Dinsdag 07/07/2020

Hoe de Wetstraat zichzelf de brousse in stuurt

De frontale botsing van Karel De Gucht (Open Vld) met Steven Vanackere (CD&V), de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, legt het fundamentele dilemma bloot dat de Belgische politieke elite al jaren parten speelt als het gaat over Congo, voorheen Zaïre. Moeten we Kinshasa zoveel mogelijk negeren én confronteren, zoals de Gucht voorstelt? Of is het alleen door de contacten aan te halen dat België pas invloed heeft, zoals Vanackere propageert?Door Walter Pauli

Toch is de discussie zoals die tussen De Gucht, Vanackere en vader en zoon Michel van relatief recente datum. Bij en na de onafhankelijkheid was het niet eens voorwerp van debat, of Brussel al dan niet zoete broodjes moest bakken met ‘Léo’ - Leopoldstad dus, zo heette Kinshasa toen nog. Alle partijen vonden dat nagenoeg vanzelfsprekend. Het tegenovergestelde werd pas als een probleem gezien: als de Congolese regering afstand nam van Brussel. Dat werd de eerste premier van dat land, Patrice Lumumba, uiteindelijk ook fataal. Het omgekeerde betekende ook het lange leven van de latere president Joseph-Desiré Mobutu: hij was de man van Brussel - en van Washington, natuurlijk. Althans, dat was één kant van het verhaal. De andere kant leert dat Motubu er bijzonder handig in slaagde om Brussel, veel meer dan Washington, naar zijn pijpen te doen dansen. Hij zag namelijk scherp in dat de omstandigheden in zijn voordeel speelden. Zijn land was verschrikkelijk rijk en strategisch cruciaal gelegen. En dat tijdens de Koude Oorlog. En dus kon de elite uit Kinshasa, net als zoveel andere Afrikaanse dictators die aan de westerse kant stonden, zich werkelijk alles permitteren.Vooral omdat en de Belgische politieke klasse en de Brusselse haut-finance, getraumatiseerd waren door de gewelddadige onafhankelijkheid. Het hele land vond dat ‘hun’ en ‘onze’ belangen per definitie gelijkaardig waren. En dus werd de nieuwe Congolese elite vooral gevleid: opdat ze vriend met België zouden blijven. Uit ons eigen belang. Een zeldzame dissidente stem was de Gentse professor Jef Maton, tevens ondervoorzitter van de Volksunie. Vanuit zijn Vlaams-nationaal bewustzijn durfde Maton als eens stekelig uit de hoek komen in verband met Congo en de Belgische ‘belangen’ aldaar, en dat had ook te maken met zijn immer kritische blik van deze VU’er tegen de overwegend francofone Société Générale/ Generale Maatschappij, toen de alomtegenwoordige holding die de Belgische economie omzeggens controleerde - en ook de Congolese.

Fase een: Zaïre leidt en België volgt

Het was voor de Brusselse salons dus echt een schok toen Mobutu in de late jaren zestig ineens zijn ‘authenticiteitsprogramma’ uitwerkte. Mobutu, een elitaire schurk van het zuiverste soort, bediende zich daarvoor zonder de minste scrupules van linkse en democratische argumenten. Links, want Mobutu ging bijvoorbeeld in december 1966 over tot de nationalisatie van maatschappijen als Union Minière de Haut-Katanga: dat werd Gecomin, vanaf 1971 Gecamines. Hij had zelfs geen ongelijk, in principe, want tot dan golden in zijn land regels die nog onder Leopold II waren uitgewerkt, winstgevend voor de Belgen en nadelig voor de Congolezen. In de praktijk bleef ook na de nationalisatie weinig te verbeteren voor 99 procent van die Congolezen. Wel integendeel.Mobutu klonk ook democratisch, zeker in een era dat de hele wereld het ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’ centraal stelde. Volgens die tijdgeest kieperde men alle koloniale symbolen overboord, of wat hij als ‘koloniaal’ werd gedefinieerd. Alle geografische namen veranderden, in de eerste plaats die van het land, van Congo naar Zaïre. Net zo gebeurde met de kleding van de notabelen en van hemzelf; hij wisselde zijn Europese uniform en kepie à la Boudewijn in voor zijn beruchte mutsje in luipaardvel. In het kader van de ‘authenticité’ moesten ook mulatten hun naam Afrikaanser doen klinken. Zo heette de half-joodse academicus en latere premier Lén Lobitch voortaan Léon Kengo wa Dondo. Eén notoire uitzondering: Mobutu zelf bleef Joseph-Désiré: “Je reste chrétien et catholique, tout simplement pour respecter la religion de mes parents.” Hij authenticiseerde wel zijn achternaam: na Mobutu kwam voortaan ‘Sese Seko Kuku Ngbendu Wa Za Banga’ erbij.Dat lijkt misschien lachwekkend, maar het gaf het Mobuturegime, ondanks zijn corruptie, een geweldige opstoot van populariteit bij het volk, en zeker bij de kaders en de middenklasse, die in hun fierheid gesteund werden. En de verzamelde Belgische politieke elite, van links tot rechts, kwam niet veel verder dan Mobutu steunen en hem blijven steunen, en ondanks de nationalisatie om economische compensatie smeken - of om correcte uitbetaling van de ‘schadevergoedingen’ die bij die nationalisatie afgesproken of op zijn minst beloofd waren. Beloftes die Mobutu introk wanneer het hem zinde en vooral uitkwam. In haar nog altijd lezenswaardige Mobutuboek Le Dinosaure schetste journaliste Colette Braeckman een levendig beeld van de Brusselse milieus die Mobutu ‘in de zak’ had: het ACV hoorde daartoe, met voorzitter Jef Houthuys, met zijn openlijke steun aan de katholieke missies en zijn discreter gelobby voor christelijke ondernemingen, Etienne Davignon van de Société Générale, liberalen als Herman De Croo, maar ook handenvol journalisten en academici. Niet verwonderlijk dat onder zo grote zakelijke en maatschappelijke druk ook weinig politici een vuist maken. De merkwaardigste was de socialistische eerste minister Edmond Leburton, die zelfs door zijn eigen troepen lachend ‘le grand chef blond’ werd genoemd, naar analogie van die andere ‘grand chef’ uit Afrika. Leburton gaf zijn leven lang geen krimp: “In 1974 nam men mij kwalijk dat ik naar Zaïre trok. Het Belgische ACEC dong op dat moment mee naar een contract voor werken aan de Inga II-stuwdam. Er was een Duitse kaper op de kust. Ik pleitte ginds om de bestelling toch aan ACEC te geven. Wat was daar mis mee?”Onder Leburton waren de relaties op hun best. Mobutu liet zijn minister van Buitenlandse Zaken, Nguza Karl-I-Bond, graag ‘Viva M’Bomma, pataten en saucisen’ zingen. Hij daagde de (zeer Nederlandsonkundige en hoogst vrijzinnige) Leburton zelfs uit dat Karl-I-Bond beter ‘Vlaams’ sprak dan de Belgische premier. En om hem te overtuigen, moest ‘Nguz’, zoals hij werd genoemd, het Onze Vader reciteren dat de paters hem destijds hadden geleerd. Zelden was neokolonialisme zo prettig voor de oud-gekoloniseerden als in die tijd.

Fase twee: rellen, ruzies en reünies

Maar in de maatschappij-kritische tijdgeest van de jaren zeventig werd het steeds minder gepikt dat een baarlijke dictator zomaar gesteund werd. Dat hij voor zijn beate vriendschap met de heersende Zaïrese klasse onder vuur lag van zijn eigen Jong-Socialisten, de ruige Luc Van den Bossche voorop, deerde een Belgische premier als Leburton niet: “Ik heb altijd een zekere minachting voor mensen die anderen voortdurend de les spellen. Dat is een belediging voor alle intelligente Zaïrezen die niet ten onrechte opmerken dat bij ons ook corruptie is.” Niet alleen de premier, vooral koning Boudewijn en koningin Fabiola maakten van een pro-Zaïrese politiek een belangrijk punt, en Mobutu werd gezien als een huisvriend in Laken.Het plaatje veranderde in de late jaren zeventig. Ook in eigen land kon Mobutu bijwijlen de oppositie niet meer baas. Eerst in 1977, en zeker in 1978 was er een militaire opstand in Kolwezi, in de provincie die toen ‘Shaba’ maar nu weer ‘Katanga’ heet, en die alleen met behulp van Belgische en vooral Franse para’s bedwongen kon worden. Premier Paul Van den Boeynants twijfelde niet: Mobutu moest geholpen worden. Stabiliteit voor alles, zelfs als die in bloed gesmoord moest worden. Toch werden bij die opstand zo’n 170 Europeanen vermoord. Ook dat was een constante factor van angst (in Brussel) en chantage (in Kinshasa): de duizenden Belgen die toen nog in Zaïre woonden, de blijvende economische belangen.Er kwamen nog grotere barsten. Om redenen die Mobutu niet kon voorspellen, namelijk intern-Belgische. Toen in 1978 de unitaire socialistische partij BSP splitste in een Franstalige PS en een Vlaamse SP, bleven de Franstaligen redelijk pro Zaïre, en waren de Vlamingen plots anti. Dat komt omdat de Vlamingen amper banden hadden met de Société Générale, en de PS van André Cools hoopte via een ‘pact’ het armlastige Wallonië er economisch weer bovenop te krijgen. Die tweedeling speelt tot vandaag door. En de nieuwe SP-voorzitter Karel Van Miert, een politicus met een sterke internationale interesse, zette ‘Zaïre’ hoog op de politieke agenda. Voortaan was er in België, althans in Vlaanderen, een zware anti-Mobutustroming, zij het voornamelijk vanuit linkse hoek.De regeringen van de jaren tachtig, bestaande uit christendemocraten en liberalen, begonnen zich steeds onwenniger te voelen. Kinshasa jende hen openlijk, en zij deden alles om de Zaïrezen te behagen en ‘onze belangen’ te verdedigen. Hun prijs was ondankbaarheid. Op een reis in 1981 improviseerde premier Wilfried Martens zijn beroemde toespraak in Inga: “Ik hou van dit land, zijn volk en zijn leiders.” In zijn memoires probeerde Martens zich eruit te praten dat hij het over ‘dirigeants’ had - meervoud - en dat dit dus geen hulde voor Mobutu was, maar zo werd dat toen niet begrepen.Vooral omdat het make-up was. Leo Tindemans, in die tijd minister van Buitenlandse Zaken, hield een dagboek bij. Zijn aantekeningen over Zaïre zijn één lange litanie van vernederingen, plagerijen, pogingen tot corruptie, ruzies en ‘misverstanden’. Twee voorbeelden - het hadden er ook 139 kunnen zijn:“17 juli 1982. ’s namiddags komt er een telefoontje. Ik moet Kengo (wa Dondo, wp) bellen. Die weet me te vertellen dat Mobutu zeer opgewonden is. Hij beschouwt namelijk de uitnodiging om naar België te komen (die hij nota bene zelf eiste!) als een provocatie. Hij is vernederd etc. (...) De koning zou een nieuwe brief naar Mobutu hebben geschreven. Daarin verklaart hij de reactie van de president goed te begrijpen. Alles kan bij het komende bezoek van Mobutu worden geregeld. Ik stel me vragen bij wie dit de koning in het oor heeft gefluisterd.”“1 augustus 1986. Gesprek met Kagela, hoofd van de dienst Europa op BZ van Zaïre. Hij vraagt me ervoor te zorgen dat ABOS zijn twee villa’s in Zaïre huurt tegen een derde meer dan de normale huurprijs. Hij was verbaasd dat ik niet meespeelde.”

Fase drie: Brullen en barsten

Uitgerekend tijdens de laatste regering van Wilfried Martens kraakt het oude model. Dat komt niet door Martens of zijn nieuwe buitenlandminister, Mark Eyskens, die door middel van hun mislukte ‘diplomatie van de grote meren’ nog één amechtige poging zullen doen om het oude model op te kalefateren. Wel door de nieuwe coalitie, een met de zo Zaïrekritische socialisten. Het begin van het einde is een bloedbad dat elitetroepen in mei 1990 aanrichtten op de campus van de universiteit van Lubumbashi. Zelfs voor Boudewijn en het hof was de maat vol. Toen de Belgische koning in 1993 stierf, bleek Mobutu persona non grata op diens begrafenis, tot immens chagrijn van de Zaïrese diplomatie.Maar toen al voerde vooral de SP-top, via vicepremier Willy Claes en de jonge partijvoorzitter Frank Vandenbroucke, de druk op. Beiden zouden kort nadien minister van Buitenlandse Zaken worden, beiden ook kort trouwens, maar die passage was wel beslissend. Met behulp van hun kabinetschef Lode Willems, een diplomaat die ook in Kinshasa had gediend, werkten zij een zeer nieuw concept uit. Het kreeg definitief gestalte in februari, met het rapport ‘België en subsarahaans Afrika. Agenda voor een nieuwe dialoog en een nieuwe samenwerking’.Nieuw was het echt wel. De lijn was heel strak: België wilde nog wel samenwerking met Afrikaanse elites die zich verantwoordelijk toonden voor de toekomst van Afrika, die ‘good governance’ nastreefden, maar niet meer met de oude corrupte kliek. Vandaar dat Claes en Vandenbroucke zich meer richtten op zuidelijk Afrika, waar de door het ANC van Nelson Mandela gedomineerde regering die richting leek in te slaan. Vanuit Franstalige hoek, PS incluis, werd geïnsinueerd dat die koerswijziging er kwam wegens oude Vlaamse loyauteiten met het apartheidsregime, maar dat was onzin. Voor Zaïre was de consequentie duidelijk: er werd gestopt met alle bilaterale contacten op niveau van de regering. Er werd wel nog ingezet op hulp via ngo’s. Want ook dat speelde bij de SP-top mee: men wilde niet toegeven aan het latente gevaar, namelijk inspelen op het aanwezige populisme ‘dat die Afrikanen hun plan trekken’. Vandenbroucke en co. waren nog altijd van mening dat de Belgen een historische verantwoordelijkheid droegen. Alleen namen ze die verantwoordelijkheid anders. Ze keerden het Mobuturegime de rug toe.De nota kreeg in internationale diplomatieke kringen veel aandacht. Vandenbroucke mocht zijn visie zelfs gaan uitleggen in Washington, waar de Clintonregering er veel aandacht voor had. Een ander aspect ervan was namelijk dat België alleen niets meer in de pap te brokken had: onze Zaïrepolitiek zou internationaal zijn - met de EU en/of de VS - of niet zijn. Het zou al te veel eer toekennen zijn aan die nota om de val van Mobutu, al in 1996, erdoor te verklaren. Maar het is wel een feit dat Clinton zijn oude vriend Mobutu niet meer te hulp kwam toen de rebellen met Laurent-Desiré Kabila de macht grepen. De Koude Oorlog was gedaan, de Oude Bondgenootschappen hadden hun zin verloren. En Kabila had wel een marxistisch verleden, iedereen wist dat hij gesteund werd door internationale zakengroepen, niet het minst uit Zuid-Afrika. Ook daar was een wapenindustrie, mijnbouw, expertise inzake diamanthandel.De Belgische leeuw had gebruld, het Mobuturegime was gebarsten, en onder Kabila werd Zaïre weer Congo. Maar wat nu? Na het spoorslagse vertrek van Vandenbroucke uit de regering, in 1995, wegens de Agustacrisis, werd Erik Derycke minister van Buitenlandse Zaken, maar die woog niet zo zwaar. Jean-Luc Dehaene trok ‘Afrika’ meer naar zich toe, onder meer door de ervaren diplomaat Johan Swinnen als zijn eigen expert aan te trekken, en ontwikkelingssamenwerking toe te vertrouwen aan zijn Congogerichte partijgenoot Reginald Moreels. Maar ook al barstten toen al de gruwelen in Oostelijk Congo los en toonde Moreels wel veel dadendrang, het voormalige kopstuk van Artsen Zonder Grenzen vulde dat ook persoonlijk en zogezegd charismatisch in, door zelf naar het belegerde Kisangani af te reizen. Veel lijn zat er echter niet in.

Onder paars zou alles anders worden. Guy Verhofstadt en zijn buitenlandminister Louis Michel probeerden een ‘andere’ politiek uit, een van de uitgestoken hand. Die werd versterkt door gestes met zware symboliek: de excuses van Verhofstadt in Kigali voor de Belgische fouten bij de Rwandese genocide, en de Kabila’s, die zich als politieke erfgenamen zien van Lumumba, waren ingenomen met de parlementaire onderzoekscommissie naar de aloude moord op Lumumba. De CVP in de oppositie spuwde gif om ‘zoveel onzin’.Werkte het, of niet? Eigenlijk was Louis Michel graag nog veel verder gegaan. Hij wilde in 2002 koning Albert naar Congo doen afreizen, op officieel staatsbezoek, en kreeg daarvoor veel steun uit eigen partij, en ook van PS’ers als André Flahaut. VLD’ers als Herman De Croo wilden ook mee, maar toen al was Karel De Gucht zeer tegen. Om politieke redenen, maar ook om economische. “Wat zouden wij nog een Congopolitiek kunnen spelen? Wij hebben niet meer de ondernemingen om zo iets te kunnen. De Generale Maatschappij bestaat niet meer.”Het beeld was diffuus. Het regime werkte nog altijd niet behoorlijk, de oorlog in Oost-Congo is uitzichtloos en neemt genocidaire vormen aan voor de bevolking. Michel had voortdurend de verdenking op zich dat hij reed voor zijn vriend Georges Forrest, een in Congo uiterst actieve zakenman.Maar de context is anders, want ook Zuid-Afrikanen, Indiërs en vooral Chinezen zijn gewilde partners in Congo. Wat Claes, Vandenbroucke en co. in de jaren negentig verkondigden, werd almaar duidelijk: alleen internationaal kan België nog iets betekenen. Dat zag men bij de verkiezingen van 2006: Duitsland nam daar als EU-voorzitter de leiding, legde een ordentelijke organisatie op, en dat werkte. Redelijk goed zelfs; toen het de oppositie van Bemba daagde dat men verloren had, staken zij wel het Hooggerechtshof in brand, maar dat is een mineur incident vergeleken met de rellen die uitbraken na de verkiezingen in Kenia, naar Afrikaanse normen nochtans een behoorlijk goed bestuurd land.Toen was Karel De Gucht al minister, en was de nieuwe verzuring tussen Brussel en Kinshasa een feit. De Gucht schrijft zich in in de lijn dat bilaterale contacten zinloos zijn als het regime ginds niet mee wil. Hij voegt er een factor aan toe. Moesten Leo Tindemans en Wilfried Martens zich door de Congolezen soms nog het onbeleefdste gedrag laten welgevallen, dan schrikt De Gucht er niet voor terug de Congolezen zelf bewust te schofferen. Uitgerekend in Kigali gaan zeggen dat in Kinshasa geen goede bestuurders zijn, in de stad van een regime dat mee verantwoordelijk is voor de bloedbaden in Congo, dat is het conflict zoeken. Maar dat genereert natuurlijk applaus, ook van zij die ‘Out of Africa’ om populistische redenen hoog in het vaandel hebben staan. De politiek van De Gucht vandaag lijkt op die van Vandenbroucke destijds, maar verschilt er ook mee.Er is echter ook het alternatief: het conflict vermijden, zoals de nieuwe buitenlandminister Steven Vanackere doet, daarin gesteund door zoon Michel en al zij die hopen en mikken op een ‘goede vrienden’-relatie, met een te hoog seventiesgehalte. Vader en zoon Michel, ‘le gros chef Belge et son fils’. Wat zou België alleen kunnen opwegen tegen China?Tenzij de nieuwe Belgisch-Congolese vriendschap vooral andere doelen heeft dan het lot van de Congolezen. Voor de Michels, en eventueel Vanackere: tonen dat ze internationaal meespelen, handen schudden op de vijftigste verjaardag van l’indépendance, doen alsof ze economisch iets in de pap te brokken hebben. Voor Kabila en co.: het fêteren van de nieuwe goede relatie met de Belgen. Die stelt amper wat voor, op altijd welgekomen schoon geld na, maar wat weet de modale Congolees daarvan?In die context dient de buitenlandse politiek zoals gevoerd door de huidige regenten, puur binnenlandse agenda’s, en dat zowel in België als in Congo.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234