Dinsdag 28/06/2022

AchtergrondStadsontwikkeling

Hoe maak je de stad vrouwvriendelijk? ‘Met roze bankjes gaan we er niet komen’

null Beeld Timon Vader
Beeld Timon Vader

Wenen is hét voorbeeld van de vrouwvriendelijk ­ingerichte stad. Maar ook in ons land beginnen steeds meer mensen met een genderblik naar stadsontwikkeling en mobiliteit te kijken. Al is er nog een lange weg te gaan. ‘Een vrouwvriendelijke stad is beter voor iedereen. Ook voor mannen.’

Cathy Galle

Het is 11 november 2000. In het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten verzamelen zo’n 1.500 vrouwen voor de jaarlijkse Vrouwendag. Het thema is ‘vrouwen in de stad’. Want steden zijn niet vrouwvriendelijk, luidt het. Vrouwen voelen zich er vaak heel onveilig. Dat komt in de eerste plaats door het gedrag van een deel van de mannelijke bevolking, zo is te horen in de speeches, maar net zo goed door het feit dat steden bijna uitsluitend ontworpen en ontwikkeld zijn door mannen. En die begrijpen niet altijd wat vrouwen belangrijk vinden en nodig hebben.

Een hele dag lang zijn er debatten over hoe er meer rekening kan gehouden worden met de ‘factor vrouw’ bij de ontwikkeling van onze steden. Het waren boeiende discussies, herinneren sommige aanwezigen van toen zich nog. Alleen jammer dat het daar grotendeels bij bleef. Nadien bleef het jarenlang stil rond dit thema. En bleven steden voornamelijk ontwikkeld worden door mannen. Alle Vlaamse bouwmeesters tot nog toe waren van het mannelijke geslacht, idem voor de stadsbouwmeesters in een aantal centrumsteden.

Terwijl de discussie bij ons zo goed als stilviel, verliep het in de Oostenrijkse hoofdstad Wenen helemaal anders. Daar wordt al sinds begin jaren 1990 volop ingezet op het vrouwvriendelijker maken van de stad. Met een ‘vrouwenafdeling’ bij het stadsbestuur, die alle plannen en projecten door een genderbril bekijkt. En met de aanstelling van genderplanningexpert Eva Kail, die de boel coördineert.

‘Totaal andere beleving’

Eva Kail begon haar werk met een tentoonstelling over het dagelijks leven van acht verschillende Weense vrouwen. Om te tonen hoe vrouwen de stad gebruiken. Daaraan gekoppeld deed ze ook onderzoek naar de mobiliteit van mannen en vrouwen in de stad. “Vrouwen bleken zich op een totaal andere manier door de stad te begeven dan mannen”, zegt Eva Kail. “Ze doen vaker aan trip chaining: ze gaan van thuis via de kinderopvang naar het werk en proberen op de terugweg nog boodschappen mee te pikken. Mannen verplaatsten zich vaker lineair, woon-werkverkeer. Dat gaf grote verschillen. Ongeveer twee derde van de automobilisten was man, twee derde van de voetgangers vrouw.”

Vrouwen zijn dus gebaat bij bredere voetpaden, waar je met een buggy makkelijker kan passeren, en vooral met een toegankelijk en goed uitgebouwd openbaar vervoer dat niet alleen tijdens de spitsuren een aanbod heeft. Dat zijn zaken die Kail als eerste aanbeveling aan het stadsbestuur deed. Daarnaast vroeg ze ook een goede en adequate straatverlichting, vrij zicht op voetpaden in parken en de afwezigheid van donkere hoekjes vlak langs wandelroutes. Het zijn dat soort zaken waar mannelijke stadsplanners, volgens Kail, niet altijd bij stilstaan.

En Wenen gaat nog een stap verder. Zo wordt bij de bouw van nieuwe wooncomplexen aan de architecten gevraagd om er het principe van eyes on the street in te verwerken: woonkamers en keukens die uitkijken op de straat als extra sociale controle, als extra paar ogen dus.

Ook steden als Amsterdam, Parijs, Berlijn, Kopenhagen en Barcelona kijken ondertussen met een genderbril naar hun stadsplanning. In Stockholm bijvoorbeeld doen ze zelfs aan ‘gendersensitief sneeuwruimen’. Waar bij hevige sneeuwval voordien eerst de autowegen naar het centrum werden geruimd, krijgen nu de voetpaden naar de kinderopvang, net als wandelroutes naar bushaltes en fietspaden voorrang.

Leesbare stad

Al viel de discussie in ons land nu ook niet helemaal stil. Sinds januari 2007 is gendermainstreaming, het bij elke interventie in de publieke ruimte nadenken over de impact ervan op zowel mannen als vrouwen, in een wet gegoten. En in 2012, twaalf jaar nadat Vrouwendag het thema op de kaart had proberen te zetten, trok de Brusselse vzw Garance, die strijdt tegen geweld op vrouwen, opnieuw aan de kar. De vereniging organiseerde negentien wandelingen met vrouwen in Brussel om te onderzoeken hoe zij de publieke ruimte ervaarden. Het resultaat was een lijvige brochure met aanbevelingen door vrouwen.

De opvallendste: maak de stad beter leesbaar. De vrouwen vroegen straatnaambordjes die goed leesbaar zijn en laag genoeg hangen, duidelijke wegwijsborden naar politiecommissariaten en duidelijke signalisatie in metrostations. “Want het laatste wat je als vrouw wil, is hulpeloos overkomen omdat je de weg kwijt bent”, getuigde een van de deelnemende vrouwen in de brochure. Andere aanbevelingen waren ook hier een beter en vlot toegankelijk openbaar vervoer en het wegwerken van donkere, gesloten plekken in de stad.

Vanuit de politiek kwam er veel interesse, maar concrete projecten bleven uit. Niet dat er in Brussel geen goede wil is. Eind 2020 keurde de gemeenteraad zelf nog unaniem een motie goed die de stad veiliger en comfortabeler moet maken voor vrouwen. Indieners waren Bianca Debaets (CD&V) en David Weytsman (MR), beiden in de oppositie, maar ze kregen de hele gemeenteraad achter hun plan. Maar volgens Debaets is er sindsdien tot haar spijt nog maar weinig concreet veranderd. “Iedereen is zich wel bewust van het probleem, maar wellicht heeft corona dit wat ondergesneeuwd doen raken.” Zelf is ze alvast van plan het thema opnieuw op de agenda van een van de volgende gemeenteraden te plaatsen.

Buiten spelen

Dat er dringend iets moet veranderen, vindt ook het kenniscentrum Kind en Samenleving. Want dat steden niet gemaakt zijn voor vrouwen is al op erg jonge leeftijd te merken. Uit hun groot buitenspeelonderzoek in 2019 bleek dat er veel minder meisjes (37 procent) buiten spelen dan jongens (63 procent).

Niet dat meisjes minder graag buiten spelen, ze vinden alleen niet altijd hun gading. Terwijl jongens vaker duidelijk op één spel gericht zijn, zoals voetballen of basketballen, zijn meisjes op zoek naar plekken waar iets te beleven valt, zoals avontuurlijke speeltuigen of ruimtes die het fantasiespel aanmoedigen. Ze spelen graag sociale spelletjes, in kleinere groepjes. En naast het gewone spelen vormt ‘chillen’ ook een belangrijke activiteit. Meisjes voelen zich niet altijd welkom in een speelruimte die al geclaimd is door anderen. Sportveldjes bijvoorbeeld worden meestal door (vaak wat oudere) jongens ingepalmd. Uit het onderzoek blijkt dat slechts 15 procent van de kinderen die daar spelen meisjes zijn.

Na het buitenspeelonderzoek bevroeg het kenniscentrum, op vraag van de Vlaamse overheid, meisjes tussen negen en twaalf jaar in vier Vlaamse centrumsteden: Antwerpen, Gent, Mechelen en Leuven. De insteek van het onderzoek was: hoe krijgen we meer meisjes aan het buiten spelen? “Denk nu niet dat meisjes zitten te wachten op roze bankjes”, zegt Sabine Miedema, stafmedewerker bij Kind en Samenleving. “Ze willen geen typische meisjesdingen, maar een speelruimte die voor iedereen toegankelijk is. Dat is nu niet altijd het geval. Het klassieke voorbeeld is een sportveld: in het midden zul je doorgaans een groep spelende jongens zien. Meisjes houden zich dan eerder, in kleine groepjes, op aan de rand van het veld.”

Verbetering

Een van de voorbeelden die meisjes in de bevraging zelf trouwens aangaven was om die sportvelden, die doorgaans nogal groot zijn, in twee of drie kleinere delen te splitsen, waardoor ook zij meer ruimte krijgen. Meisjes hebben ook een meer gemengde recreatiezone nodig, waarvan de functie niet op voorhand strikt is afgebakend. Maar de budgetten voor speelplekken in de openbare ruimte gaan nog altijd grotendeels naar voetbalpleintjes, basketvelden en skateparken.

Al ziet Miedema wel al enige verbetering. “We zien een omslag in het denken. In Antwerpen bijvoorbeeld, een van de steden waar we een bevraging hielden, wil men bij de heraanleg van het Kielpark nadenken over hoe het park toegankelijker gemaakt kan worden, zodat ook meisjes er terechtkunnen. De bewustwording dat dit belangrijk is, is er zo stilletjes aan wel.”

Maar toch is er nog een lange weg af te leggen. In ons land zijn er nog maar een handjevol concrete projecten, vaak van individuele, vrouwelijke architecten of stedenbouwkundigen, die een gendertoets hanteren. Zoals de parking onder het Koningin Astridplein in Jette, daar beter bekend als het Spiegelplein, waar gewerkt is met transparante wanden en veel natuurlijk licht. Ook de signalisatie is heel duidelijk, zodat mensen niet ongewild in een of ander hoekje van de parking terechtkomen.

En de stad Namen besloot om de aanbevelingen van de Brusselse vzw Garance mee te nemen in het bestek voor de werkzaamheden aan het park dat op de parking van de vroegere Leopoldskazerne zal worden aangelegd. Het winnende ontwerp wil vooral voor goede verlichting zorgen, hoge en hakbestendige vloerbedekking, voldoende openbare toiletten die via het park toegankelijk zijn, en drinkwaterfonteinen.

‘Vrouwvriendelijk is mensvriendelijk’

Toch blijft het in ons land nog al te vaak bij goede intenties, weet ook professor Hilde Heynen (KU Leuven), gespecialiseerd in gender en architectuur. “Het is goed dat ontwerpers meer rekening beginnen te houden met de noden van vrouwen bij hun ontwerpen. Want voor mij betekent vrouwvriendelijk vooral gewoon mensvriendelijk”, zegt ze. “Als je voetpaden breder maakt, dan is dat ook goed voor mensen met een rolstoel. En van een beter en goed toegankelijk openbaar vervoer wordt iedereen beter, niet alleen vrouwen.”

Soms zijn er ook al ingrepen gebeurd die een stad vrouwvriendelijk maken, zonder dat dat zo benoemd wordt, meent ze. “Denk aan het autoluw maken van steden. Dat komt zeker de vrouwen ten goede, ook als is dat niet de initiële bedoeling.”

Maar we mogen volgens haar niet de fout maken te denken dat we via ingrepen in de ruimtelijke ordening en stedenbouw alles kunnen oplossen. Want het ligt niet aan de ontwerpers van speelpleintjes alleen dat er minder meisjes buitenspelen. Net zomin als dat het enkel aan de mannengerichte stadsplanners zou liggen dat vrouwen zich onveilig voelen in een stad. Als we alle donkere hoekjes uit de stad bannen en alle parken fel verlichten, zal het nog niet opgelost zijn.

Heynen: “Vrouwen voelen zich veel meer onveilig op straat dan mannen, terwijl de cijfers toch aantonen dat mannen vaker het slachtoffer worden van een misdrijf met geweld. Vrouwen zijn wel vaker het slachtoffer van misdrijven met een seksueel aspect. Maar verkrachtingen gebeuren veel vaker thuis of bij bekenden dan op straat. Het onveiligheidsgevoel van vrouwen in een stad is dus maar voor een deel geïnspireerd op een reëel gevaar.”

Daarom is er veel meer nodig om meisjes en vrouwen een aangenaam en veilig gevoel te geven in hun stad. En dan moeten we het volgens professor Heynen ook over de zichtbaarheid van vrouwen op straat hebben. “Er zijn al campagnes geweest om meer straten te vernoemen naar vrouwen of meer standbeelden van vrouwen te plaatsen. Dat is echt nodig. Want meisjes en vrouwen die nu over straat lopen, krijgen impliciet de boodschap dat vooral mannen het gemaakt hebben en het verdienen om herinnerd te worden. Meisjes en vrouwen krijgen zo het gevoel dat ze te gast zijn in de publieke ruimte, maar dat die niet van hen is. Om dat aan te pakken is er dus een en/en-verhaal nodig.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234