Donderdag 24/06/2021

Hoe ik in één dag kunstkenner werd

Het jaar 1967 . Ik was net achttien geworden toen en lag thuis bij mijn ouders op de sofa een boek te lezen. Het betrof Harry Mulisch' Bericht aan de rattenkoning.

Ik verslond het boek werkelijk in no time en beeldde me daarbij graag in dat ik zelf in die rumoerige straten van Amsterdam aan het demonstreren was. Ik zag mezelf als een stuk langharig tuig dat met één welgemikte beweging een vette rookbom tegen die potsierlijke gouden koets keilde waarin prinses Beatrix en haar nieuwe man, de mof Claus von Amsberg, over de Dam paradeerden.

Ik las gretig over het klootjesvolk, over de provo's, over het wittefietsenplan, over de antirookmagiër Jasper Grootveld, over de Kabouterpartij, over hoe op tweehonderd kilometer van waar ik zat te lezen niets anders dan een Magies Sentrum was ontstaan. Want daar ging dat boek over.

Ik werd plotseling bevangen door een onweerstaanbare drang om voor het eerst in mijn leven lijfelijk aanwezig te zijn in dat eigenste Amsterdam waar, dat was wel duidelijk, op dat moment een kritiese geest hing die snel voor een revoluutsie zou gaan zorgen en waar de dichter Johnny The Selfkicker en passant ook snel het rappen uitvond door een helemaal met 'vrienden van de poëzie' volgelopen Theater Carré te schofferen met de ontelbare malen herhaalde hitsige kreet: "Kom toch eens klaar, klootzak!"

Ik wilde dus naar Amsterdam en omdat het leven toen nog simpel was, stapte ik op het Brusselse De Brouckèreplein op een tram nr. 52 en reed ik daarmee tot aan de noordelijke stadsgrenzen, daar waar de Latijnse wereld ophoudt en Strombeek-Bever begint.

Ik stak mijn duim in de lucht en een goed anderhalf uur later belandde ik al in Breda, waar ik na nauwelijks drie minuten wachten opgepikt werd door een vrachtwagenchauffeur die naar Utrecht moest, maar die mij uiteindelijk helemaal in hartje Amsterdam afzette, ja zelfs pal tegenover dat bewuste Theater Carré.

Meteen hield ik van die stad. Niet vanwege die poppenhuisjes waarin later echte mensen bleken te wonen, niet vanwege die vingerhoeden waaruit je er bier moest drinken, of die vettige kroketten die met iets onwelvoeglijks bruins gevuld waren.

Nee, ik hield van de beat of the street die daar tastbaar aanwezig was, van de vrolijke geur van rebellie die ik overal kon ruiken, van de kleurrijke mensen die in het Vondelpark schijnbaar zorgeloos lagen te liggen, van het rondhangen op het Spui, waar je een Nieuwscentrum had waar je toen al de New Yorkse stadskrant The Village Voice kon kopen of zelfs het allereerste nummer van Rolling Stone Magazine, met John Lennon op de cover, zoals die te zien was in de antioorlogsfilm How I Won the War.

Daar stond ik dus, op dat Spui. Met netjes gekamd haar dat alleen maar in potentie lang was, met slome kleren die veel te bruin en te beige waren voor die tijd en die ook helemaal uit de toon vielen bij al de flowerpowermotieven die daar de rigueur waren en door die vrolijk voorbijflitsende blommenkinders met zo'n sierlijke nonchalance werden gedragen dat ik er zo ontzettend jaloers van werd.

Mijn plan was om in de open lucht te slapen, in het Vondelpark. Of desnoods bij het Monument op De Dam, tussen die "weke pacifistenkliek" waar Boudewijn de Groot over zong in zijn protestlied 'Welterusten, mijnheer de president'.

Maar toen het tijd was om mijn bedje te spreiden ben ik toch maar veilig gaan aankloppen bij de jeugdherberg op de Kloveniersburgwal, waar ik het meteen aan de stok kreeg met een conservatieve Brit die in een vlaag van totale verbijstering stellig beweerde dat zijn beroemde landgenoten die lid waren van de muziekcombo's The Beatles en The Rolling Stones muzikaal eigenlijk helemaal niks voorstelden.

Ik herinner me zijn vervelende kop tot vandaag de dag nog haarfijn. En ik ben er zeker van dat hij oprecht blij was toen drie jaar later in het schilderachtige Düsseldorf vier lelijkaards de elektronische muziek uitvonden onder de gemeenschappelijke noemer Kraftwerk.

Sedert die dag haat ik alle snobs hartstochtelijk. Al was ik er zelf ook een, natuurlijk. Want toen ik precies 24 uur aanwezig was in de Nederlandse hoofdstad stapte ik een zaak voor kantoorbenodigdheden binnen met de bedoeling daar een veeleer chic notaboek aan te kopen alsook een zogenoemd Bristol Pencil (een potlood waarvan één kant rood was en de andere kant blauw!) om mij dan naar het Rijksmuseum te begeven met geen enkele andere bedoeling dan door enige zelfstudie nog diezelfde dag een expert in de schilderkunst te worden.

Het leven was nog simpel toen, of heb ik dat al gezegd? Er bestond in elk geval nog geen massatoerisme en softe begrippen als 'citytrippen' of 'cultuurweekendje' bestonden gelukkig ook nog niet, met het gevolg dat ik daar op een doordeweekse dinsdag plotsklaps helemaal alleen voor Rembrandts indrukwekkende De nachtwacht kwam te staan.

Ik monsterde het meesterwerk heel even met een perfecte imitatie van een kennersblik en liep toen een paar meter vooruit, tot vlak bij het schilderij - ook dat kon toen nog- en daarna stapte ik weer een paar meter achteruit terwijl ik vakkundig één oog dichtkneep. Ik deed daarna of ik wat nadacht en ging toen op een bankje zitten tegenover die enorme gulden lijst waarin het tafereel te zien is dat voluit 'De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren' heet.

Ik zat wat te lang en te pensief op dat bankje en merkte plotseling dat de suppoost mij al een beetje argwanend gadesloeg. Om me een houding te geven haalde ik toen maar mijn pas ge- kochte notaboekje en mijn nog nooit gebruikte Bristol Pencil boven en begon ik wat te schrijven.

Ondertussen waren er tussen mij en Rembrandt een handvol Japanners komen staan. De suppoost joeg hen weg met een handgebaar en liet de verbaasde Aziaten verstaan dat ik helemaal niets meer kon zien terwijl ik toch duidelijk notities aan het maken was.

De Japanners gingen hoffelijk opzij. Ik kribbelde nog wat verder in mijn boekje en verdween toen, na nog een dankbare knik naar de suppoost, alweer de straat op richting Weteringschans.

Toen ik aan de overkant van de brug was gekomen, keek ik nog eens in mijn blocnote om te zien wat ik nu eigenlijk zo ijverig genoteerd had.

Er stonden slechts twee leesbare woorden op het dure papier geschreven, te weten: De nachtwacht.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234