Donderdag 25/02/2021

Hoe Rabobank uitgroeide tot een ploeg van winnaars

Bij uitbreiding zijn alle nieuwkomers kandidaat-winnaars. ‘Dat profiel hebben we gezocht: renners die het kunnen afmaken.’

Eigen Talent

“De beste Raboploeg ooit”, zegt ploegleider Erik Dekker over de lichting 2011. En er valt iets voor te zeggen. Het Nederlandse wielrennen is een beetje als het Belgische voetbal: een hele tijd was er niks, maar nu is plots van alles tegelijk. Eén week geleden was er dus Sebastian Langeveld in de Omloop, maar het had net zo goed Lars Boom kunnen zijn.

En er is meer, veel meer. Nederland heeft ook een Ronderenner gebaard. Minstens één, misschien zelf twee. Robert Gesink is de naam, de coming man van het internationale wielrennen. In gesprek met deze krant raakte zelfs Eddy Merckx er vorige week niet over uitgesproken. ‘Wat een talent’. Gesink won dit jaar de Ronde van Oman, met winst in de tijdrit, maar moet straks vooral goed zijn in de Tour. “Na een zesde plaats dit jaar, mag je voor Robert richting podium gaan denken”, zegt technisch directeur Erik Breukink.

Gesink is de koning, maar er is ook een prins. “Ook Bauke Mollema rijdt dit jaar de Tour”, aldus Breukink. “Nog niet van de orde van een Gesink, maar zeker en vast ook een talent.”

Overvloed in Oranje, en als het goed gaat met het Nederlandse wielrennen, gaat het ook met de Raboploeg. Er is zelfs een sprinter: “Wij zijn ontzettend blij dat Theo Bos terug is”, aldus Breukink. “Zo hebben we alles: klassieker, ronderenner en sprinter.” Een complete Raboploeg, het is ooit anders geweest. De eeuwige kritiek op het Nederlandse ProTeam is bekend: alleen wie kon klimmen, kwam vroeger in aanmerking.

Buitenlandse transfers

“Hij is een beetje een atypische transfer”, zegt Erik Breukink over Luis Léon Sanchez, vanaf zondag kopman van de Raboploeg in Parijs-Nice. “Normaal doen wij alleen in Europese Spanjaarden.” Europese Spanjaarden, dat zijn Oscar Freires en aanverwanten. Iberische renners die in eigen land outcasts zijn. Juan Antonio Flecha was er ook zo één, Pedro Horillo net zo goed. Rabo was vroeger alleen in die types geïnteresseerd.

Maar het Nederlandse team deed het deze zomer anders in het aankoopbeleid. Een breuk met het verleden. Bijvoorbeeld: Michael Matthews, de Australische wereldkampioen van amper twintig lentes. “Hij is samen met John Degenkolb en Taylor Phinney één van de allergrootste talenten in het wielrennen”, zegt Breukink. “In de zomer hebben we al met hem gepraat.” Ander voorbeeld: Matti Breschel, Carlos Barredo, Maarten Wynants, respectievelijk Deen, Spanjaard en Belg. Allemaal buitenlanders. En andere gemene delers: op Wynants na zijn het allemaal renners die vorig jaar koersen hebben gewonnen. “We zijn op zoek gegaan naar dat type”, zegt Breukink. “Naar afmakers. Vroeger was er Freire, nu zijn er een hele hoop.”

Rabo had ook centen om winnaars aan te trekken. Dat heeft te maken met het vertrek van Denis Mensjov, een regelmatige renner in eender welke Tour, winnaar van de Giro in 2009, maar wel zijn houdbaarheidsdatum bereikt in Nederlandse loondienst. “Het was een aflopend verhaal”, aldus Breukink. “En hij heeft inderdaad budget vrijgemaakt om andere renners aan te trekken.”

En natuurlijk heeft de Raboploeg ook de Rabobank, trouwe sponsor sinds 1996 en recent nog het engagement in het wielrennen toegezegd voor de komende jaren. “We zijn bijzonder tevreden met een sponsor als Rabobank”, zegt Erik Dekker. “Wij hoeven, anders dan Quick Step, geen energie te stoppen in een zoektocht naar centen. Maar het huidige succes is meer dan een verhaal over geld. Het gaat ook over omkadering.”

De individuele renner

Dat verhaal begint na de Tour van 2007. Een drama voor de Rabobank: kopman Michael Rasmussen wordt huiswaarts gestuurd, slachtoffer of eerder dader van slordige whereabouts. Het zorgde voor een aardschok in de Nederlandse ploeg. Ploegleider Theo de Rooij moest vertrekken. Harold Knebel kwam in de plaats. Er volgde ook een powerpoint-presentatie die ‘het onderste uit de kan' heette. Wollig, geeft Erik Breukink toe, maar niet zonder betekenis. “Er kwam veel meer aandacht voor de individuele renner”, zegt hij. “Ploegleiders hebben nu een dagelijks contact met hun renners.” Zo’n ploegleider is Nico Verhoeven. Hij doet het verhaal: “Het gaat erom een goed contact te creëren met de individuele renner. Er moet een spontaan wederzijds contact zijn. Ik moet willen weten wat er gaande is met de renner, en hij moet het mij willen zeggen. Je zoekt een band met je renners. Door op het juiste moment de juiste woorden te zeggen. Neem Lars Boom: die is nogal impulsief na een wedstrijd. Nou, dan moet jij vooral niet impulsief daar tegen ingaan.”

Eén en ander moet er voor zorgen dat Gesink, Boom en Bos geen nieuwe Posthuma en Weening worden. Ook talenten, maar vandaag staat daar dus ‘eeuwig’ voor. “Voor de renners nu is het makkelijker”, aldus Verhoeven. “Vroeger zeiden we ‘nu ben je prof, zoek het maar uit.’ Nu weten we dat het dan pas begint.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234