Donderdag 22/04/2021

Hoe snel, hoe groot, hoe veel de wereld - en hoe klein

De toestand van de planeet samengevat in bijna vierhonderd afdrukken van vijfenvijftig fotografen: dit moet de tentoonstelling Magnum Millennium zijn, die al enkele jaren rond de wereld trekt en alom voor o's en a's zorgt. De verzameling streek in Brussel neer en is een omweg meer dan waard wegens virtuoos en ontroerend, maar hard.

Een lid van Magnum, het collectief dat in 1947 werd opgericht door Henri Cartier-Bresson, Robert Capa, David Seymour en George Rodger, is geen gewoon fotograaf. Hij of zij publiceert en exposeert onder de eigen naam, gevolgd door het begeerde Magnum-logo. Dat is een kwaliteitswaarborg die bij iedereen die de media van ver of nabij volgt, een belletje doet rinkelen. De beste reportagefotografen maken deel uit van het onafhankelijke agentschap dat redacties heeft in Parijs, New York, Londen en Tokio. De zestig leden worden gecoöpteerd; vandaag horen bijvoorbeeld de Belgen Carl De Keyzer, Harry Gruyaert, John Vink en Martine Franck bij de club.

Magnum-fotografen zijn meer dan vaklui die op het juiste ogenblik op de juiste plaats opduiken om er een complexe situatie in één beklijvend beeld te vatten, al struikelen we ook in de Botanique over oorlogsreportages of navrante beelden uit de riolen van de maatschappij, geleverd door 'onze verslaggever ter plaatse'. Het persagentschap stuurt echter meer en meer aan op fotografische essays waarin de leden zich van hun beste kant kunnen laten zien. In 1997 kreeg iedereen een fors bedrag in de handen gestopt om een project naar keuze uit te voeren. Voor de millenniumexpositie selecteerden vijfenvijftig onder hen hun beste werk. Het werd verzameld onder de titel Essai sur le monde/World Experiment, krukkig vertaald als Wereld experimentatie. Na een bescheiden proloog, waarin het scharnierjaar 1989 wordt belicht met beelden van de Berlijnse Muur, het Tian'anmenplein en Roemenië (met uitlopers naar de putsch in Moskou anno 1991), worden de foto's ondergebracht in drie afdelingen: het voortbestaan van rituelen, een kroniek van de chaos en, op de bovenverdieping van de museumzaal, 'de esthetiek van het alledaagse'. Daarmee werd ongeveer de hele actieradius van het keurkorps in kaart gebracht, van maatschappelijk bewogen thema's over rauwe verslaggeving uit de brandhaarden tot mooi fotograferen zonder meer. Al mogen we voor het verschijnsel Magnum natuurlijk nooit een uitdrukking als 'zonder meer' gebruiken: deze lieden staan met hun beide voeten stevig in de aarde geplant en leveren zelden esthetisch divertissement af. De wereld is immers te belangrijk om aan de machthebbers over te laten; ook journalisten moeten hun rol van vuurtoren, vluchtheuvel of stoorzender kunnen spelen. En laten de broeders van de Magnum-loge nu precies echte verslaggevers in de goede oude traditie zijn, die hun camera als een pen hanteren - nu eens striemend en dan weer lyrisch, gegeneerd of geamuseerd.

Het deel waarin rituelen de rode draad vormen is misschien wel het sterkste (of komt het omdat onze blik in het begin van de tentoonstelling nog fris genoeg is om nauwkeurig te kijken, wat na enkele honderden afdrukken niet meer zo goed wil lukken?). Het thema is in elk geval voldoende breed en diep om heel wat essentieels uit de condition humaine naar boven te halen. In een essay in de catalogus voert de historicus Carlo Ginzburg aan dat een woord als 'rite' en verwante begrippen in de Indo-europese talen teruggaan op 'orde'. Religieuze en andere rituelen zijn ceremoniën die zich afspelen in een precies vastgelegde volgorde die haar nut al heeft bewezen; waarom zou de traditie ze anders hebben overgeleverd? Ook Ginzburg verruimt het concept tot een grammatica van gedragsschema's en typologieën, van de politiek tot het spel, de oorlog, het gesprek, de liefde en de gastvrijheid. Wie met een dergelijke ruime blik naar de dingen kijkt, kan niet anders dan vaststellen dat er een mysterieuze samenhang bestaat tussen de meest uiteenlopende fenomenen: alles is (ook) in al het andere, de wereld vormt een opwindend geheel van analogieën die de fotografie ons beter laat zien. Mensen in de zon op de grasperken van Central Park doen onvermijdelijk denken aan een kudde zeeleeuwen, een woud verkeersborden lijkt wel een 'echt' bos. Vreemd genoeg haalt Ginzburg zijn voorbeelden bij Bruce Davidson en Josef Koudelka, van wie de foto-essays respectievelijk in afdelingen drie en twee werden opgehangen - of is dit een subtiele manier om ons duidelijk te maken dat de werkelijkheid inderdaad een overrompelend sterke samenhang vertoont?

Onder de noemer 'rituelen' krijgen we de meest uiteenlopende reportages te zien. Er zijn klassieke reeksen als 'God Inc.' (De Keyzers relaas van een jaar rondtoeren tussen Amerikaanse kerken en sekten) of essays over doopsgezinde gemeenschappen in Mexico (Larry Towell), de diepe kleuren van Marokko (Bruno Barbey), Istanbul (Marc Riboud) of het Ierse eiland Tory (Martine Franck). Horror en schoonheid, bezetenheid en inwijding, dwaasheid en spiritualiteit gaan hand in hand. Twee van de interessantste bijdragen worden geleverd door Guy Le Querrec (over jazz) en Nikos Economopoulos die fragmenten van de 'identiteit' van de Balkan verzamelt. Het is fascinerend om te zien hoe graag zijn camera rechthoekige vormen registreert: een cafétafeltje, platte daken, de muren van een kroeg of een feestzaal in de open lucht waar de gasten zich als het ware ritueel opstellen langs de (onbestaande) wanden van een dansvloer. Het lijkt wel alsof de ruimte van het sociale per definitie rechthoekig is. Zijn de foto's in deze zaal dat ook niet?

Kunnen we al iets als een 'Magnum-esthetiek' (of is het: ethiek?) uit deze beelden distilleren? Eerste poging: deze fotografen laten hun verwondering over de fenomenen die zich voor hun lens voordoen, zo ver gaan als het respect voor de ander het toestaat. Hun reportages zijn geen oefeningen in 'mensjes kijken'.

In de tweede afdeling, 'Kroniek van de chaos', woeden geweld en ellende. Josef Koudelka belicht de meest vervuilde gebieden van Centraal-Europa, maar brengt met zijn sobere en stille beelden uit Kosovo (een stukgeschoten grafmonument, een doorzeefd verkeersbord) ook de echte oorlog in beeld. Op de muur aan de overkant stellen de verse lijken en de gewonden van Tsjetsjenië of Sarajevo de vraag die elke oorlogscorrespondent (hier is het Luc Delahaye) ooit wel voor de voeten wordt gegooid: waarom verbind je geen wonden of delf je geen graf, waarom schuil je achter de camera? Vreemd ook, hoe een laagje sneeuw het bijschrift 'burgerslachtoffer' volstrekt overbodig maakt: vriend of vijand, man of vrouw of kind, soldaat of groenteman - dood is dood. De crackdealers en de sadomasochisten die Susan Meiselas in New York fotografeerde of de Pakistaanse geesteszieken op de sublieme opname van Chris Steele-Perkins leven nog, maar dat doet er eigenlijk niet meer toe. Deze harde beelden zijn een stoot onder de gordel. We worden er niet vrolijk van, maar dat mag. We hadden het kijken al uitbesteed aan de mannen en vrouwen van Magnum - van het ellendige gevoel geraken we nooit meer verlost.

En dit moet dan een tweede Magnum-wet zijn: zolang er 'onschuldige' taferelen worden geregistreerd, levert de afstandelijkheid van de fotograaf frisse, intelligente beelden op, maar in donkere tijden is zijn rol dubbelzinnig: hij klaagt niet alleen de oorlog en het geweld aan maar brengt ook de passiviteit in beeld van al wie ernaar kijkt en even later rustig overgaat tot de orde van de dag - hijzelf inbegrepen.

De foto's op de bovenverdieping, onder de titel 'Esthetiek van het alledaagse', behoren tot het beste wat er in het genre gemaakt wordt. Architectuur en ruimtelijke ordening zijn de breekijzers om duidelijk te maken hoe snel en hoe groot en hoe veel de wereld is, en ook hoe klein - neem nu Wales of een verkeersrotonde in het Franse Lausargue zoals Raymond Depardon ze gezien heeft; tel deze plek op bij de reportage van Jean Gaumy over het Front National en huiver. Cartier-Bresson toont zijn laatste portretten, van Harry Gruyaert en René Burri zijn er schitterende kleurenopnamen. Geen twijfel mogelijk: dit is Magnum, met een verbijsterende inventaris van de tijd en de geest, een momentopname aan het eind van een eeuw. In deze foto's lezen we hoe het gesteld is met de geschiedenis of het gebrek eraan, met de netwerken van beelden die de planeet veroveren en couleur locale tot een problematisch concept maken. Dat is ook hun dubbelzinnige taak. Het archief van het agentschap, een beeldenbank van meer dan een miljoen foto's, is een kroongetuige voor het historisch proces waarin de virtuele wereld het opneemt tegen de echte. We kunnen niet zeggen dat we niet geweten hebben wat er aan de hand was.

De tentoonstelling loopt tot 17 december in Le Botanique, Koningsstraat 236 te Brussel (tel. 02/218.37.32 - http://www.botanique.be). Open van dinsdag tot zondag, van 11 tot 18 uur. De toegangsprijs bedraagt 200 frank. Het boek Magnum°, een turf van 536 pagina's, kost 2.650 frank.

Een verbijsterende inventaris van de tijd en de geest

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234