Maandag 14/10/2019

1 jaar #MeToo

Hoe nieuwe sociale normen kunnen leiden tot morele paniek

Beeld Sven Franzen

Precies een jaar geleden viel Harvey Weinstein van zijn voetstuk. De machtige Hollywood-producent bleek talloze vrouwen seksueel te hebben geïntimideerd en aangerand. Na één jaar #MeToo maken journalisten Joël De Ceulaer en Katrin Swartenbroux de balans op.

Joël De Ceulaer doet dat hier, het artikel van Katrin Swartenbroux kunt u hier lezen.

Dinsdagmiddag, tijdens de redactievergadering, viel de naam van een machtig man die in het bijzijn van vrouwelijke medewerkers de vunzige opmerking niet schuwt. Moet die naam in dit stuk? Het is een van de hamvragen, een jaar na het losbarsten van #MeToo.

Ik neem voor alle zekerheid alvast afscheid van u, beste lezer. De kans is tegenwoordig niet denkbeeldig dat een artikel over delicate kwesties, zeker als het gaat over de relatie tussen de seksen, tot ontslag leidt. Als het artikel verband houdt met #MeToo, zit zelfs de hoofdredacteur die het stuk publiceerde mee op de schopstoel.

Beeld Sven Franzen

Dat bewijst het lot van Ian Buruma, die twee weken geleden pardoes zijn boeltje mocht pakken bij The New York Review of Books omdat hij een essay had gepubliceerd van Jian Ghomeshi, een Canadese radio­maker die in 2014 zijn baan, status en gezicht verloor na verschillende aantijgingen van seksueel misbruik. Ghomeshi werd nooit veroordeeld, en kreeg van Buruma de gelegenheid om zijn kant van het verhaal eens te vertellen. Om te vermijden dat de eerste mails met de vraag om mijn ontslag nu al worden verstuurd, zeg ik er meteen bij dat Ghomeshi zijn wan­gedrag wellicht nogal rooskleurig voorstelde, van relatief weinig ­schuld­inzicht getuigde en misschien iets te veel zelfmedelijden had.

En dat had Buruma nooit mogen toe­staan, aldus de critici. Als hoofd­redacteur had hij het verhaal van Ghomeshi beter moeten laten fact­checken. Ook het genre was fout gekozen: in een essay krijgt een auteur vrije baan om zelf het verhaal te framen, en daarom had Buruma beter een kritisch portret gepubliceerd, met ook andere geluiden dan alleen dat van Ghomeshi zelf. Nadat Buruma zijn keuze eerst nog had verdedigd in een interview met Slate Magazine, ging hij na aanhoudend protest wat later door de knieën.

“Ik ben verwikkeld in een groot schandaal, ik ben beland in een storm op sociale media”, zei Buruma na zijn ontslag in Vrij Nederland. “Het heeft iets ironisch: als hoofd­redacteur maakte ik een thema­nummer over #MeToo-daders die niet door justitie maar wel door sociale media zijn veroordeeld. En nu sta ik zelf aan de schandpaal.”

Terwijl het vertrek van Buruma – die, tussen aanhalings­tekens, al decennia te boek staat als een van ’s werelds leidende intellectuelen – werd verdedigd door de uitgever van The New York Review of Books, namen tientallen gerenommeerde medewerkers en auteurs het voor hem op. Zij vinden dat het ontslag afbreuk doet aan het open intellectueel debat en de centrale missie van het blad, zijnde de vrije verkenning van ideeën.

Op de website Spiked-online.com ging de Britse opinie­maker Brendan O’Neill nog een stap verder. Volgens hem heeft #MeToo nu wel het stadium bereikt van de Amerikaanse communistenjacht onder senator Joe McCarthy in de jaren 50. “De verdrijving van Ian Buruma is een bevestiging, voor wie die nog nodig had, van het feit dat deze hashtag­beweging meer te maken heeft met wraak en censuur dan met gerechtigheid.”

Elk tijdperk zijn taboe

Laat ik meteen maar partij kiezen: zonder het eens te zijn met de overspannen woorden van Brendan O’Neill vind ook ik het ontslag van Buruma zwaar overdreven. Zelfs als hij een inschattingsfout maakte, had hij nog kunnen blijven zitten. Als elke hoofd­redacteur die ooit een inschattingsfout maakte of een onvoldoende afgecheckt artikel publiceerde ontslag moest nemen, dan werden alle bladen en kranten ter wereld meteen onthoofd – behalve misschien De Morgen, want onze nieuwe tweekoppige leiding is nog maar een week aan de slag en reed tot dusver een foutloos parcours (knipoog).

Nee, Buruma werd niet geveld door een inschattingsfout, maar door een morele tsunami die zich momenteel door niets of niemand laat indijken. De diepe verontwaardiging over mannen die zich als varkens gedragen, is vanzelfsprekend volslagen terecht. Volgens The Economist is #MeToo de krachtigste motor van gelijkheid sinds de invoering van het stemrecht voor vrouwen. Maar als die diepe verontwaardiging blinde verontwaardiging wordt, is het uitkijken voor collateral damage.

Afgelopen zondag zei advocate Gabi van Driem in het Nederlandse duidingsprogramma Buitenhof dat we die neven­schade – lees: onschuldige mannen die worden meegesleurd door de #MeToo-golf – er maar moeten bijnemen. Een verbijsterende uitspraak. In een liberale democratie, die ieder individu beschermt tegen willekeur en machtsmisbruik, horen we het erover eens te zijn dat een onschuldige in de gevangenis net iets erger is dan een schuldige op vrije voeten. Niet akkoord? Wacht tot u eens wordt gearresteerd.

De Franse journaliste Eugénie Bastié, die pas een boek over #MeToo schreef – Le porc émissaire, een versmelting van ‘varken’ en ‘zondebok’ – vraagt zich in een interview met Le Point af of de revolutie niet dreigt uit te monden in terreur, zoals de Franse Revolutie van 1789 uitmondde in de terreur van 1793, toen de zuivering door Robespierre zo hard toesloeg dat zelfs vroegere strijdmakkers onder de guillotine werden geschoven.

Beeld Sven Franzen

De symbolische onthoofding van Buruma lijkt daar een voorbeeld van. Hij staat al heel zijn leven pal aan de kant van de weldenkendheid, maar werd nu door de revolutionaire garde niet zuiver genoeg bevonden. Het effect daarvan mag niet worden onderschat: wie nu nog een #MeToo-dader wil laten getuigen, zal twee keer nadenken. Dat chilling-effect dreigt de ruimte voor het vrije debat wel degelijk in te perken.

Het mechanisme is op zich niet uitzonderlijk. Ieder tijdperk, hoe kort het ook duurt, kent taboes en no-go­zones. Iedere golf van morele paniek overspoelt veel tegen­stemmen en maakt mensen bang. Er is nu veel te doen rond de kinderen die vlak bij een naakt, vrij­end koppel zitten in Lam Gods van regisseur Milo Rau, maar het stuk wordt niet afgelast. In 1996, ten tijde van de Dutroux-crisis, zou die scène nooit de planken hebben gehaald – Rau maakte ooit een stuk over Dutroux, maar pas 20 jaar na de feiten. In 1996 vroegen sommige ouders zich af of ze nog wel met hun kinderen in bad mochten.

Zo lijkt het vandaag ongepast om, zoals Ian Buruma deed, al te empathisch het perspectief van de dader of vermeende dader in te nemen. En daar zit iets in: er moet nu alle ruimte zijn voor het leed dat vrouwen jarenlang, decennia­lang, eeuwen­lang werd aangedaan.

Vunzigaard met macht

U zit, beste lezer, al even te wachten op die machtige man met zijn vunzige opmerkingen, die ik u in de intro bij dit artikel heb beloofd. Welaan. Laten we hem X noemen. Ik had vroeger al gehoord dat X in het bijzijn van vrouwelijke medewerkers graag insinuerende opmerkingen maakt. Zo weet ik dat hij, toen een werkneemster hem ooit in de gang passeerde, luidop tegen een mannelijke collega – die we gemakshalve maar Karel zullen noemen – zei: “Daar zouden wij niet ‘nee’ tegen zeggen, hè Karel!”

Maar afgelopen dinsdag, tijdens de redactievergadering, kwam nog een ander verhaal over de betrokkene aan het licht. Hoe hij ooit bij een stagiaire polste of zij plezier schept in anale seks. Met een knip­oog, jawel, en zonder aanraking of verdere avances, maar toch: van de baas verwacht je zulke vragen niet, zeker niet als prille stagiaire.

Het blijft schrikken bij zulke verhalen. Ik kan u verzekeren dat de eindeloze stroom aan #MeToo-getuigenissen veel mannen met stomme verbazing heeft geslagen. Hoe komt een directeur erbij om een medewerkster een foto van zijn penis te sturen? Hoe komen sommige mannen erbij te denken dat ze een vrouw kunnen verleiden met schunnige praat? Hoe haalt een man het in zijn hoofd om vrouwen Trump-gewijs in het kruis te grijpen? Om nog te zwijgen over de talloze gevallen van regelrechte verkrachting. Op deze site staat ook een essay van mijn collega Katrin Swarten­broux, voor wie #MeToo iets meer is dan het zoveelste journalistieke onderwerp. U mag onze verhalen lezen als een tweeluik met complementaire invalshoek: de doorleefde getuigenis versus de afstandelijke kanttekening.

Wat mijnheer X betreft: ik ga zijn identiteit niet ontbloten. Maar voor het geval hij zich herkend heeft in bovenstaande anekdotes, wil ik hem dit meegeven: hou uw manieren eens, als­tu­blieft, en gedraag u zoals u eruitziet: een gezaghebbend man in pak en das.

En als ik mij even tot de vrouwelijke lezers in het bijzonder mag richten: ik weet niet wat het met een mens doet om constant te worden nageroepen, lastig­gevallen, aangeraakt, gepest en bepoteld. Maar ik kan mij voorstellen dat het enorm afmattend, gek­makend en frustrerend is. Het valt dan ook te hopen dat #MeToo een historisch kantelpunt is.

Daar lijkt het overigens wel op. Dat is het goede nieuws: een hashtag kan de wereld wel degelijk veranderen. De mensheid heeft het voorbije jaar morele vooruitgang geboekt. De meesten onder ons zijn het er ondertussen over eens dat je mannelijk wangedrag als vrouw geen seconde meer hoeft te pikken. En dat je als man een collega op zijn gedrag hoort aan te spreken – wat bij mijnheer X ooit gebeurde, trouwens.

Veel van wat vroeger vanzelfsprekend leek, kunnen we ons niet meer voorstellen. Tot pakweg 16 jaar geleden, toen ik nog ketting­rookte, was het niet ongebruikelijk dat je bij vrienden thuis een sigaret opstak in het bijzijn van baby’s en peuters. Iets verder terug in de tijd was het nog een bron van groot vermaak als iemand stomdronken achter het stuur kroop. Voor sommige van onze verre voorouders was het allicht niet abnormaal om tijdens de maaltijd al eens een kletterende scheet te laten. En in de tijd van Louis XIV deed het personeel in Versailles zijn gevoeg simpelweg achter het gordijn in de gang. Allemaal dingen die je vandaag in de beschaafde wereld beter achterwege laat.

Te hopen valt dat het met mannelijk wangedrag diezelfde kant opgaat. Uitzonderingen zullen er altijd zijn, maar het gemak waarmee machtige mannen zich kunnen misdragen, moet de wereld uit. Aan de stagiaire vragen of ze van anale seks houdt, moet voortaan zo ongeveer hetzelfde zijn als urineren tegen het bureau van je collega. Not done.

Het geheugen als worst

En toch moeten we de ruimte voor debat en scepsis, maar ook voor humor en satire, goed blijven bewaken. Neem nu de column die cabaretier Youp van ’t Hek deze week publiceerde in de Nederlandse krant NRC over de getuigenis van Christine Blasey Ford, die zegt dat ze als studente werd aangerand door Brett Kavanaugh, kandidaat voor het Amerikaanse Hoog­gerechts­hof. Als u die column nog niet las, zet u dan even schrap.

“Als ik die Christine Ford was, zou ik toch eens een geheugen­testje doen”, schreef hij. “Ik vermoed een vroege alzheimer. Ze zegt dat ze door die Brett Kavanaugh dusdanig is aangerand dat ze bijna dood was, maar ze weet niet meer waar dat precies gebeurd is. Dat vind ik raar. Van je bijna-doodervaring weet je toch de locatie? (…) Bij die Ford vroeg ik me steeds af: waarom dit wanstaltige amateur­toneel met die gebroken stem en krokodillentranen? Na 35 jaar! Waarom is ze toen niet krijsend naar haar moeder gerend? Aanranding en bijna dood! Hallo? Is het geen belediging voor echt verkrachte vrouwen die de rest van hun leven worstelen met de grootste trauma’s? Dit is toch gewoon een van de vele dronken studenten­kamer­incidentjes.”

Mijn gok: als een mindere god dit had geschreven, was het nooit gepubliceerd geraakt. Zeker niet in Vlaanderen, waar de mainstream pers liever niet choqueert of bruuskeert. Wie de hoorzittingen over Brett Kavanaugh in de VS een beetje heeft gevolgd, vindt nu misschien dat Youp van ’t Hek moet worden ontslagen. Hij doet wat president Donald Trump ondertussen ook deed: Christine Ford, die haar leven en veiligheid op het spel zet door openlijk te getuigen, nog eens ferm uitlachen en beledigen. He adds insult to injury. En hij begrijpt duidelijk niets van de schaamte van vrouwelijke slachtoffers.

En toch – ik hou mijn hart vast terwijl ik dit tik – heeft Youp van ’t Hek een punt. In tegenstelling tot wat de meesten onder ons geloven, is het geheugen geen camera die de belangrijke gebeurtenissen correct en ongefilterd registreert en opslaat. Als we alléén maar de getuigenissen van Ford en Kavanaugh zouden hebben – wat niet het geval is, er is ook ander bezwarend materiaal tegen Kavanaugh –, dan zaten we wel degelijk met een probleem. Het is niet per se de meest geloofwaardige getuige die gelijk heeft, en het is niet per se de vermeende dader die liegt. Zelfs niet als hij huilt of boos wordt.

Daar bestaat robuust wetenschappelijk onderzoek over. In 2004 had ik, samen met mijn toenmalige Knack-collega Dirk Draulans, een gesprek met de Amerikaanse psychologe Elizabeth Loftus, de absolute wereld­autoriteit in de werking van het geheugen.

Loftus was formeel. “Zonder bijkomend en onafhankelijk bewijs kun je onmogelijk het verschil maken tussen een ware en een valse herinnering. In Europa analyseren experts een verklaring op criteria als consistentie en gedetailleerdheid. Dat is geen betrouwbare techniek. Een consistente en gedetailleerde getuigenis kan het resultaat zijn van de verbeelding van de getuige, of van suggestieve vraagstelling. Als de ondervrager een hypothese heeft, stuurt hij de getuige, soms ongewild, in die richting: hoe meer bevestiging de getuige krijgt, hoe overtuigder hij wordt. Sommige getuigen identificeren een verdachte pas nadat ze, vaak maanden of jaren na datum, een foto in de krant hebben gezien. Ook dat is niet betrouw­baar. Om een herinnering goed te kunnen inschatten, moet je weten hoe ze tot stand gekomen is.”

Hier moest ze lachen: “Vergelijk het met worst. Een jury ziet het afgewerkte product. Ik weet hoe worst gemaakt wordt. En wie dat weet, wil er niet meer van eten.”

Het lot van Notaris X

Ja, #MeToo is een revolutie. Een belangrijke, noodzakelijke revolutie, die veel te lang op zich liet wachten. Maar het blijft uitkijken voor terreur en blinde morele paniek waarin alles en iedereen wordt verzwolgen. Media moeten schandalen aan de kaak stellen, maar mogen bij twijfel ook terug­houdend zijn. Toen wijlen radio­man Jos Ghysen begin 2012 in Reyers laat door Kris Smet zomaar zonder wederwoord voor de leeuwen werd gegooid, met de melding dat hij jarenlang een vrouw seksueel had misbruikt, raakte ik daarover in discussie met een kranten­collega. Ik vond dat de media het verhaal van Kris Smet met iets meer achterdocht hadden mogen benaderen, waarop mijn collega zei: “Tja, als die trein eenmaal vertrokken is, moet je daar nu eenmaal mee op springen.”

Ik ben het daar niet mee eens. In de jaren 80 werd het leven van een man – die Notaris X werd genoemd, maar wiens naam iedereen binnen de kortste keren kende – verwoest toen journalisten hem beschuldigden van kindermisbruik. Later kwam aan het licht dat hij nooit een vinger naar zijn kinderen had uitgestoken, en dat de beschuldigingen kaderden in een vecht­scheiding. Ik ben heel blij voor mijn vak, én voor Notaris X, dat een aantal media toen niet op die trein is gesprongen.

Idem dito voor de vele verhalen van zogenaamde ‘hervonden herinneringen’ in de jaren 90, waarbij vrouwen zich op middelbare leeftijd plotseling ‘herinnerden’ dat ze als kind door hun vader werden misbruikt, omdat hun therapeut hen dat had wijs­gemaakt of aan­gepraat. In die soms diep­tragische zaken heeft Elizabeth Loftus vaak getuigd – er zijn zelfs een aantal van die kwakzalf­therapeuten veroordeeld.

Eén keer kreeg Loftus het niet over haar hart om te getuigen voor de verdediging: eind jaren 80, toen in Israël de man terecht­stond die ervan werd verdacht Demjanjuk de Verschrikkelijke te zijn geweest, bewaker in het concentratiekamp Treblinka. Volgens getuigen was de man in de rechtszaal de beul die hen destijds had mishandeld. Volgens Loftus is het onmogelijk om veertig jaar na datum met zekerheid iemand te herkennen. Maar ze getuigde niet, omdat ze zelf joods is en haar familie geen verdriet wou doen.

Dat is het gevaar van de #MeToo-discussie, dat het geen verhaal van individuen meer is, maar een verhaal van mannen versus vrouwen. Dat het een veldslag in de cultuur­oorlog wordt, een front in de identity politics, waarbij de groep waartoe je behoort, bepaalt hoe je ergens over denkt of moet denken. Dat zou geweldig spijtig zijn.

Ik dank u, beste lezer, voor uw aandacht. En om het met Jos Ghysen te zeggen: bij leven en welzijn, en als ik dan nog een baan heb, hoop ik u hier volgende week terug te zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234