klinkt het een beetje Nederlands?, wilde hij weten. Het waren de enige Nederlandse woorden die hij zich nog herinnerde van zijn jaren in Den Haag.

"Ik was dertien jaar. Mijn wonderjaren, die voor een opgroeiende jongen zo belangrijk zijn, zijn een beetje Hollands, n'est-ce-pas?"

Hij lachte.

We spraken met elkaar in La Haye, zoals hij Den Haag op z'n Frans uitsprak. Van die stad herinnerde hij zich het Binnenhuis, het Mauritshuis, een paar schilderijen, Plein 1813. Hij betwijfelde of hij het ouderlijk huis nog zou herkennen.

"De huizen in onze straat leken erg op elkaar."

Maar later die dag was de herinnering toch heel scherp. Gedecideerd zei hij: "Die toegangspoort... dát is het huis. Staat de magnoliaboom er nog? Als hij in bloei stond... Een prachtige boom."

Ten huize van de familie Semprun werkten een tuinman, een dienstmeisje, een secretaris.

"Ik kom uit een burgerlijk nest, ja. De Sempruns behoorden tot de Madrileense bourgeoisie, waren niet rijk maar zeker niet onbemiddeld. Na de Burgeroorlog hadden we niks meer, geen cent."

Juist die Spaanse Burgeroorlog was er de oorzaak van dat Jorge Semprun in Nederland verzeild geraakte. Zijn vader diende in Den Haag als zaakgelastigde de Spaanse republiek. Toen in 1937 de overwinningskansen van Franco met de dag toenamen leek het vader Semprun raadzamer om in ballingschap te gaan. Jorge studeerde aan het gymnasium.

"Ik was een goede leerling, denk ik. Toegewijd. Vooral Grieks en Latijn fascineerden mij. Van de leraar herinner ik mij nog zijn boekentas en zijn gezicht. Naast mij in de bank zat een joodse jongen uit Duitsland. Landzmann heette hij, een stille jongen. Ik weet niet wat er met hem gebeurd is, ik vrees het ergste. Het zijn flarden - tientallen, honderden - miniatuurtjes, momentopnamen, maar ze zijn sterk aanwezig in mijn geheugen."

Sempruns vader was een diepgelovig man.

"Katholiek, zuiver op de graat. We gingen altijd naar de mis in de Alexanderstraat. De preken van de pastoor waren tirades tegen ongelovigen en atheïsten. Op een van die zondagen stelde de pastoor onverwacht dat Franco de enige was die in Spanje het katholicisme zou kunnen beschermen en hij riep op tot steun aan hem. Ik wendde mijn hoofd naar mijn vader, zag hoe hij verbleekte, zag hoe hij zijn kaken op elkaar klemde... Woede pur sang. Geen haat. Ook bij mij is er nooit haat geweest. In de geschiedenis mag haat geen rol spelen. Haat is geen rationeel begrip, haat is emotie. Natuurlijk, emotie laat zich niet uitsluiten... Die kaken van mijn vader, die bleekheid, dat beeld is nooit meer uit mijn geheugen verdwenen."

Wie Sempruns werk een beetje kent - De tweede dood van Ramon Mercader, De terugkeer van Netsjajev - weet welk belang hij hecht aan dat geheugen.

"Het is een subliem raderwerk, oneindig veel geraffineerder dan de hoogtechnologische chips, waar we zo'n bewondering voor hebben. Neutronen, kortsluitingen, gensters... duizend maal sneller dan het licht. En al die megabytes. Een enorme databank. Maar de meeste mensen doen er niets mee. Een schande. Extreme omstandigheden versterken en verscherpen het geheugen. De gevangenis, het kamp, geweld, ook ballingschap. Na Den Haag ben ik tientallen jaren een balling gebleven. Een balling is in de eerste plaats aangewezen op zichzelf. Voor mij was het een permanente voyage autour de ma tête, als ik even een titel van een boek mag parafraseren. Daardoor ging ik cultiveren wat op het eerste gezicht futiliteiten lijken, maar die, terugblikkend, juist het fundament van mijn bestaan blijken te zijn. Misschien dat ik daarom zoveel belang hecht aan het geheugen. Maar er is ook een meer objectieve factor. Zonder persoonlijke herinneringen kan er ook geen collectief geheugen zijn. De geschiedenis herhaalt zich. Dat is een boutade, maar ook een realiteit. De mensheid ontsnapt er niet aan, maar zonder collectief geheugen gaat het allemaal veel sneller. Zonder een collectief geheugen verwateren Vernichtung en Endlösung tot begrippen uit een handboek en wordt Hitler een quizvraag, met alle gevolgen van dien. Wijst het ontluiken van extreem-rechts en het succes ervan al niet in die richting? Als dit ook gebeurt met Franco maak ik mij grote zorgen over het gehalte van de democratie in mijn eigen land. Het geheugen is een wapen tegen vergetelheid."

Toen generaal Franco in 1939 aan de macht kwam, ging het gezin Semprun in ballingschap naar Frankrijk. Als student was Jorge politiek actief en toen de nazi's binnenvielen ging hij in het verzet. In 1943 werd de groep ontmaskerd. Jorge Semprun werd op transport gezet naar Buchenwald.

Bijna een halve eeuw ging voorbij vooraleer Jorge Semprun terugging naar Buchenwald. De eerste aanblik was de smeedijzeren poort van het kamp en een rood geschilderd, houten gebouw. Hij wees naar de letters in de poort: Jedem das Seine.

"Ik was weer thuis, terug in de wereld van mijn twintiger jaren, met haar woede en hartstochten, haar nieuwsgierigheid en lachbuien."

Semprun herinnerde zich nog precies hoe het toen was.

"Gebouwen in blokken van cement. Vier in totaal. Blok A, B, C, D. Telkens een slaapzaal en een gebouw voor het toezicht. In het midden een douchezaal."

Semprun wist ook nog dat er ergens een steen was met de initialen van Goethe en Schiller. Na enig zoeken vond hij hem. Goethe Eiche was het opschrift. Vlakbij waren de keuken en een depot.

Semprun herinnerde zich: "Ik hoorde altijd muziek. Er was een orkest in het kamp, de leden droegen uniformen zoals die van het orkest in het circus, groen, geel, rood, met tierlantijntjes. Elke dag speelden ze militaire marsen voor de commando's, op zondag waren er concerten. De SS had een grote voorliefde voor de liedjes van Zarah Leander, een zangeres met een heel mooie stem, diep, bariton. Ze schijnt de minnares te zijn geweest van een hooggeplaatste nazi, in elk geval hielden de Duitsers van haar. En op zondagnamiddag klonken haar liedjes door de luidsprekers van het kamp. Het waren doorgaans liefdesliedjes, heel sentimenteel."

Jorge Semprun was in Buchenwald gevangene nummer 44904.

"Bij aankomst werd een fiche gemaakt met daarop het volgnummer, de naam, de voornaam, religie, geboortedatum en beroep. Toen mij naar mijn beroep werd gevraagd, antwoordde ik in het Duits: 'Student in de filosofie'. Misschien was het de taal die de soldaat mild stemde. Hij gaf me een goede raad: 'Het is hier niet goed om student te zijn; een gekwalificeerd beroep is beter. Facharbeiter,' zo sprak hij. Ik drong aan en zei dat ik student was. De man gebaarde dat ik moest ophoepelen, ik ging.

Toen ik weer in Buchenwald kwam was ik in het gezelschap van mijn zoontjes, Thomas en Mathieu. Ik vertelde hen datzelfde verhaal en voegde eraan toe: 'Ik neem aan dat ik als student ingeschreven was'. Maar de man die ons vergezelde en die op de hoogte was van ons bezoek zei: 'Dat is niet waar'. Hij haalde uit zijn binnenzak een kopie van de fiche. Zijn repliek: 'U was geen student, u was stukadoor'. Ik weet bijna zeker dat die Duitse soldaat mij het leven heeft gered."

Soms was Semprun in het kamp zelfs gelukkig.

"Omdat alles zo duidelijk leek. Ik wist waarom ik gevangen zat. Daarenboven stonden de slechten aan de ene kant, de goeden aan de andere, zoals in de sprookjes. En ik stond aan de kant van de goeden, het fascisme was het kwaad. Daar vochten wij tegen. Wij, dat waren de rode Spanjaarden.

"Er waren twee soorten kampen. In de uitroeiingskampen zoals Auschwitz en Birkenau werd een selectie gemaakt en alleen een paar uitzonderingen konden overleven, de overigen beëindigden hun leven in de verbrandingsoven. Daarnaast waren er de werkkampen. De omstandigheden daar waren zo slecht dat de ouderen gedoemd waren om te sterven door uitputting, ziekte, ondervoeding. Het waren doorgaans alleen de jongeren die konden overleven. Een essentiële voorwaarde om te overleven was de mogelijkheid om bij een groep te horen. Dat konden kameraden van dezelfde politieke partij zijn, geloofsgenoten in de kerk, vrienden van het verzet. Solidariteit was belangrijk.

"De zogenaamde rode Spanjaarden waren een mengeling van allerlei dingen tegelijk: dezelfde nationaliteit, taal, ideologie. Daardoor vermenigvuldigde de solidariteit zich, werd een veel sterkere kracht. Daarbij kwam nog dat het een beperkte groep was zodat bijna iedereen iedereen kende en bereid was te helpen."

Semprun liep door het voormalige kamp. Er was veel veranderd. De bomen overwoekerden de massagraven links en rechts van de weg. Weer een herinnering.

"Het waaide altijd. Ik weet niet of dat toeval was of dat het kwam door de heuvel, maar er stond altijd wind." Block 5 was in de oorlog het administratief gebouw.

"Rechts was de Schreibstube, het secretariaat. In het midden van het gebouw was een kleine bibliotheek, overal waren werkateliers. De SS controleerde alles, maar liet het dagelijkse leven vaak over aan zogenaamde interne bewakingscommando's die merkwaardig genoeg dikwijls werden geleid door jonge Duitse communisten.

"Vanaf 1937 pakte de Gestapo communisten op om bossen te rooien, barakken te bouwen, kortom: kampen te maken. Velen stierven, maar de overlevenden slaagden erin om in de volgende jaren deel uit te maken van de interne commando's die toezagen op het werk in de vele ateliers van de kampen. Die ateliers kregen een voorkeursbehandeling omdat daar de voor de nazi's levensbelangrijke werktuigen en zelfs wapens werden gemaakt. De opzichters hebben hun positie benut om hun vrienden te helpen. Een van hen was Marcel Bloch. Weet u wie dat is? De Franse vliegtuigbouwer Marcel Dassault, die zijn naam veranderde.

"Die interne commando's hadden veel macht. Om drie uur 's ochtends riepen ze alle gevangenen, zo'n drieduizend, bijeen op de appèlplaats. Daar werden ook de taken voor de nieuwkomers verdeeld. Omdat die interne commando's de lijsten met de namen hadden, konden ze ervoor zorgen dat hun vrienden de betere baantjes kregen. Dat deden ze niet alleen voor de communisten, maar voor het hele verzet. Zonder dit systeem zou er geen enkele verzetsstrijder ontsnapt zijn. Het verwijt dat die mensen gecollaboreerd hebben is onterecht. Iemand moest de selectie doen. De tweede beschuldiging is dat zij sommigen de dood injoegen en anderen eraan lieten ontsnappen. Er moest een keuze gemaakt worden en die viel uit in het voordeel van het verzet. Dat is geen moraal voor altijd, maar wel voor de kampen."

Zomer 1996, Parijs. De autobiografie Schrijven of leven, waarin Sempruns ervaringen in Buchenwald andermaal de rode draad vormden, was net uit. Sommige reacties als zouden de overlevenden eigenlijk collaborateurs zijn, grepen hem erg aan .

"Ik begrijp het niet. Gelukkig zijn het uitzonderingen. Van de honderden brieven die ik kreeg zijn er twee of drie waarin ik een collaborateur word genoemd. Ik heb nooit begrepen dat je je schuldig zou moeten voelen omdat je in leven bent gebleven. Die mensen begrijpen er niets van."

Semprun hernam.

"Wie er niet was, kan ook niet begrijpen, alleen maar wéten, heel objectief, net zoals men weet hoe de Slag van Waterloo is verlopen. Die informatie is bekend, ook al zijn er geen overlevenden meer. Over tien, vijftien jaar zijn er ook geen overlevenden meer van de kampen. Wat blijft zijn foto's, geluidsopnamen, getuigenissen. En er zijn duizenden gespecialiseerde boeken over geschreven. Wie deze doorneemt weet objectief gezien méér van de holocaust dan iemand die erbij was. Maar nooit zal iemand die er niet was kunnen begrijpen wat het wérkelijk betekende: heel vroeg opstaan, één kom waterige soep per dag, het eeuwige schreeuwen van de Kapo's, altijd omringd te zijn door de dood."

Hij schreef: 'Wij zijn niet de echte getuigen omdat we het overleefd hebben, door geluk, door slimheid, door aanpassing of door collaboratie met de SS. De echte getuigen zijn de doden'.

"De echte getuigen zijn inderdaad zij die door de schoorsteen zijn gegaan. Dat is niet van mij, Primo Levi schreef het. Dit maakt de gaskamers zo afschuwelijk. In alle genocides, rampen en slachtpartijen, hoe erg ook - tegen de Koerden, de Armeniërs, Afrika - zijn er overlevenden. Maar niet in het geval van de gaskamers. De heel weinige directe getuigenissen komen van de overlevenden van de zogenaamde Sondercommando's die in Auschwitz en Birkenau de gaskamers schoonmaakten. De meesten die voor zo'n Sondercommando werkten zijn vermoord. Om geen sporen of getuigen te laten, roeide de SS hen systematisch uit, net zoals ze alle installaties vernielde en opblies. Alleen tegen het einde van de oorlog, in de chaos van de laatste weken, met de opmars van het Rode Leger en de aftocht van de nazi's, zijn er een paar overlevenden geweest. Ik heb het geluk gehad om vlak voor de bevrijding van het kamp een Poolse jood te ontmoeten die in zo'n Sondercommando werkte. Hij heeft mij al die vreselijke details verteld."

Semprun herinnerde zich nog heel precies de dag van de bevrijding: 11 april 1945.

"Tot 10 april 's avonds was het bijna zeker dat heel weinigen in Buchenwald zouden overleven. De interne inlichtingendienst was te weten gekomen dat de SS wachtte op twee extra compagnieën uit Berlijn om iedereen uit te moorden. Toen dat nieuws bekend raakte is een groep Polen onmiddellijk ontsnapt. De overige kampbewoners, zoals ik, wachtten af want er waren ook berichten over de grote verliezen van de Duitsers en de opmars van de geallieerden. Op 11 april om kwart over drie in de namiddag is de SS op de vlucht geslagen. Toen begon voor ons het leven weer."

Toch schreef hij: 'Met de lach kwam het schaamtegevoel'.

Hij begreep dat dit op een buitenstaander wat vreemd kon overkomen en hij legde uit:

"Het was lente, het kamp was bevrijd, de oorlog voorbij, ik had het overleefd, er was vreugde, ik lachte. Maar ogenblikkelijk overviel mij een groot schuldgevoel. Ik had het overleefd terwijl zoveel anderen dood waren."

Zo zat ook Sempruns vroegere hoogleraar in de sociologie aan de Sorbonne, in het kamp.

"Die man heeft in mijn vorming een heel grote rol gespeeld. Hij heeft het niet overleefd. Ik heb zijn dood van heel dichtbij meegemaakt. Ik hield hem in mijn armen toen hij stervende was. Hoewel ik nog leef weet ik door de dood van die andere wat de dood is."

Semprun kende ook de ándere kant van de dood: het doden. Vóór Buchenwald, toen hij nog in het verzet zat, had hij een Duitse soldaat neergeschoten.

"De confrontatie met de dood van die jongeman was veel pijnlijker dan de stervende hoogleraar. Misschien deelde hij de ideeën van Hitler niet, was hij tegen zijn zin gemobiliseerd, wilde hij liever deserteren, was hij eigenlijk onschuldig. Toch schoot ik hem dood en ik was er mij heel erg bewust van dat ik dat deed. Ik had niet het gevoel dat ik een mens doodschoot, maar een vijand... In het kader van de oorlog was mijn daad rechtvaardig, het was voor de goede zaak, maar toch... Ik voelde mij later soms een moordenaar. Het beeld van die vallende man zit voor altijd in mijn geheugen, net als het gezicht van mijn stervende leermeester."

In uren van angst en eenzaamheid hield Semprun zich in het kamp overeind met literatuur.

"Veel boeken waren er niet, ik verslond alles wat ik vond. Als er niets was reciteerde ik gedichten van Goethe en Baudelaire. Les fleurs du mal kende ik helemaal uit mijn hoofd. Baudelaire was voor mij de ouverture naar de Franse taal en poëzie. In momenten van diepe duisternis bracht het woord een straaltje licht."

Jorge Semprun is zonder twijfel een van de belangrijkste naoorlogse schrijvers van Spanje (en van Frankrijk).

"Mijn leven is mijn literatuur, zoals mijn literatuur mijn leven is."

Hij was al veertig jaar toen hij in 1964 debuteerde met De grote reis, het relaas van zijn deportatie naar Buchenwald.

"Het was het boek dat ik het snelst en het gemakkelijkst geschreven heb. Vijftien jaar had het in mij gerijpt."

Waarom zo lang?

"Ik heb geprobeerd om alles onmiddellijk neer te schrijven, maar het was onmogelijk. Ik heb heel veel bewondering voor mensen die het wel konden, zoals Robert Anthelme in Frankrijk en Primo Levi in Italië, maar voor mij stond het schrijven gelijk aan zelfmoord."

Die angst voor de zelfmoord was niet eens zo'n dwaas idee gebleken.

"Primo Levi heeft uiteindelijk ook zelfmoord gepleegd, net als Jean Améry die ook veel over de kampen geschreven heeft. Ik koos voor de stilte, het leven, het vergeten. Vijftien jaar gingen voorbij tot ik op een dag, zomaar een dag, zonder reden, een blad papier nam en begon te schrijven."

Toen Sempruns boek verscheen was ook de maatschappij rijp voor een relaas over die kampervaringen.

"Anthelme's Le spécimen is een mooi boek, maar niemand had het gelezen. Levi's Se questo é' un uomo is gewoon een heel groot boek, maar hij moest leuren om een uitgever te vinden en lezers waren er niet. Vijftien jaar later wilde een nieuwe generatie, die er niet persoonlijk mee te maken had gehad, wél alles weten over de holocaust.

"Na de publicatie van mijn boek heb ik tientallen brieven gekregen van mensen die mij vertelden dat hun ouders of hun grootouders nooit één woord hadden verteld over de kampen. Ze konden het niet. Veel overlevenden hadden hun hele leven lang af te rekenen met al die trauma's van de oorlog. Ook Primo Levi. Na de publicatie van zijn boek ging hij aan de slag als de scheikundig ingenieur die hij was, het leek alsof hij een modus vivendi had gevonden, maar het was maar schijn. "Nachtmerries, onverklaarbare angst - hij moet dezelfde herinneringen hebben gehad als ik. Op elf april 1987 pleegde hij in zijn appartement in Turijn zelfmoord."

De datum was geen toeval, maar een symbool.

"Op de elfde april was Buchenwald bevrijd. Levi was niet in dat kamp, maar na de oorlog werd elf april de verjaardag van de bevrijding van de kampen.

"De herinneringen maken zich gewoon meester van je. Het is niet zo dat ik geobsedeerd ben door treinen of dat ik, als ik de trein neem, alleen maar denk aan de kampen. Maar onbewust zijn die ervaringen er altijd. Het kan een rangeerstation zijn, een houten wagon... gewoon een spoorbiels... en de herinnering gooit mij terug in de tijd."

Semprun hanteert in zijn boeken bewust een onderkoelde stijl en suggereert eerder dan dat hij gedetailleerde beschrijvingen geeft.

"Accumulatie van leed en pijn maakt banaal. Het is een anti-boodschap."

Hij had er ook een politieke bedoeling mee: niet in de kaart te spelen van de negationisten.

"Het negationisme ontkent de uitroeiing van de joden, de gaskamers, de waarheid! Het uitgangspunt is de kritiek van de getuigenissen, het énige bewijs van de holocaust. Men probeert er onvolkomenheden in te vinden of overdrijvingen. En dan is de conclusie: leugens. Nooit heeft ook maar één walgelijke negationist één zin van mijn boeken ter discussie kunnen stellen.

Ik heb nooit de nadruk willen leggen op de verschrikkingen. Ik wil niet blijven steken in de anekdotiek, in de beschrijving van de gruwelijkheden. Ik wil een stap verder gaan. Ik probeer te schrijven over de relaties met anderen, het nadenken over leven en dood."

Toen Semprun schrijver werd had hij al een andere carrière achter de rug. Na de bevrijding uit Buchenwald keerde hij terug naar Frankrijk, waar hij een van de leiders van de Spaanse communistische partij in ballingschap werd. Clandestien doorkruiste hij heel Europa. Een van zijn schuilnamen was Camille Salagnac, de andere Federico Sanchez.

"Die naam is puur toeval. De voornaam kreeg ik van de man die mij hielp bij mijn eerste clandestiene reis naar Spanje, in 1953. De familienaam Sanchez werd gekozen omdat het zo'n veel voorkomende, weinig opvallende naam is, zoals Dupont in het Frans of Johnson in het Engels."

Ik vroeg mij af of hij bang was geweest.

"Ik weet nog dat mijn hart wild tekeer ging toen we de Spaanse grens overstaken, maar ik kende geen angst. Het klinkt allicht pretentieus om het te zeggen, maar ik heb mijn hele leven nooit schrik gehad. Daarom was ik zo goed in ondergronds, illegaal werk."

Semprun ging naar Madrid.

"Ik was helemaal alleen in die grote stad, compleet in de anonimiteit, een agent van de subversie in een systeem dat slecht was. Dat verschafte mij een heel groot plezier. Waarom zou ik het ontkennen?"

Een glimlach.

"Ik wist heel goed welk risico ik nam, maar ik wist ook dat ik de doodstraf niet zou kunnen krijgen. Als een van de leiders van de communistische partij zou ik veroordeeld kunnen worden tot twintig jaar, of beter tot twintig jaar en één dag. In de Spaanse wetgeving was het zo dat die ene dag het veel moeilijker maakte om vervroegd vrij te komen Dat was het tarief."

Het was hem natuurlijk al vaak gevraagd, maar ik vroeg het hem toch maar: waarom was hij, als kind uit een bourgeoismilieu, communist geworden?

"Ik kom weliswaar uit een bourgeoismilieu, maar mijn vader koos voor de linkerzijde. Mede daardoor geraakte ik, toen ik filosofie ging studeren, geïnteresseerd in het marxisme. En in de oorlog had ik meegemaakt hoe de communisten erin slaagden binnen de kampen verzetswerk te doen. Het was een mix van persoonlijke keuze en politieke analyse."

In de clandestinititeit, tegen generaal Franco, was de communistische partij lange tijd het enige instrument van strijd. Semprun geloofde er helemaal in. Maar toen kwam de dag dat hij er zich rekenschap van gaf dat de strategie niet toereikend was om het echt anders te doen na Franco.

"Ik heb mij afgekeerd van de Spaanse communistische partij. De breuk was definitief en totaal."

In De autobiografie van Federico Sanchez deed Semprun een boekje open. La Passionaria, lange tijd het boegbeeld van de Spaanse communisten, verweet hem de hersenen van een vogel te hebben.

"In die discussies is er altijd veel polemiek en retoriek, dat is heel erg Spaans. Zij was een grote redenaarster die ook voor een klein publiek iedereen te lijf ging met grote woorden. Soms was dat nogal komisch.

"De Spaanse KP-leider Santiago Carillo heeft mij ooit voor de voeten gegooid: het is beter je te vergissen samen met de partij dan gelijk te hebben erbuiten. Ik moest bijna huilen van het lachen."

Al vrij vroeg was hij gaan twijfelen aan het communisme.

"Het communisme zoals het bestond in de voormalige Sovjet-Unie zag ik al niet meer zitten bij mijn eerste reis in 1958. Het was de meest ongelijke maatschappij die ik ooit gekend had. Men deed het voorkomen alsof het systeem gebaseerd was op gerechtigheid en gelijkheid, maar dat stond in schril contrast met de privileges van de nomenclatura: grote auto's, datsja's, geld."

Semprun gaf toe dat hij dat ook voor zijn reis al wist, maar dat was anders.

"Je moest het met je eigen ogen zien."

Na zijn terugkeer uit Moskou wist Semprun dat hij een grote fout had gemaakt door stalinist te zijn. Bij de dood van Stalin schreef hij: 'Het hart van Stalin staat stil. Het klopt niet langer, het staat stil, zijn hart, de adem van de partij. Nooit meer Stalins woorden, nooit meer zijn glimlach'.

Toen ik het hem voorlas, zei hij:

"Ik ben het die dat heeft geschreven en het is nuttig daaraan te herinneren. Het was een vergissing. Hoezeer ik het ook zou willen, ik kan mijn geloof in en mijn ode aan hem en, meer algemeen, aan het communisme, niet ongedaan maken. Het menselijke geheugen heeft geen wistoets, dat maakt het leven zo hard. Het enige wat ik kan zeggen is dat het een vergissing was."

Ik wilde weten of hij er echt spijt van had. Hij dacht na, aarzelde.

"Wat zou ik nu graag Edith Piaf neuriën, Non, je ne regrette rien, maar helaas. Een stuk van mijn leven heb ik vergooid aan iets dat, achteraf bekeken, waardeloos was. Daar heb ik spijt van."

"Als een mens alles van tevoren zou weten", ging hij verder, maar hij corrigeerde zichzelf, "ach, dat is een cliché. Ik pretendeer een intellectueel te zijn en nu dit..."

Recent was hij nog twee keer in Rusland geweest.

"Daar is een nieuwe intelligentsia die er werkelijk heel frisse ideeën op nahoudt, maar afgezien van de macht die de conservatieve garde er nog altijd heeft, een garde die probeert stokken in de wielen te steken, is het economisch failliet van het land het grote struikelblok voor de verwerking van dat ideeëngoed. Het is ook niet eenvoudig. Het binnenbrengen van de markteconomie in een systeem en in een mentaliteit, die daarop helemaal niet zijn ingesteld is geen organisch proces meer, dat is het forceren van de loop van de geschiedenis. Het is allemaal te snel gegaan. Men heeft het kind met het badwater weggegooid."

Hij glimlachte bij de vraag of dat kind Karl Marx was.

"Als een gecrepeerde hond... Marx heeft ooit gezegd dat Hegel zo werd behandeld. Hij heeft nooit kunnen vermoeden dat dit ook ooit zijn lot zou zijn. Ik vind dat jammer.

"Marx heeft zich natuurlijk vergist. De arbeidersklasse kan geen nieuwe maatschappij scheppen door eerst de vrije markt en de privé-eigendom te vernietigen. Maar hij heeft zich niet vergist in de kritiek op de kapitalistische samenleving, die vandaag de dag zelfs meer geldig is dan toen Marx ze schreef. Marx' politiek was slecht, zijn kritiek goed."

Van 'Marx is dood! Lang leve Marx!' wilde hij niet weten.

Kortaf, boos: "Ik haat slogans. Slogans en geweld. Ze zijn als een Siamese tweeling, ze kunnen niet zonder elkaar."

Tussen liefde en chaos verschijnt op 15 april bij uitgeverij Meulenhoff, 224 pagina's, 698 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234