Maandag 16/09/2019

reportage

Hoe Japan buigt voor keizer Traditie: de hang naar overlevering verlamt de vooruitgang

Beeld Elise Vandeplancke

De Japanse economie staat krom van de ouderdom. Bijna 60 procent van alle bedrijven in de wereld die vóór 1800 zijn opgericht, zijn Japans. Dat is lekker rustiek, maar die zucht naar traditie laat zo weinig plaats voor jonge ondernemers dat premier Abe de bedrijven in het land oproept om ‘te leren failliet te gaan’. Gekke jongens, die Japanners.

Wij hebben vanuit Tokio ruim vier uur met de auto gereden, door de uitgestrekte bossen rondom Mount Fuji, langs met rotsen bezaaide rivierbeddingen, door dorpen die almaar kleiner en stiller werden. We hebben iets gegeten in een eettentje aan Lake Kawaguchiko, waar het nu, in het laagseizoen, enigszins aan de Belgische kust in de winter doet denken – er wordt gewacht op beterschap, een verveelde serveuse staart naar de horizon.

Dan komen wij aan bij Nishiyama Onsen Keiunkan. Ons hotel, en officieel het oudste bedrijf ter wereld. Wij verwisselen onze schoenen voor slippers, krijgen een glas limonade met honing en worden door een meisje dat buigt naar alles wat beweegt naar ons verblijf gebracht – een kamer uit een prentenboek, met rietmatten op de vloer, lage tafels, muren van rijstpapier en een raam dat uitkijkt op een sprookjeslandschap. Een met rotsen bezaaide rivierbedding, een bos.

Nishiyama (westelijke berg) Onsen (warmwaterbron) uit (de tijd) Keiunkan werd gesticht in 705 (niet 1705, maar 705) door de zoon van een adviseur van keizer Monmu (697-707), die tijdens de jacht een warmwaterbron ontdekte en daar een herberg rond optrok. Door de eeuwen heen verbleven er keizers, voorname samoerai en shoguns. De huidige zaakvoerder is van de 53ste ge­neratie. “Kijk,” zegt hij, zijn bureaulade opentrekkend, “twee cimbalen uit de jaren 1500. Gekregen van Takeda Shingen, de beroemde samoerai. U kent hem wel, van de veldslag bij Kawanakajima (in de 16de eeuw, red.). He liked this place.”

De zaakvoerder van Nishiyama Onsen Keiun­kan heet Kenjiro Kawano. Hij voelt het de hele tijd, elke dag, zegt hij, de druk van die erfenis. Die eeuwen. “Je leidt geen hippe koffiebar in de studentenwijk van Tokio. Je moet op een goede ma­nier omgaan met het verleden, in een moderne tijd. Veel hotels in Japan proberen westerse toeristen te lokken met westerse bedden. Zoiets doen wij niet. Hier slaap je op een futon (traditionele katoenen slaapmat, red.) op de grond.”

Behoorlijk dramatisch

Dat Japan een land is van tradities en waarden, weten we. Maar het begint te nijpen, in een geglobaliseerde wereld die het almaar meer moet hebben van snelheid en innovatie, waarin start-ups het voor het zeggen hebben en de wetten schrijven. Haast 60 procent van alle bedrijven in de wereld die vóór 1800 zijn opgericht, zijn Japans.

“Het is behoorlijk dramatisch”, had Tim Romero ons een week eerder verteld, toen we hem ontmoetten in de Starbucks aan het Shimbashi-station in Tokio. Romero is een Amerikaanse ondernemer die al een kwarteeuw in Japan woont en die gespecialiseerd is in start-ups. Hij helpt buitenlandse bedrijven contact te leggen en samen te werken met kleinere ondernemingen in Japan.

“In Amerika en Europa word je geroemd om je initiatief en je kleinschalig ondernemersschap”, zei Romero – “mensen zeggen: goed gedaan, als een jonge durver z’n eigen zaak opstart. In Japan word je gewantrouwd, en dan druk ik me nog vriendelijk uit. Iedereen wil bij een groot bedrijf horen. ‘Ik werk voor Mitsubishi’ – dát maakt indruk. Een kaartje met een naam erop. Een dertiger die voor zichzelf begint, dat hoort niet. Die vindt geen enkele klant. Een zelfstandige activiteit, dat is iets voor iemand van vijftig die afgedankt is en die geen kant meer op kan. Ja, dan heb je een probleem, in de economische realiteit van vandaag. Het zijn net de kleine, beweeglijke ondernemers die nu overal het verschil maken, die alles aanvuren.”

Enkele dagen voor we Romero ontmoetten, hadden we in de Japanse hoofdstad een afspraak met Mr. Kurokawa, een bedaarde man in een feilloos maatpak. Hij is de CEO van de Toraya-groep. Het bedrijf, tachtig vestigingen rijk, fabriceert wagashi, plantaardig snoepgoed dat buitengewoon populair is in Japan. Toraya werd opgericht in 1600, als hofleverancier van keizer Go-Yozei (1586-1611). Mr. Kurokawa is van de zeventiende generatie.

“Kijkt u eens”, zei hij fier, terwijl zijn assistente een half dozijn prachtige wagashi voor ons op tafel uitstalde. Ze hebben heerlijke namen – ze heten ‘Briesje uit Awa’, ‘Heimwee’, ‘Blijvende vrede’, en ‘Reis door de wolken’. “Deze hier,” zei Mr. Kurokawa, “zijn we beginnen te maken in 1907. Is nog altijd precies hetzelfde. Uitzicht, smaak, alles. En deze: 1914. De alleroudste, dat is die roze: ik geloof het midden van de achttiende eeuw. Ik moet het nakijken. Wilt u eens proeven?”

Ze smaakten voortreffelijk, de wagashi van Toraya.

Beeld Elise Vandeplancke

“Waarom zouden we innoveren óm te innoveren?”, vroeg Mr Kurokawa retorisch. “De mensen houden van onze producten zoals ze zijn. Ze vragen niets anders, ze verlangen enkel hetzelfde. Ik geloof dat bijvoorbeeld in de VS veel te veel na­druk ligt op het voortdurend vernieuwen van het aanbod. Zoals bij McDonald’s, inderdaad, u zegt het: ze lijken de druk te voelen om elke maand met iets nieuws op de proppen te komen. Terwijl het origineel vaak het beste blijft. Zo is dat.”

Ook in de bedrijfsvoering houden ze bij Toraya vast aan oude waarden en gebruiken. Het bedrijfsreglement stamt uit de jaren 1700, en de vijftien artikelen zijn vandaag nog tot op de letter van toepassing. Er staat in dat elke bedrijfsruimte elke ochtend stipt om zes uur grondig moet worden gepoetst, dat personeelsleden elk uur hun handen moeten wassen en hun mond moeten spoelen, dat als een klant grapjes maakt er niet mag worden meegegrapt, en dat er onder geen beding hooghartig mag worden gedaan, ook niet tegenover de minste leverancier.

Mr. Kurokawa is fier op die gedragsregels, en zijn werknemers ook, zei hij. Omdat ze de eer van het bedrijf helpen hooghouden. “Weet u, wij zijn niet zo uit op individueel succes. Wij zijn er allemaal voor de firma, ik als CEO zowel als de jongste werknemer. Uw Pierre Marcolini, die verleent zijn eigen naam aan zijn pralines. Dat is hier ondenkbaar. Bij ons is het alleen maar: Toraya. De traditie. De schoonheid. Winst maken is niet het allerbelangrijkste voor ons. In andere economieën ligt er daar veel te veel nadruk op: winst. Altijd maar winst. Ze vergeten de schoonheid. Beauty, you understand.”

Dat ik nog nooit een CEO van een groot bedrijf zo de lof van schoonheid had horen zingen, zei ik. Mr Kurokawa had, terwijl hij een langzame buiging maakte, geantwoord dat die opmerking hem met buitengewone trots vervulde.

Oorkonde

Bescheidenheid kenmerkt ook Kenjiro Kawano van het oudste hotel ter wereld. In de lobby staat, wat verstopt in een hoekje, de oorkonde van het Guinness Book of World Records die hij kreeg. Verder geen grote woorden, ook niet in de marketing. “Dat de gasten zich hier goed voelen is veel belangrijker”, zegt Kawano. “In de schoonheid van de omgeving en in de geest van de traditie. Wij hoeven niet beroemd te zijn. Ik leun niet graag op andermans reputatie” – met ‘andermans’ bedoelt hij zijn 52 voorgangers, sinds 705.

“Dat klinkt allicht allemaal wat raar voor iemand die de Japanse zeden niet gewend is,” zei Tim Romero, “maar het kapitalisme heeft hier altijd al iets gentlemanlike gehad. Het is veel minder agressief dan in Europa en – zeker – de VS. Er bestaat natuurlijk concurrentie, maar het is meer zoals... twee voetbalploegen die elkaar beconcurreren. Nu eens wint de ene, dan de andere. Je wilt wel winnen, maar je wilt de ander niet per se verpletteren. Bedrijven die elkaar publiekelijk afmaken, zoals McDonald’s en Burger King, of Coca-Cola en Pepsi, in de VS, dat komt hier niet voor. Dat is ondenkbaar.”

Sneller paard?

Dat zorgt er dan ook voor dat er op een andere manier jacht wordt gemaakt op de gunst van de consument. “Kwaliteit leveren is verschrikkelijk belangrijk,” zei Romero, “en customer care is paramount, maar Japanse bedrijven gaan wel minder op zoek naar wat klanten zouden kúnnen willen. Laat staan dat ze zich werkelijk op behoeftecreátie zouden gaan toeleggen. Zoals Henry Ford ooit zei: als ik had gevraagd wat de mensen wilden, hadden ze gezegd: een sneller paard. Laat het nu net, in deze nieuwe, rappe economische realiteit, dat zijn waar de nieuwe, rappe spelers het verschil maken. Japan is een elektronica-natie, maar het swipen is in Silicon Valley uitgevonden – dat was helaas iets waar de Japanse consument niet om gevraagd had.”

“Het is ingewikkeld”, had Tim Romero ten besluit gezegd, in het restje van zijn koude soy latte blazend. “Japanners zijn echt wel inventief, maar soms ook zo wereldvreemd. Ze maken een koffiemachine waarmee je ook kunt printen. Zonder zich per se af te vragen of iemand daar wel op zit te wachten. Ze missen voor een flink stuk de scherpte en de efficiëntie die vandaag, elders, door de start-upcultuur mee wordt ­opgewekt.”

In Nishiyama Onsen Keiunkan worden wij door een geruisloze gastvrouw naar onze tafel geleid voor het avondmaal. Zij maakt een buiging, gaat op haar knieën zitten, doet een lange uitleg in het Japans – niemand spreekt hier Engels – over wat er allemaal op het menu staat, en laat ons vervolgens anderhalf uur lang genieten van wagyu-beef, rammenas, misosoep, eikelnoedels, kisaragi, iets met geroosterde tarwe, ohiririjst, umami-consommé die de eetlust even neutraliseert, een soort bergaardappel waar je jeuk van krijgt als je hem aanraakt, maar wel heel voedzaam, een lokale zoetwatervis die op dennennaalden is gerookt en een resem andere schotels waar wij kop noch staart aan krijgen.

Het ­Nishiyama Onsen ­Keiunkan-hotel. ­Gesticht in 705 is het ­ het oudste nog bestaande bedrijf ter wereld. Beeld Marnix Peeters

Ook op het vlak van de catering is het take no prisoners in het oudste hotel ter wereld. Superlekker, maar voor gevorderden – je trekt er de touringcars niet mee aan. Er is geen vork te krijgen. “Zo wil ik het”, zegt Kenjiro Kawano. “Zo hebben we het altijd gewild. Wij staan open voor vernieuwing, maar dan zonder het verleden uit het oog te verliezen. We slaan een brug tussen de twee – een beetje zoals het shintoïsme dat doet, inderdaad.”

Wel zal Kawano weldra een cursus Engels gaan volgen, zegt hij, en wil hij ook zijn medewerkers daartoe aanzetten.

Het blijft in de familie

Een aanzienlijk deel van de Japanse bedrijven zijn familiebedrijven – zelfs reuzen als Suzuki en Toyota. Japanse ondernemers doen er alles aan om hun firma in de familie te houden, tot en met het officieel adopteren van kinderen als de werkelijke afstamming stokt. 98 procent van alle Japanse adoptiekinderen zijn volwassen mannen tussen 20 en 30.

Kenjiro Kawano is de allereerste leider van het oudste hotel ter wereld die níét officieel geadopteerd werd. Zijn voorganger, de 52ste nakomeling van stichter Mahito – was kinderloos. “Maar hij beschouwde me als zijn zoon”, zegt Kawano, “en ik hem als mijn vader. Ik ben 33 jaar bij hem in de leer geweest. Het was zwaar. Hij was een thunderfather, een dondervader, zoals wij zo iemand noemen. Pas toen hij helemaal overtuigd was dat ik álles wist wat er te weten viel, heeft hij het roer aan me overgelaten.”

Dat was vorig jaar. Kawano was toen 57 jaar oud.

“Ik ken mijn dondervader beter dan mijn vrouw”, zegt hij glimlachend.

Japan is tot diep in de negentiende eeuw een stabiele, conflictvrije, zo goed als feodale samenleving geweest – helemaal afgesloten van de buitenwereld, een maatschappij waarin je niet buiten je kaste mocht trouwen, je mocht zelfs niet verhuizen zonder ingewikkelde toestemming, en dat is volgens Tim Romero de belangrijkste reden waarom de economie zo oud is en zo lang zo stug is gebleven. Waarom eer zo’n belangrijke rol blijft spelen. Waarom er karoshi bestaat, dood door overwerk. Waarom zoveel mensen die hun job verliezen zelfmoord plegen.

“Je werk is de bron van alle status”, zei Romero. “Voor wie je werkt is belangrijker dan wie je bent. Als je iemand ontmoet, zeg je niet: ik ben John Smith en ik werk voor Sony, je zegt: ik werk voor Sony, ik ben er manager zus-en-zo, en oh ja, John Smith is de naam.”

Beeld Elise Vandeplancke

Tim Romero is getrouwd met een Japanse. Toen hij zeven jaar geleden besliste om zijn job bij Zurich Insurance op te geven en een eigen bedrijf te beginnen, kreeg hij dat maar met de grootste moeite aan zijn vrouw uitgelegd. “Aan mijn vrouw én aan mijn schoonmoeder”, zei hij lachend. “De vrouwen spelen een niet te onderschatten rol in deze zaak. ‘Je gaat wát? Minder verdienen én je reputatie te grabbel gooien? En waarom? Omdat het je gelúkkig gaat maken?’” Romero tokt met zijn wijsvinger tegen zijn slaap. “Het heeft best een hele poos geduurd.”

Freelancen?!

Premier Shinzo Abe heeft zich onlangs laten ontvallen dat freelancen geen schande is. In bepaalde gevallen kan het zelfs een meerwaarde zijn voor de economie, suggereerde hij.

Toen stond Japan – weliswaar ingetogen en gedisciplineerd – op z’n kop.

Volgens Tim Romero was het een dijkbreuk. “Japanners kijken altijd naar boven”, zei hij. “Als de premier zo’n uitspraak doet, luidt dat onvermijdelijk een mentaliteitswijziging in. Vorige zomer begonnen regeringsleden plots zonder das op televisie te komen. Binnen de kortste keren was het in de bedrijven aanvaard om zich ook zo te kleden – wat voordien volstrekt ondenkbaar was. Meteen kon in de zomer de airco in de kantoren een stuk lager – dat was van bij het begin het opzet geweest: energie besparen.

“Je kunt daar duizend maatregelen voor treffen en premies voor beloven, het werkt alleen als de mensen aan de top het voorbeeld geven. Abes ­uitspraken zijn dus goud waard, voor de start-upsector.”

En allicht voor bedrijven als Uber en AirBnB, die tot nu toe in Japan geen poot, in het geval van Uber, of toch maar een heel klein pootje, wat AirBnB betreft, aan de grond kregen. “Wat had je verwacht?”, zei Tim Romero lachend. “Firma's die zo’n onverholen aanval uitvoeren op de gevestigde orde, die de arbeidswetten en de regels en het beleid in vraag stellen? Japanners houden niet van die grijze zone. In Amerika heet het dat het gemakkelijker is om vergiffenis dan toestemming te krijgen. Hier is het precies omgekeerd.”

Antwerpse Handjes

We hadden voor Kenjiro Kawano van het oudste hotel van de wereld een doosje Antwerpse Handjes meegenomen. Op de ochtend van ons vertrek staat hij ons bij de receptie op te wachten, en overhandigt hij ons op zijn beurt een cadeautje. Het zijn twee handgemaakte betaalkaart­hoesjes.

We bedanken hem uitvoerig voor zijn tijd en zijn moeite en wensen hem veel succes met zijn onderneming, in het 1.313de jaar van haar bestaan. “Ik hoop het nu toch ook tot mijn tachtigste vol te houden”, zegt hij ernstig. Dan zal hij net zo oud zijn als zijn dondervader nu.

Hij heeft vast al over de opvolging nagedacht, suggereren we voorzichtig.

Kenjiro Kawano grinnikt.

Hij heeft een dochter, die werkte eerst in de verzekeringswereld, vertelt hij, maar ze is niet zo lang geleden tot het management van een groot hotel in Tokio toegetreden. Een jaar eerder had ze haar sommelierdiploma behaald. Ze volgde talenonderwijs, ze spreekt vloeiend Engels en Chinees. “Ik heb het gevoel dat ze langzaam in deze richting aan het opschuiven is”, zegt Kenjiro Kawano. “Het lijkt erop dat ze één voor één haar licenties aan het verzamelen is. Ik heb er nog nooit met haar over gesproken, maar ik zie de signalen. Ik houd mijn hart vast, ik bid, en ik hoop.”

Zo werkt dat dus vooralsnog, in een oude economie: bidden, en hopen.

Met steun van en dank aan het Marilo Fonds.

***

De Japanse premier wil het anders

Japan heeft een lange periode van dalende geboorte­cijfers, vergrijzing en een haperende economie achter de rug – ‘de verloren twee decennia’ genaamd. De ‘Abenomics’, de hervormingsvoorstellen van premier Shinzo Abe, moeten het tij keren. Abe wil de Japanse arbeids­markt flexibeler maken. Een grotere focus leggen op winst. Meer aandacht creëren voor vrouwen op de werkvloer. En: méér faillissementen. Pas als oude bedrijven verdwijnen, komt er ruimte vrij voor nieuwe initiatieven.

Het principe ‘creatieve destructie’ werd gedefinieerd door de invloedrijke Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter. Talent, vond Schumpeter, mag niet verkwanseld worden door het aan de redding van een oud, log bedrijf te spenderen. Het moet gebruikt worden om mee start-ups vorm te geven. Banken moeten daarom durven investeren in nieuwe initiatieven, in plaats van altijd maar op veilig te spelen. Abe wil het aantal startende en sluitende ondernemingen met 5 procent verhogen tot 10 procent, net als in de VS en het Verenigd Koninkrijk.   

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234