Zondag 22/05/2022

Hoe het monster zich tegen zijn maker keerde

Terreurgroep Al-Qaeda is voortzetting van destijds door VS gesteunde Afghan Bureau

De achttien kapers die zich dinsdag met passagiersvliegtuigen te pletter vlogen in New York, Pennsylvania en Washington waren volgens het FBI merendeels lid van de extremistische Egyptische organisatie Islamitische Jihad. Hun leider zou een luitenant zijn geweest van Al-Qaeda, de koepelorganisatie van de gezochte terrorist Osama bin Laden. Voor nogal wat Amerikanen wordt het straks misschien vreselijk schrikken. Tot voor de val van de Muur was deze organisatie de beste vriendjes met nogal wat westerse inlichtingendiensten, zoals de CIA. Sterker nog, de afgelopen jaren bleek meer dan eens dat de organisatie tot vandaag gebruikmaakt van mensen die niet zo lang geleden de volle steun genoten van het Witte Huis.

Maarten Rabaey

Op 6 april veroordeelde een rechtbank in het Amerikaanse Los Angeles de Algerijn Ahmed Ressam tot een zware celstraf voor negen aanklachten van terrorisme. Ressam maakte deel uit van een cel die in Amerikaanse steden bomaanslagen plande tijdens de millenniumvieringen. Het complot werd door toenmalig president Bill Clinton en zijn veiligheidsdiensten op rekening geschreven van de Saoedische terrorist Osama bin Laden, die zich schuilhoudt in Afghanistan, van waaruit hij een wereldwijde koepelorganisatie van extremistische moslimorganisaties leidt: Al-Qaeda, De Basis.

Ressam (33) schreef juridische geschiedenis toen hij op hetzelfde ogenblik van zijn Amerikaanse veroordeling in Frankrijk bij verstek veroordeeld werd tot vijf jaar cel, omdat hij tot "een ondergronds netwerk van islamitische militanten behoorde, met vertakkingen van Canada tot Turkije". Ook de Franse autoriteiten gingen er van uit dat Ressam werkte onder de koepel van Al-Qaeda. Fateh Kamel, die Algerijnse en Canadese paspoorten heeft, was de vermoedelijke leider van de cel.

Via Kamel onderhield Ressam contacten met een slapend netwerk in Europa dat 'safe houses', onderduikadressen, en wapens voorzag aan de Groupes Islamiques Armées (Gia), de schimmige terreurorganisatie die in Algerije dood en verderf zaait. Beide veroordeelden maakten ooit deel uit van de zogeheten 'bende van Roubaix', een terreurcel die jarenlang opereerde vanuit de vervallen arbeidershuisjes in de voorstad van het Franse Rijsel, op een boogscheut van de Belgische grens.

De terreurcel van Roubaix werd ontmanteld in 1996, na een hevig vuurgevecht met Franse antiterreureenheden, waarbij vier vermeende terroristen werden gedood. Verscheidene verdachten slaagden er echter in om te ontsnappen naar Bosnië, waar ze eerder vochten en trainden bij moslimmilities.

Ressam en Kamel belandden daarna in Afghanistan, waar ze in 1998 en 1999 voor het eerst training kregen in kampen van Bin Laden. Daar kregen ze toen de missie om aanslagen te plegen in de VS. Ressam faalde echter. Hij werd gearresteerd op 14 december 1999, toen hij vanuit Canada met een ferry de grens overstak. In zijn wagen werd 58 kilogram zware explosieven aangetroffen, alsook materiaal om bommen te maken, waarmee hij volgens de onderzoekers Los Angeles International Airport moest opblazen.

Behalve in Roubaix werden de afgelopen jaren ook in Spanje, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk vermeende terreurcellen opgerold waarin mensen werden aangetroffen die in Afghanistan hadden getraind. Zo arresteerde de Spaanse politie op 22 juni van dit jaar Mohammad Bensakria in Alicante. Bensakria was de leider van het zogeheten Meliani-Commando, dat op 26 december 2000 door de Duitse antiterreurbrigade GSG9 werd opgerold in Frankfurt. Er werden daar ook nauwe banden blootgelegd met Italië. Daar zijn op 4 en 5 april vijf Tunesiërs gearresteerd op verdenking van het leveren van valse identiteitspapieren aan de extremisten in Duitsland, maar ook aan mensen in België. De leden van het Meliani-commando bekenden te zijn opgeleid in Afghanistan.

Het Centraal-Aziatische land is het steeds terugkerende verband tussen de verschillende terreurcellen. Dat komt omdat Osama bin Laden er trainingskampen op het getouw zette voor strijders die wereldwijd een jihad, een heilige oorlog, moeten voeren. In de kampen van Bin Laden zouden nu minstens tweeduizend tot vijfduizend strijders uit de hele Arabische wereld actief zijn, afkomstig uit onder meer uit Egypte, Algerije en de Golfstaten. In deze landen worden ze onder meer geronseld in extremistische organisaties zoals de Egyptische Gamaa al-Islamiya en Islamitische Jihad.

De achttien geïdentificeerde kapers die dinsdag in de VS de zelfmoordaanslagen pleegden, zouden volgens de laatste gegevens bijna allemaal lid zijn geweest van de Islamitische Jihad. Hun leider is volgens de laatste gegevens een topluitenant van Al-Qaeda.

De opleidingskampen zijn volgens westerse bronnen gelegen in het zuiden van het land, nabij de steden Kaboel, Kandahar en Jalalabad, maar ook aan het front ten noorden van Kunduz. Het zijn deze kampen die wel eens het doelwit zouden kunnen vormen van Amerikaanse vergeldingsaanvallen.

Een van de concrete bewijzen dat Bin Laden de leider is van de trainingskampen, werd aangetroffen in Jordanië, waar in verband met de geplande milleniumaanslagen van Rezzam eind 1999 meerdere mensen werden gearresteerd. Zij hadden diskettes bij zich waarop details stonden over de kampen, de logistiek en de financiële operaties van Bin Ladens Al-Qaeda. Eén arrestant was afkomstig uit Boston, waar dinsdag twee rampvluchten vertrokken.

Veel westerse inlichtingenagenten schrokken zich wel een hoedje toen ze de logistieke structuur van Al-Qaeda onder ogen kregen. Het militante panislamitische netwerk blijkt niets minder dan het hedendaagse broertje van de Maktab al Khidmat lil-Mujahidin al-Arab (MaK), beter bekend als het Afghan Bureau.

Het Afghan Bureau had tot doel om moedjahedien, heilige strijders, te ronselen voor de oorlog tegen de Sovjets die in 1979 Afghanistan waren binnengevallen. De voornaamste fondsenwerver voor MaK was Osama bin Laden, de zoon van een steenrijke Jemenitische bouwmagnaat, die fortuin maakte in Saoedi-Arabië. De diepreligieuze Bin Laden werd landbouwingenieur en zakenman, maar trok vooral de wereld rond om geld en strijders te werven voor een jihad die hij toen tegen de ongelovige Sovjets richtte. Hij werd daarbij geholpen door vele inlichtingendiensten, met op kop de Amerikaanse CIA en de Pakistaanse Inter Services Intelligence (ISI). Door Bin Laden werden toen al duizenden strijders aangeworven en miljoenen dollars verzameld.

Veel geld werd geleverd door banken van het Saoedische koningshuis, die het doorsluisden via een twintigtal niet-gouvernementele organisaties zoals de International Islamic Relief Organisation (IIRO) en het Islamic Relief Agency, organisaties van de World Islamic League. Beide zamelden onder het mom van islamitische liefdadigheid bij veel doodbrave moslims wereldwijd geld in.

Na de terugtrekking van de Sovjets in 1989 ging Bin Laden echter niet op zijn lauweren rusten. Hij besloot om zijn fondsen en netwerk aan te wenden om over de hele wereld gewapenderhand moslims te helpen die in zijn ogen slachtoffers waren van onderdrukking. Toen de VS en zijn geallieerden een jaar later tegen Irak de Golfoorlog begonnen, veranderde hij dan ook resoluut het geweer van schouders. Vanaf nu was Washington een vijand.

Bin Laden zocht toevlucht bij fundamentalisten in Soedan en later bij de Taliban in Afghanistan. Het MaK was Al-Qaeda geworden, maar de structuur bleef gelijk: zijn financieel comité, dat nog altijd beroep doet op een deel van het IIRO-netwerk. Het IIRO op de Filippijnen wordt bijvoorbeeld nog steeds geleid door Bin Ladens schoonbroer Jamal Mohammad Khalifa, die er het Moro Bevrijdingsfront en Abu Sayyaf mee steunt. Khalifa woont in de Golf, van waaruit hij de fondsen doorsluist.

Maar lang niet alleen liefdadigheidsorganisaties financierden Bin Laden. "Tot zijn staatssponsors behoorden Soedan, Afghanistan en Iran", zegt dr. Rohan Gunaratna van het Britse Centre for the Study of Terrorism and Political Violence in Jane's Intelligence Review. "Pakistan heeft Bin Ladens terreurcampagne niet rechtstreeks gesteund, maar gebruikt wel honderden Afghanistan-veteranen die onder de vleugels voor Al-Qaeda vechten, zoals de Harakat ul Mujahidin. Deze militie wordt door Islamabad ingezet bij het bevechten van Indiase troepen in Kashmir. Daarnaast beschikt Bin Laden nog steeds over zijn persoonlijk fortuin, dat op 280 tot 300 miljoen dollar wordt geschat. Ondanks het feit dat verschillende bronnen zeggen dat hij aan de grond zit, blijft hij significante fondsen ontvangen van onder meer zijn familie. Zijn broer heeft belangrijke investeringsprojecten lopen in Mauritius, Singapore, Maleisië en de Filippijnen. Hij handelt onder meer in diamanten."

Volgens onderzoek van Gunaratna hebben bijdragen van Bin Laden rechtstreeks gediend voor het financieren van safe houses, hotels en wagens die door terreurcellen in Europa zijn gebruikt. Er werden ook onderdelen mee aangekocht om explosieven te maken. De VS was bijvoorbeeld in staat om vijfduizend dollar te traceren die door Bin Laden werd doorgesluisd om er in oktober 2000 het Amerikaanse marineschip USS Cole mee op te blazen.

Toch ligt de grote sterkte van Al-Qaeda niet alleen in geld. Zowel de daders van de aanslagen op Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, in 1998, als Ressam en zijn kompanen bereidden hun terreurdaden uiteindelijk voor met relatief beperkte middelen, zoals kredietkaartfraude. De sterkte van Al-Qaeda ligt in de bereidheid van zijn opgeleide elite om zelfmoordaanslagen te plegen, maar vooral door een sluipende infiltratie in bonafide moslimgemeenschappen, of zelfs de overheidsstructuren van staten.

"Al-Qaeda heeft een grote capaciteit om zich in elke moslimgemeenschap te mengen", stelt Gunaratna. "Individueel zijn Al-Qaeda-ledenlid geworden van moslimorganisaties van Nieuw-Zeeland tot India, en de organisatie is zowel geïnfiltreerd in autoritaire als democratische staten. In de autoritaire staten van het Midden-Oosten, vooral in de olierijke Golf, hebben ze de steun weten te verwerven van islamistische filantropen en stichtingen. In opkomende democratieën infiltreren ze door goederen en diensten te verlenen aan moslims in nood. In democratieën leggen ze banden met invloedrijke moslimgemeenschappen. De bomaanslagen van 1998 illustreerden hoe verschillende Al-Qaeda-infiltranten gedurende verschillende jaren als sleepers zich onder de lokale bevolking hadden gemengd."

Na zijn arrestatie getuigde hoofdverdachte Mohammad Sadeek Odeh tegenover het FBI dat ze opereerden in meerdere cellen, één voor de planning en één voor de uitvoering, waarbij de een niet noodzakelijk op de hoogte is van de ander. Ze communiceren via een 'dead mail drop', zoals een postbus.

De bevelen uit het buitenland voor de ambassadeaanslagen werden gegeven via satelliettelefoon. De openbare aanklagers ontdekten tussen 1996 en 1998 tal van telefoongesprekken tussen de latere daders en Khaled al Fawwaz, een Saoedische dissident die in Londen als 'persverantwoordelijke' Bin Ladens mededelingen verspreidde, zoals de fatwa die hij in 1998 uitsprak over alle Amerikaanse burgers. Fawwaz publiceerde ze destijds in de Londense Arabische krant Al-Quds. Een paar weken geleden werd op gelijkaardige wijze in een Londense Arabische krant een nieuwe dreiging met een 'grote aanslag' van Bin Laden aan het adres van de VS (zie pagina 24).

De VS waren ook gewaarschuwd over de potentiële aard van de aanslag. Toen in 1995 op de Filippijnen de laptopcomputer in beslag werd genomen van Ramzi Youssef, die later veroordeeld zou worden voor de eerste WTC-aanslag in 1993 (zes doden en duizend gewonden), werden verregaande plannen gevonden om elf commerciële vliegtuigen te kapen die vanuit Azië naar de VS zouden vliegen.

Amerikaanse media vroegen zich gisteren voor het eerst voorzichtig af waarom de inlichtingendiensten met al deze kennis niet meer konden doen om de structuur van het netwerk Bin Laden te ontmantelen. Het antwoord zal voor veel Amerikanen wellicht confronterend zijn, maar veel wijst erop dat de inlichtingendienst CIA het niet deed uit opportunisme. De CIA is altijd (dubbelz)innige contacten blijven houden met zijn Pakistaanse evenknie van de Inter Service Intelligence (ISI), zijn voornaamste bondgenoot ten tijde van het Afghan Bureau. Dat het ondertussen sterk geradicaliseerde ISI de voornaamste steunpilaar is geweest van de Taliban en strijders van Bin Ladens Al-Qaeda gebruikte in Kasjmir, werd in Washington niet gesmaakt, maar Pakistan blijft voor de VS in de regio een strategische bondgenoot, gezien de energievoorraden die zich in Centraal-Azië bevinden en waar de VS hun zinnen op hebben gezet.

Volgens onderzoeksjournalist Wayne Madsen van het magazine In These Times werden de banden tussen het ISI en CIA tijdens de eerste maanden van het bewind van George W. Bush zelfs nauwer aangehaald. Madsen: "Pakistani en Taliban waren er tuk op om de oude banden weer aan te knopen met de vroegere CIA-chef voor Zuid-Azië, Richard Armitage, die nu VS-onderminister is van Buitenlandse zaken. Ze zochten ook Christina Rocca aan, assistent-minister voor Zuid-Azië. Rocca is een veterane van het Operations Directorate van de CIA, een positie waarin ze vroeger contacten had met islamistische guerrillero's. Rocca had onlangs nog een ontmoeting in Islamabad met Mullah Abdus Salam Zaeef, de Taliban-ambassadeur in Pakistan."

De precieze inhoud van de gesprekken raakte niet bekend, maar volgens Madsens bronnen bij de Pakistaanse Jamiaat-i-Islami Party, de fundamentalistische beweging van Pakistan die de Taliban trainden, reisde een hoge Jamiaat-functionaris, Qazi Husein Ahmad, onlangs naar Washington, waar hij zijn vroegere contacten uit de Reagan- en Bush I-regering opzocht. Ahmad was al de tweede islamistische extremist die op het CIA-hoofdkwartier in Langley was verwelkomd. Net na het aantreden van George W. Bush vergaderde Taliban-ambassador-at-large, Rahmatullah Hashami, met de CIA, het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Pentagon.

Deze vergadering was belegd door Laili Helms, de officieuze vertegenwoordigster van de Taliban in de VS, en ook een aangetrouwde nicht van ex-CIA-directeur Richard Helms. Minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell was volgens Madsens bronnen 'geschokt' dat de inlichtingendienst banden onderhield met de Taliban en Pakistaanse islamisten, maar "haalde het niet tegen de CIA-lobby".

Volgens Madsen zou de CIA wel eens een vreselijke vergissing hebben begaan door de opgang van de extremisten onder zijn dubbelzinnige bondgenoten verkeerd in te schatten. Want, schrijft hij: "Het worst-casescenario dat nu de ronde doet bij Iraanse bronnen, is dat functionarissen van de ISI aan twintig terroristen valse paspoorten gaven om door Europa te reizen en de VS binnen te komen. Als dat klopt, zou naast Kaboel ook Islamabad wel eens het doelwit kunnen worden van een vergeldingsaanval." Zich wellicht van deze risico's bewust, repte de ISI-leiding zich na de aanslagen dinsdag meteen naar Washington, waar ze haar volledige medewerking aan het FBI-onderzoek beloofde.

Voor Madsen dringt zich nu al een parlementaire onderzoekscommissie op om de, minstens impliciete, Amerikaanse steun aan Bin Ladens beschermheren in Pakistan na te gaan. "Als de herstel- en rouwperiode over is, zullen de CIA en heel wat Bush-functionarissen die nauwe contacten onderhielden met de Taliban door het Congres ondervraagd moeten worden over de aard van hun relaties met de beschermers van Bin Laden", schrijft hij. "Het Amerikaanse volk heeft recht om te weten waarom sommigen in de Bush-administratie, in woorden en daden, stilzwijgend steun gaven aan een overheid die een vluchthaven verschafte aan een man die de grootste massamoordenaar van Amerikaanse burgers kan worden in de geschiedenis van onze natie."

'Als de herstel- en rouwperiode over is, zullen de CIA en heel wat Bush-functionarissen die nauwe contacten onderhielden met de Taliban door het Congres ondervraagd moeten worden over de aard van hun relaties met de beschermers van Bin Laden'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234