Vrijdag 02/12/2022

AchtergrondStorm op school

Hoe is het gesteld met de leescrisis in het onderwijs? ‘We moeten terug naar de essentie: eerst taal en rekenen, dan de rest’

null Beeld Vijselaar & Sixma
Beeld Vijselaar & Sixma

Al minstens vijf jaar woedt een hevig debat over de ‘leescrisis’, de vaststelling dat Vlaamse kinderen veel minder goed lezen en het ook veel minder graag doen. Is er sindsdien al wat veranderd in het klaslokaal?

Bart Eeckhout

Nog niet zo lang geleden was goed onderwijs dé trots van Vlaanderen, maar die tijd ligt achter de rug. Ook het nieuwe schooljaar start alweer onder een sombere hemel. De Morgen onderzoekt de grootste pijnpunten. Vandaag: de leescrisis.

‘Weet je wat ik pas onlangs weer beseft heb? Hoe moeilijk Nederlands als taal wel is.” Tot die nuchtere vaststelling kwam Danny Van Royen, leerkracht Nederlands op rust en voormalig directeur van het Sint-Jozef-­Klein-Seminarie in Sint-Niklaas toen hij, als gepensioneerde vrijwilliger, les ging geven in een onthaalklas voor anderstalige kinderen (OKAN). “De verleden tijd van slapen is ‘sliep’, maar van kapen ‘kaapte’. Vanzelfsprekend voor jou en mij, maar begin er maar aan als je zo’n taal van haar noch pluim kent.”

Misschien zit in die ene verbazend eenvoudige observatie – Nederlands is een verduiveld lastige taal – wel de kern van het probleem van het taal- en leesonderwijs. Dat de taal zo moeilijk aan te leren valt, kan bijvoorbeeld mee verklaren waarom kinderen met een andere thuistaal in internationaal opzicht juist in Vlaanderen en Nederland een grotere leerachterstand oplopen.

Vlaanderen is, samen met enkele Scandinavische landen, één van de regio’s met het grootste verschil in gemiddelde schoolprestatie tussen autochtone leerlingen en leerlingen met een migratie­achtergrond. Diversiteit neemt in alle ­Europese samenlevingen toe, maar de ingewikkeldheid van het Nederlands zou weleens een hogere barrière kunnen opwerpen voor vreemdelingen die hier terechtkomen.

Aan menig ontbijttafel zal nu geïrriteerd gezucht worden. Want klinkt dat niet als zo’n typische ‘handjes in de lucht, er valt niets aan te doen’-verklaring van de relativisten, die zelfs nu nog altijd het probleem niet zien? Toch niet. De onderschatting van de moeilijkheidsgraad van het ­Nederlands kan ook verklaren waarom de leesvaardigheid van alle groepen leerlingen – goede en minder goede presteerders – achteruitgaat.

Er is de voorbije decennia en jaren simpelweg te weinig zorg en tijd besteed aan degelijk taalonderricht. Nederlands werd een vak dat we er wel even bijdeden, dat onderwijstijd moest afstaan aan nieuwe of andere vakken. Taal kreeg de voorbije jaren niet de aandacht die STEM-vakken wel kregen, juist vaak ten nadele van dat taalonderricht.

“Nederlands is een servicevak geworden”, getuigt Sherisse Vermeulen, leerkracht taal in aso- en tso-scholen in Antwerpen. “Van de leerplannen gaat zo’n 80 procent over taalvaardigheid. Alsof taal enkel om communicatie draait, wat dan in de andere vakken van pas komt. Terwijl het juist andersom zou moeten zijn, dat die andere vakken ertoe bijdragen dat kinderen goed Nederlands leren. Dat goed lezen en graag lezen ook op zichzelf belangrijk is, dringt maar moeilijk door. Terwijl prestaties voor Nederlands een goede voorspeller zijn voor algemene slaagkansen. Wie zwak scoort op taal, zal maar moeilijk vooruitkomen.”

Dat de situatie ernstig is, is geen nieuws. Opeenvolgende internationale testen laten een snelle achteruitgang zien van de schoolprestaties in het lager en secundair onderwijs, zowel op vlak van begrijpend lezen als van wiskunde en wetenschappen. Vlaanderen, zo leert het PISA-onderzoek uit 2018, is een van de gewesten waar de leesvaardigheid van middelbare scholieren de voorbije vijftien het felst achteruit is gegaan... samen met Nederland. Het aantal leerlingen dat de minimale norm niet haalt neemt toe en ligt intussen al op 19,3 procent.

Eerder had ander onderzoek (PIRLS 2016) al dezelfde verontrustende trend getoond voor begrijpend lezen bij kinderen van het vierde leerjaar in het lager onderwijs. Geen enkel land ging qua leesprestaties in tien jaar tijd meer achteruit dan Vlaanderen. Het lijdt geen twijfel dat dezelfde verontrustende ontwikkeling zich zal doorzetten in de opvolgstudie PIRLS 2021, waarvan de resultaten dit jaar nog volgen.

Cultuuroorlog

De opeenvolging van alarmberichten heeft een cultuuroorlog ontketend over de vraag wat de oorzaak is van de neergang. Ruw geschetst staan twee ideologische kampen tegenover elkaar: ‘instructivisten’ versus ‘constructivisten’. De eerste groep bepleit een terugkeer naar klassiekere onderrichtmethodes, gericht op kennisopbouw; de tweede vindt dat leerlingen vooral weerbaar moeten gemaakt worden in een snel veranderende wereld, en dat ‘kunnen’ belangrijker is dan ‘kennen’. Omdat de constructivisten in de didactiek nogal de overhand hebben gekregen, schuiven de instructivisten hen de verantwoordelijkheid voor de dalende prestaties in de schoenen.

Van dat ressentiment is ook het recente rapport van de Commissie Beter Onderwijs doordesemd. “Al decennia worden zelfontdekkend leren en constructivistische methodes als ‘nieuw’ en ‘progressief’ voorgesteld, terwijl in dezelfde periode een massa wetenschappelijk onderzoek én de klaspraktijk aantoonden dat klassieke methodes vaak beter werken”, staat er te lezen in het eindverslag.

Philip Brinckman, hoofdauteur van het rapport en directeur van Sint-Jozefcollege in Turnhout, legt uit: “Kinderen worden overrompeld door informatie, maar er is geen tijd om die om te zetten in kennis. Te lang is aangenomen dat dat geen probleem is omdat Google alles wel oplost. Dat is een misverstand. Het gaat niet over lijstjes met Europese hoofdsteden vanbuiten blokken. Leren lezen vergt ook ‘kennis’, net zoals leren fietsen.”

Helemaal ongegrond is die analyse niet. Klassieke leermethodes werden afgebouwd, leerdoelen aangepast. In het taalonderwijs in de lagere school verdwenen spraakkunst, spelling en woordenschat naar het achterplan. Omdat te veel leerlingen erover struikelden terwijl ze die specifieke kennis in hun latere schoolloopbaan niet of nauwelijks nodig hebben. Maar wie minder woorden kent en verdwaalt in lange zinnen, zal meer moeite ondervinden bij het lezen, zal daar minder plezier uit halen en zal dat lezen proberen te ontwijken. Kinderen met een kansrijke omgeving redden zich nog wel, met hulp van het thuisfront, de anderen blijven achter.

Minder instructietijd

Het goede nieuws is dat zo goed als niemand nog twijfelt aan de diagnose. “Diversiteit en een veranderende leescultuur hebben ze in Ierland ook, en daar scoren ze wel goed in de internationale tests”, weet Steven Delarue, hoofdredacteur van het taalonderwijsblad Fons. Delarue wordt doorgaans tot de constructivistische tendens gerekend, maar zijn analyse loopt grotendeels gelijk met die van de conservatievere stemmen.

“Het grote probleem is dat er minder instructietijd naar lezen gaat. Er wordt minder tijd besteed aan het leren lezen, omdat taal vaak plaats moet delen met nieuwe, maatschappelijke opdrachten.” Philip Brinckman formuleert het wat scherper, maar zegt exact hetzelfde. “Het curriculum is overwoekerd. We moeten terug naar de essentie: eerst taal en rekenen, dan de rest.”

“We weten eigenlijk erg weinig over hoe in Vlaamse klassen concreet lesgegeven wordt”, zegt Kris Van den Branden, hoogleraar taalkunde aan de KU Leuven, onderwijsexpert en net als Delarue vaak ingedeeld bij de constructivisten. “De impact van de verminderde lestijd is natuurlijk een sterke hypothese. Tussen 2006 en 2016 zou 40 procent minder onderwijstijd naar begrijpend lezen gaan, maar ook dat weten we enkel op basis van enquêtes onder leerkrachten. Over hoe die lestijd dan ­verloopt, weten we niets. Worden de juiste teksten wel geselecteerd? Hoe bespreekt de leerkracht die teksten in de klas? Ook dat zijn belangrijke elementen.”

Ook dat hoor je terug bij alle experts en ervaringsdeskundigen. Jan Van Damme, professor-emeritus in de pedagogie en gerenommeerd onderzoeker naar onderwijs­effectiviteit, baarde ophef toen hij in 2019 in een verzamelstudie de algemene achteruitgang van de onderwijskwaliteit in Vlaanderen in kaart bracht.

“Wat me opviel, was dat scholen uit het GO-net sneller de daling inzetten, terwijl de vrije (katholieke) scholen langer standhielden. Daar is de voorbije tien jaar pas een scherpe daling ingezet. Mijn idee is dat een verkeerd begrip van de eindtermen hier een nefaste rol heeft gespeeld. In het GO-net zijn die snel en algemeen van minimumnorm naar algemene maatstaf geëvolueerd, in de vrije scholen met hun eigen leerplan heeft dat langer geduurd.”

“Ik zag het voor mijn ogen gebeuren”, zucht Danny Van Royen, oud-directeur uit het vrije net. “Leerkrachten wilden toch blijven inzetten op zinsontleding, dictee of opstellen. Dan kwam de inspectie langs met een vermanend vingertje: dat staat niet in de eindtermen, u maakt het de klas nodeloos lastig.” Ook elders wordt subtiel gewezen op de verantwoordelijkheid van de onderwijsinspectie in de nivellering naar beneden.

Rol van de leerkracht

Er is nog iets: de rol van de leerkracht. Jan Van Damme: “Leerkrachtenopleiders ­klagen sinds jaar en dag over de kwaliteit van de instroom. Wat nieuwer is, is dat scholen de jongste jaren ook klagen over de uitstroom uit de opleiding.” Een gevoelig punt, want in tijden van lerarentekort is het weinig motiverend om de leerkrachten die er wel zijn te bekritiseren. Toch beaamt ook Van Royen: “De jongere generatie leerkrachten is zelf grootgebracht met minder aandacht voor correct schrijven of lezen. Hoe wil je dan dat ze het goede voorbeeld geven?”

En toch. Zonder naïef of overdreven optimistisch te willen klinken, lijkt er wat te veranderen. “Het urgentiegevoel is groot”, bevestigt Steven Delarue. “Overal groeit de aandacht voor leesonderwijs. Proefprojecten gaan van start, pedagogische begeleiding en naschoolse vorming hechten er veel belang aan.” Scholen experimenteren met leeshoekjes, vaste leesmomenten in de klas of samenwerkingen met bibliotheken of schrijvers.

Het Vlaamse Leesoffensief, een initiatief van de Vlaamse Regering om de leesvaardigheid op te krikken, coördineert de inspanningen sinds vorig jaar. Scholen kunnen een ‘leesscan’ doen, waarbij duidelijk wordt waar nog verbetering mogelijk is. Al blijft Delarue wat op zijn hoede. “Het is een mooi theoretisch kader, maar het moet nu ook concreet wat opleveren in de klassen.”

Verandering in het onderwijs voltrekt zich per definitie traag. Toch vallen ook in de klas al hoopgevende sprankeltjes te zien. Danny Van Royen: “Toen ze de koalatest voor kleuters, een test die taalkennis en taalachterstand meet, invoerden, dacht ik eerst ook: wat is dat nu weer? Maar op de school waar ik in het bestuur zit, legde die test een tekort aan verhalenbegrip bloot. Er werden wel verhalen gelezen, maar veel kleuters bleken ze achteraf niet te kunnen navertellen. Nu weten we dat we op dat specifieke punt een extra ­inspanning moeten leveren.”

Zachtjes, heel zachtjes keert de tanker, stellen ook Philip Brinckman en Kris Van den Branden met opmerkelijke eensgezindheid vast. “Het kan nog jaren duren voor we resultaten zien, maar het bewustzijn dat er wat moet veranderen is groot”, zegt Van den Branden. Brinckman heeft gelijkaardige hoop: “De weg is nog lang. Inspecties moeten mee, directies moeten mee. Gezellig zal het niet altijd zijn, maar er is wel een kentering aan de gang. In De Zondag zei Lieven Boeve, directeur-generaal van het vrije onderwijs, dat leren en kennis verwerven soms lastig is, maar ook plezierig kan zijn. Dan denk ik: tiens, dat zou hij een paar jaar geleden niet zo gezegd hebben.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234