Zaterdag 06/03/2021

ReportageSint-Truiden

Hoe met de vondst van sinaasappelschillen onder de vloer een zoektocht naar een Joods meisje begon

Tijdens restauraties aan hun woning, ontdekten Truienaars Herman en Ingrid Collignon de bewuste sinaasappelschillen. Beeld Tim Dirven
Tijdens restauraties aan hun woning, ontdekten Truienaars Herman en Ingrid Collignon de bewuste sinaasappelschillen.Beeld Tim Dirven

Onder een oude plankenvloer trof een koppel in Sint-Truiden verdroogde sinaas­appelschillen aan. Waren die misschien van Joodse kinderen die in 1942 in de stad verborgen zaten? ‘Het is toch wel heel toevallig, niet?’

De schilder was in die houten vloer aan het zoeken naar een elektrische kabel. We hadden hem vooraf gezegd: ‘Dit is een huis met een geschiedenis, dus als je iets ongewoons aantreft, roep ons dan.’ Hij riep: ‘Ik heb okkernoten gevonden.’ Ik zag de weggetrokken vloerplank in die kleine ruimte en keek iets aandachtiger. Dat waren geen okkernoten. Dat waren uitgedroogde sinaasappelschillen. Mijn hart stond stil.”

Herman en Ingrid Collignon kochten in 2002 het oude notarishuis in de Stationsstraat in Sint-Truiden. Ze zijn al achttien jaar aan het renoveren. Vandaag zijn ze aan de tweede verdieping toe. Het prachtige belle-époquehuis werd in 1892 door notaris Louis Nagels en Emma Debruyn opgetrokken. “Hier, in de kamer waar wij nu zitten, zijn ooit de contracten voor de eerste Kempense steenkoolontginningen ondertekend”, zegt Herman. “Louis Nagels zelf is tussen de twee oorlogen in faling gegaan. Het was een heel schandaal. Hij is met dertig koffers vol zilverwerk en 280.000 frank via de trans-Siberische spoorlijn naar Peking gevlucht. En daar dan opgepakt.”

Ingrid: “We kochten het huis via een makelaar. Na de aankoop nam ik contact op met Anne Tallon, de dochter van dokter Paul Tallon die hier in 1942 was komen wonen. Hij was gehuwd met Paula Nicolaï, de moeder van Anne. Zij vertelde me dat haar moeder tijdens de oorlog een Joods kind heeft verborgen.”

Pastoor Celis

Het huis was een dokterskabinet, met een komen en gaan van mensen. Ook Duitse soldaten.

Ingrid: “Als er Duitsers in het huis waren, moest het kind worden verstopt. Anne Tallon vertelde me dat er sinaasappelschillen werden gespaard voor het kind, zodat het wat vitamine C zou krijgen. Ja, wat kun je denken als zo’n schilder je die schillen laat zien?”

Sint-Truiden had al haar eigen Anne Frank. Ze werd als Regina Rotenberg op 13 oktober 1925 in Berlijn geboren. Haar verhaal is gedocumenteerd in het Yad Vashem in Jeruzalem, en op de website daar is er een link naar een geluidsopname van toen ze in 2006 op haar tachtigste het verhaal van haar familie vertelde.

Regina Rotenberg: “Ik was tien en opeens gingen al mijn vrienden op school bij de Hitlerjugend. Ze mochten niet meer met mij praten. Mijn ouders hadden een winkel in lingerie en kristal. Ik zou viool gaan leren, maar de leraren zeiden tegen mijn ouders dat het niet langer toegelaten was om mij nog wat dan ook te leren. Toen werd het Kristallnacht. Onze ruiten waren gebroken, al het kristal in de winkel was kapot geslagen.”

Herman Collignon toont een deel van de vondst: gedroogde sinaasappelresten en het inpakpapier van een slager die in de jaren 1940 op de Truiense Grote Markt was gevestigd. Beeld Tim Dirven
Herman Collignon toont een deel van de vondst: gedroogde sinaasappelresten en het inpakpapier van een slager die in de jaren 1940 op de Truiense Grote Markt was gevestigd.Beeld Tim Dirven

Met haar moeder en twee broers vlucht Regina eind 1938 naar Brussel, waar al twee tantes van haar wonen. Later voegt ook haar naar Polen gedeporteerde vader zich bij het gezin. Een foto uit begin 1942 toont de 16-jarige Regina met twee vrienden en twee vriendinnen op het Rogierplein in Brussel. Achter hen is er een paal met reclame voor Solo-margarine. Er is nog geen verplichte Jodenster, maar lang zal dat hierna niet meer duren.

Regina: “In 1942 kwamen de oproepingsbrieven van de Duitsers. Mijn moeder vroeg de vrouw van de kleermaker of ik daar mocht slapen. Als iedereen zou worden opgepakt, zou er dan tenminste iemand zijn die van buitenaf iets kon doen. Wij wisten niet wat er met ons zou gebeuren. Toen zei de vrouw van de kleermaker dat ze een nicht in Limburg had. Misschien zou die ons willen helpen.”

Het gezin belandt in de Sint-Truidense parochie Halmaal. De pastoor daar is Hubert Celis. Hij en zijn broer Louis, ook pastoor, zijn actief in het verzet. Ze helpen gevallen geallieerde piloten verstoppen, regelen wapens. Regina’s broers worden door Louis in pleeggezinnen ondergebracht. Zijzelf en de tweejarige Sonja komen in de beenhouwerij van Huberts broer Joseph Celis op de Grote Markt in Sint-Truiden terecht. Hij runt de beenhouwerij met z’n ongehuwde zus Bona en zoon Louis.

Regina Rotenberg leeft nog – ze woont in de Amerikaanse staat North Carolina – maar is volgens haar dochter niet meer in staat om te vertellen. Er is wel nog die geluidsopname, waarin ze uitlegt hoe haar vader bij Hubert Celis zelf, als tuinman, ondergedoken zat. Haar moeder verbleef ondergedoken bij een parochiaan in Halmaal. Eerst zou alleen de kleine Sonja in de beenhouwerij worden geplaatst, maar toen Hubert Celis met Regina wilde vertrekken om ook haar ergens bij een gezin te plaatsen, riep Bona: “Laat ons de grote zus ook houden.”

Regina Rotenberg: “Vanaf die dag verbleef ik daar. Iemand bracht wat kleren, want ik had niks meer. In een beenhouwerij is er altijd eten, maar ik was bang. Ik moest koosjer blijven eten. Ik wilde niet eten, en zij respecteerden dat. Het gezin was erg gelovig, ze gingen drie keer per dag naar de mis. Ik had mijn eigen gebeden, en ook dat respecteerden ze. Na zes weken zei ik: ‘Weet je wat? Ik ga beginnen eten.’

“Op 29 oktober 1942 kwamen de Duitsers. Iemand moet iets hebben gezegd, want ze wisten precies waar ze moesten zijn. Ook mijn moeder werd opgepakt. Ze schreef op een papiertje, gericht aan de mensen van de beenhouwerij: ‘Alsjeblieft, zorg voor onze spullen.’ Waarmee ze ons bedoelden, de kinderen.”

Je vindt de namen van Moszek Rotenberg en Tena Frenkel in de Dossin-kazerne in Mechelen terug onder nummers 620 en 630 van het zeventiende transport. Zij vertrekken op 31 oktober 1942 met de deportatietrein naar Auschwitz en worden bij aankomst onmiddellijk vermoord.

Kazerne Dossin

Hubert Celis wordt na de arrestatie van Moszek en Tena door Duitse Feldgendarmen aangehouden en ondervraagd. Ze weten dat er vier Joodse kinderen zijn, en eisen dat hij vertelt waar ze zich verborgen houden. De pastoor eist een confrontatie met zijn verklikker, goed wetend dat geen enkele Truienaar hem ooit als zodanig onder ogen zal durven komen. In een later verslag vertelt hij hoe hij enkel de laatste beschuldiging erkende en tegen de Feldgendarmen zei: ‘Ik ben in uw handen, ik weet dat ik gefusilleerd ga worden. Ik zal nooit spreken, een priester is geen verrader.’

Pastoor Celis zet zijn leven op het spel voor Regina, haar broers en de kleine Sonja. En hij koopt genoeg tijd.

null Beeld Tim Dirven
Beeld Tim Dirven

Regina: “Mijn broers moesten bij die priester worden weggehaald. En ik moest met mijn zusje en de zoon van de beenhouwerij om vijf uur ’s ochtends met de fiets naar een andere stad. Mijn zusje werd opgehaald door een vrouw die in het bruin was gekleed. Zij bracht haar naar een andere stad. Nadat ze door drie handen was gegaan, kwam mijn zusje bij een boerengezin terecht. Godzijdank lieten de Duitsers priester Celis gaan. De commandant was zelf een katholiek. ‘Ik doe ook maar wat ik moet doen’, zei hij.

“Alleen hij, Hubert Celis, wist waar Sonja was. Na een maand, in de kerstperiode, nam hij me op zijn fiets mee naar haar. Om haar te bezoeken. Het was zo’n 26 kilometer fietsen. ’s Nachts, toen we moesten vertrekken, begon Sonja weer te wenen. Die mensen vroegen me om niet terug te komen. Die mensen zorgden erg goed voor Sonja. Alsof ze hun eigen kind was.”

Regina wordt bij de oude vader van Hubert Celis in Sint-Truiden verstopt, waar haar wordt bezworen nooit aan het raam te komen. Ze woont er een kleine twee jaar lang. Tot de ochtend van 3 mei 1944. Ook zij is verraden.

Regina: “Het waren dezelfde Duitsers die mijn ouders hadden opgepakt. Ik werd in een cel opgesloten. Ze stelden me allemaal vragen. Ze zeiden: ‘Zeg ons waar je zus en je broers zijn.’ Ik zei dat ik geen idee had, dat ik ze al twee jaar niet meer gezien had. Jawel, zeiden ze. De volgende dag brachten twee Duitsers me met een taxi naar een echte gevangenis in Hasselt. Daar heb ik twee nachten gezeten, waarna ze me naar Mechelen overbrachten.”

Op 19 mei 1944 vertrekt het vijfentwintigste transport vanuit de Kazerne Dossin naar Auschwitz. Ter hoogte van Lier gooit de 19-jarige Regina een brief uit de trein. Het briefje zal worden opgeraapt door een zekere mijnheer Van Hoof, die woonde op de Lispersteenweg 2 in Lier. De brief zal na een lange naoorlogse reis een plekje tussen de familiale relicten in North Carolina vinden, vanwaaruit Regina’s dochter ons een pdf doorstuurt.

Regina schrijft vanuit de Dossinkazerne: ‘Allerbeste familie. Eindelijk gisteren heb ik de pakskes van U ontvangen welke ik met groote vreugde begroette. Ik heb tot den 15de gehoopt dat iets zou gebeuren, maar nu is mijn moed in mijn schoenen gezakt. Maar beste familie, hebt U goeden moed, want weldra zullen wij ons weerzien en zorgt a.u.b. voor de rest, want dit is mijn grootste kommer. Maar ik weet toch dat alles in goede handen is. Ik weet niet, beste familie, of u dezen brief ontvangen zult, want ik werp hem uit den trein.’

Bereidingen en kaas

Ook al heeft Hubert Celis haar ouders beloofd dat hij geen enkele poging zal doen hun kinderen tot het katholicisme te bekeren, heeft Regina blijkbaar zelf de stap gezet. Ze schrijft: ‘De paternoster van Marieken hebben ze mij ook afgenomen. Bid a.u.b. goed voor ons allen, en de goede God zal zich toch maar erbarmen. Nu eindig ik beste familie en stuur ik nog eens vele groeten en kussen, voor u allen, beste Bona en alle anderen. Vaart wel en maakt u zich geen zorgen om mij. Als ’t God belieft ben ik gauw weer bij u. Uwe Regina. A.u.b. de vinder van dit het in de brievenbus te werken. Bona Celis, Groote Markt 17 Sint-Truiden.’

In de eetkamer van Huis Nagels stalt mevrouw Collignon voorzichtig de gedroogde sinaasappelresten voor zich uit, samen met de andere onder de plankenvloer gevonden artefacten. Een papieren snoepzakje met uitgedroogde sinaasappelschillen, een kartonnen bakje met nog meer schillen en een touwtje eromheen en een nagel, wellicht een mechanisme om snel-snel wat schillen te verstoppen en terug boven te halen zonder dat je met je arm helemaal onder de plankenvloer moet. Er is ook een papieren wikkel met sinaasappelpitjes erin. Op de wikkel staat: ‘Maison Van West-Vissers, Groote Markt 44, Sint-Truiden.’

Amerikaanse troepen blazen verzamelen na hun bevrijding van Sint-Truiden.
 Beeld rv
Amerikaanse troepen blazen verzamelen na hun bevrijding van Sint-Truiden.Beeld rv

Een beenhouwerij. Ook op de Grote Markt van Sint-Truiden. Waar ooit beenhouwerij Celis was, is er nu café Old Tom. Op nummer 44 ligt vandaag Brasserie Grand Place.

Herman: “Ik ben met die familie Van West gaan praten. En ja, die hadden een beenhouwerij. De gewone mensen gingen naar beenhouwerij Celis, de wat meer gegoede kringen naar beenhouwerij Van West-Vissers. Dat was een traiteur avant la lettre, die verkocht in de oorlog al bereidingen. En ook kaas.”

Het verhaal over het Joodse meisje en de sinaasappelschillen gaat al langer mee. Een oudere Truienaar in de Stationsstraat noemt het onderdeel van het vroegere collectieve geheugen. Tegenover het Huis van het Belgisch-Franse Verzet werd in 1999 ook al melding gemaakt van een Joods kind in het oude notarishuis.

Drieduizend kinderen

Ingrid: “Natuurlijk kunnen wij niet zeker zijn, maar het is toch wel heel toevallig, niet? Ik was in 2002 zo getroffen door wat Anne Tallon me vertelde. Nu schrijft Het Belang van Limburg opeens dat er in die tijd nergens sinaasappelen te vinden waren, maar dat is onzin. Op het Vossenplein in Brussel kon je volgens wat ik erover lees zelfs kreeft en oesters krijgen. De gegoede mensen raakten aan alles wat ze wilden. Volgens Anne Tallon was het haar moeder Paula Nicolaï die via kennissen het Joodse meisje in huis haalde. Zij was de dochter van een erg welstellende fruitteler, gehuwd met een bekende arts. Zij is in 1973 – vrij jong – overleden.”

Paul Tallon zelf komt in 1993 om het leven bij een verkeersongeval. Zijn overlijdensbericht vermeldt: ‘Ere-chirurg AZ Sint-Truiden, stichter bloedtransfusiecentrum Rode Kruis Sint-Truiden, ridder in de Kroonorde, ridder in de Orde van Leopold II, lid van de kerkfabriek van Sint-Truiden.’

Ingrid: “Ik zit soms uren naar die schillen te staren. De ene is van een appelsien die doormidden is gesneden, de andere is in kwartjes. Zouden ze in die tijd een netwerkje hebben gehad van dienstmeiden van rijke mensen die voor dat Joodse meisje schillen inzamelden?”

Het sinaasappelmeisje in Huis Nagels, zo veel is zeker, was niet Regina Rotenberg, en het was ook niet Sonja. Zij reppen geen van beiden in hun getuigenissen met een woord over een dokterswoning of sinaasappelschillen. In zijn boek De nazirazzia van 25 mei 1943 beschrijft Roger Rutten hoe wel meer mensen in hogere kringen in Limburg Joodse kinderen hielpen verbergen. Graaf de Liedekerke-d’Oultremont nam vanaf december 1942 negen Joodse jongens met een valse naam op in een kinderkolonie in zijn kasteel.

Roger Rutten: “Naast Hubert en Louis Celis had je ook nog pastoor Gerard Reynders met z’n eigen organisatie Aide Chrétienne aux Israelites. De man heeft in z’n eentje 226 Joodse kinderen her en der laten onderduiken. Hij is begin 1944 ook zelf moeten onderduiken. De mensen die een Joods kind verborgen, deden dat niet met het idee achteraf te worden bejubeld of gedecoreerd. Het boerengezin uit Zonhoven dat het zusje van Regina verborg werd later op haar huwelijk in Palestina uitgenodigd. Die mensen vonden het heel vervelend dat ze dat moesten weigeren. Dat waren gewone mensen die zelf niet zagen wat voor bijzonders ze hadden gedaan. Zij zeiden enkel: ’Wij hadden compassie mee die menschen.’ Vanuit hun wereldbeeld was het iets vanzelfsprekends.”

In Brussel verborg de organisatie van Andrée Guelen en Estera Fajersztejn drieduizend Joodse kinderen, over heel België. Ze overleefden de oorlog allemaal. De meeste kinderen waren erg jong. Na de oorlog wilden de luttele achtergebleven familieleden maar één ding: weg uit Europa.

Regina: “Ik gooide meerdere briefjes uit de trein. Ook naar een mevrouw in het klooster, naar de priester en naar aan al wie ik maar denken kon. Twee ervan zijn aangekomen. In de briefjes schreef ik dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. Dat ik, als God het wilde, wel zou terugkomen. Maar in de wagon kon je niet eens zitten, het was verschrikkelijk.”

In Auschwitz werd Regina op het perron des doods door dokter Mengele opgewacht.

Dodenmars

Regina: “Ze brachten ons na onze aankomst naar de zogenaamde sauna, waar je je kleren moest uitdoen, getatoeëerd werd en geschoren. Ze gooiden je nieuwe kleren naar je. Mijn barak was nummer 21. De dag begon om vijf uur ’s ochtends, het was nog donker. Je moest in een rij gaan staan. We moesten graven en bergen verplaatsen. Steenblokken op karretjes vervoeren van nergens naar nergens. Het was heel hard.”

Het Russische front komt eind 1944 dichterbij. De SS organiseert een 600 kilometer dodenmars naar het vrouwenkamp van Ravensbrück.

Regina Rotenberg (tweede rechts) met vrienden in Brussel, 1942. Beeld ushmm
Regina Rotenberg (tweede rechts) met vrienden in Brussel, 1942.Beeld ushmm

Regina: “Het was januari. Winter. Na een paar dagen kon ik niet meer stappen. Ik zei tegen Frieda, mijn vriendin, dat het niet meer ging. Maar als je zag wat ze deden met hen die niet doorstapten, ja… ze schoten ze dood. Eten was er niet, we aten sneeuw. Soms vond je op de grond een aardappelschil waar mensen al overheen hadden gestapt. En de Duitsers riepen de hele tijd: ‘Schneller!’ In Ravensbrück moest ik rode bieten pellen, en zo kon ik af en toe iets eten.”

Regina Rotenberg reisde in 1949 vanuit Brussel met haar man haar broers achterna naar Israël, dat toen nog grotendeels een tentenkamp was. In het audiofragment zegt ze dat ze liever in Brussel was gebleven: “Ik wou er alweer weg voor we waren aangekomen.”

In Sint-Truiden lijken sommigen iets te hard te hebben gehoopt dat Regina het sinaasappelmeisje was, en er meteen kon worden gedacht in de richting van een eigen Anne Frank-museum. Roger Rutten zegt dat zijn “buikgevoel” hem sterk doet twijfelen of Huis Nagels ooit een Joods meisje verborg.

Ingrid: “Waarom poneren zulke mensen dat, zonder één keer met ons te hebben gesproken? Zonder hier zelfs binnen te zijn geweest? Wat kan de reden zijn waarom iemand sinaasappelschillen onder een houten vloer verstopt? De stad Sint-Truiden kondigde een ‘grondig onderzoek’ aan, maar dat was blijkbaar gewoon het ‘buikgevoel’ van die mijnheer Rutten waarnaar werd geluisterd. We zullen zelf historici contacteren.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234