Donderdag 23/01/2020

Hoe de Nederlandse staatsveiligheid tien jaar lang haar eigen communistische partijtje in leven hield

Begin jaren zeventig heeft de Nederlandse staatsveiligheid een virtuele maoïstische partij opgericht, die gedurende tien jaar verwarring stichtte in communistische gelederen en zelfs de Chinese en Albanese partijtop zo knap wist te misleiden dat ze financiële steun kreeg van Peking. Operatie-Mongool was een spectaculair succes.

Georges Timmerman

Een van de onweerstaanbaar grappige scènes in De scepter van Ottokar is die waarin Kuifje het volstrekt lege Syldavische restaurant Klow binnenstapt. "Hoe vreemd, een klant!", reageert de restauranthouder beteuterd. Zo ongeveer moeten de agenten van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) zich gevoeld hebben als iemand zich onverhoopt meldde om lid te worden van de Marxistisch-Leninistische Partij Nederland (MLPN). Die partij bestond namelijk niet en had nauwelijks echte leden. Het was een creatie van de Nederlandse staatsveiligheidsdienst.

Peter Boevé, de toenmalige secretaris-generaal van de MLPN, een man met een indrukwekkende zwarte baard, vertelde deze week smakelijke verhalen over zijn avonturen als leider van de neppartij in het Nederlandse tv-actualiteitsmagazine Nova. Hij haalde gnuivend herinneringen op aan zijn bezoeken aan Peking, waar hij als vertegenwoordiger van de Nederlandse kameraden met alle egards werd ontvangen door de top van de Chinese communistische partij. Hij prijkte meermaals met Mao Zedong op de foto en tijdens het staatsiebanket zat hij als eregast naast Zhou Enlai, die naar Chinees gebruik persoonlijk met zijn eetstokjes de garnalen en andere lekkere brokjes op het bord van de Nederlander deponeerde.

Het grootste probleem was het volpennen van het partijorgaan De Kommunist, zo vertelde de ex-secretaris-generaal. In het blad verschenen uiteraard lange epistels tegen het Amerikaans imperialisme en het verfoeilijke kapitalistische systeem, geheel in het jargon, de progressieve spelling en destijds gebruikelijke onleesbare lay-out. Het orgaan van de MLPN werd nota bene gedrukt in de huisdrukkerij van de BVD.

Drie agenten van de dienst waren gedurende tien jaar fulltime in de weer om de virtuele partij in stand te houden. Pas na het overlijden van de Grote Roerganger in Peking stierf het project een stille dood. Een handvol insiders en onderzoeksjournalisten hadden al een vermoeden dat er iets niet pluis was met de MLPN. Maar het onwaarschijnlijke verhaal wordt nu voor het eerst bevestigd door Frits Hoekstra, een ex-kaderlid van de BVD, in zijn zopas verschenen boek In dienst van de BVD.

Hoekstra (58) werkte aanvankelijk voor de LUID, de militaire inlichtingendienst van de Nederlandse luchtmacht. Van 1971 tot 1987 bekleedde hij verschillende functies bij de BVD, inmiddels omgedoopt tot Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIDV). Hoekstra werkte onder meer als analist heimelijke politieke beïnvloeding bij de afdeling Communisme van de politieke directie B, de afdeling die zich bezighield met binnenlandse dreiging, en later als chef van de operationele afdeling. Momenteel is hij chef veiligheid van de Nederlandse Gasunie.

In tegenstelling tot de meeste boeken van ex-inlichtingenmannen is het geen rancuneuze afrekening geworden, integendeel. Hoekstra wil bewijzen dat de BVD een nuttige rol heeft gespeeld in de Nederlandse samenleving. Hij ergert zich aan het feit dat vooral de missers en blunders van zijn dienst in de media komen, terwijl de succesvolle operaties systematisch onderbelicht of onbekend blijven. De publicatie van zijn boek, waarvoor hij overigens geen toestemming kreeg van zijn vroegere bazen, ziet Hoekstra als een vorm van public relations.

"Ik heb me steeds geërgerd aan het feit dat wij in de jaren zeventig en tachtig als een stel sukkels van buitengewoon reactionaire snit werden neergezet, die met een McCarthy-achtige verbetenheid jacht maakten op communisten en alles wat rood en links was", verklaarde Hoekstra aan NRC Handelsblad. "Ik wil laten zien dat er professioneel en gewetensvol werd gewerkt, en dat dat werk ook maatschappelijke relevantie had."

Tenslotte zijn er vele miljoenen aan belastinggeld naar de geheime dienst gegaan, redeneert hij, dus is het normaal dat daarvoor publieke verantwoording wordt afgelegd.

'Active measures, door met desinformatie, valse vlagoperaties of anderszins de tegenstander op het verkeerde been te zetten, behoren bij uitstek tot het arsenaal, de trukendoos, van offensieve inlichtingendiensten", legt Hoekstra uit. De belangrijkste tegenstander van de BVD in de jaren zeventig was de toen nog relatief machtige CPN, de communistische partij van Nederland, destijds geleid door de autoritaire hardliner Paul De Groot.

De Groot volgde een parlementaire koers en weigerde een keuze te maken in het toenmalige conflict tussen Moskou, dat onder Chroesjtsjov het stalinisme had afgezworen, en Peking, dat vasthield aan de stalinistische lijn. Op de verwarring en de tegenstellingen die deze ideologische polemiek veroorzaakte binnen de gelederen van de Nederlandse communistische beweging, wist de BVD handig in te spelen. Dat gebeurde onder meer via het sturen van anonieme brieven waarmee verdeeldheid werd gezaaid binnen de CPN-top, het plaatsen van infiltranten in vrijwel alle communistische organisaties (alleen al bij de CPN had de BVD er bijna tweehonderd), het stimuleren van afgesplitste communistische partijtjes en tenslotte met de creatie van een virtuele maoïstische partij; "een façade met daarachter een geheel door de BVD vervaardigde zuivere ideologie in woord en geschrift".

De operatie was een onderdeel van project-Mongool en werd opgezet in nauwe samenwerking met de Amerikaanse CIA. "Het CIA-station in Den Haag kreeg ruimhartig inzicht in de operatierapporten van het project Mongool", meldt Hoekstra. "Speciaal voor het target China was er een CIA-officier in Den Haag gestationeerd." Het project bezorgde de Nederlandse inlichtingendienst in elk geval "een goede internationale reputatie" bij de bevriende zusterdiensten, vooral de CIA.

De spil van het project was Peter Boevé (76), codenaam Sipier, ook bekend onder zijn partijnaam Chris Petersen, de secretaris-generaal van de MLPN en de man met de zwarte baard. Hoekstra beschrijft hem als "een goed ontwikkelde agent, die een heel behoorlijke maatschappelijke positie in het onderwijs bekleedde". Boevé, die in het boek niet met name wordt genoemd, werd weliswaar door de BVD gewantrouwd. Als hij terugkeerde van zijn reizen naar Peking of Tirana maakte hij regelmatig tussenstops in andere steden, onder meer Kopenhagen. De dienst vermoedde dat hij daar een Russische inlichtingenofficier ontmoette, voor wie hij wellicht ook werkte. Het werd ook mogelijk geacht dat de tussenstops "te maken hadden met de (homo)seksuele hobby's van de man, die hij voor zijn Nederlandse omgeving verborgen wilde houden".

De neppartij werd verder opgetuigd met nog enkele BVD-agenten, onder wie CPN-leden "die er hun bekomst van hadden gekoeioneerd te worden door CPN-partijdictator Paul De Groot". Volgens Hoekstra wisten drie agenten in het centrum van de partij van elkaar dat zij voor de dienst werkten. "De overigen, die als kamervulling op 'celvergaderingen' dienden of een functie vervulden in de mantelorganisatie Stichting Nederland-Albanië, hadden de illusie met een echte partij van doen te hebben." Net zoals de echte maoïsten was de MLPN opgedeeld in kleine cellen van niet meer dan vier personen, zodat de leden nooit zicht kregen op de werkelijk omvang van de organisatie.

Om de schijn op te houden produceerde de virtuele partij op een aftandse stencilmachine regelmatig stakingsoproepen, die in de vorm van aan de poort van bedrijven uit te delen pamfletten werden verspreid. "Die pamfletten dienden ervoor om de façade van een echte partij zo goed mogelijk aan de Chinese vertegenwoordiging, later de Chinese ambassade, te kunnen tonen", verklaart Hoekstra.

Volgens de ex-agent was het niet zozeer de bedoeling de CPN te verzwakken, al was dat mooi meegenomen, dan wel om een goed zicht te krijgen op het gele gevaar. "Het was belangrijk te weten in hoeverre vanuit Peking op subversieve wijze invloed werd uitgeoefend en/of spionage werd bedreven", schrijft hij. "Het was de bedoeling via de MLPN een goed inzicht te krijgen in aard en omvang van deze revolutionaire groepen." Hoekstra geeft geen antwoord op de vraag of de vermoedens klopten dat de maoïstische partijtjes inderdaad werden ingezet voor spionage en of ze financieel werden gesteund door Peking. Als gevolg van operatie-Mongool werd de BVD wel in staat gesteld om de vrees voor de maoïsten tot zijn ware proporties terug te brengen en kwam men tot de conclusie dat de maoïstische aanhang "wel luidruchtig, maar heel klein" was.

Een onderdeel van de strategie was ook om andere maoïstische groepen bij de Chinezen zwart te maken. Dat leek aardig te lukken, want de MLPN werd jarenlang door de partijtop in China en Albanië beschouwd als de ware vertegenwoordiger van de revolutionaire leer in Nederland. "Dat bracht ook financiële steun mee", aldus Hoekstra, "waardoor de BVD een deel van de kosten van de operatie 'terugverdiende'. Dikwijls werd het geld cash betaald met uit Albanië afkomstige buitengewoon muf stinkende Amerikaanse dollars, die deel zouden zijn van de oorlogsbuit uit de Tweede Wereldoorlog, die ergens in een vochtige ondergrondse bergplaats jarenlang opgeslagen was geweest."

Kenners van de maoïstische beweging in Nederland reageren niet verbaasd op de onthullingen van Hoekstra. "Je zag ze nooit ergens, niet bij stakingen, niet bij acties", zegt publicist Hans Schoots in Het Parool over de MLPN. "Met heel veel moeite heb ik ooit de naam van één lid van ze gekregen, een wat verwarde student uit Nijmegen." Uit verslagen van vergaderingen uit die tijd blijkt dat diverse maoïstische groepen toen al een bruin vermoeden hadden dat de MLPN verregaand door de BVD was geïnfiltreerd.

In zijn boek beschrijft Hoekstra ook uitgebreid de affaire-Gardiner, een zaak die in ons land destijds veel stof deed opwaaien en waarvoor Hoekstra als chef operaties verantwoordelijk was. John Gardiner was een mysterieuze Canadese undercoveragent, die naar hijzelf beweerde in opdracht van de Amerikaanse geheime diensten was geïnfiltreerd in het vredeskamp in het Nederlandse Woensdrecht, waar actie werd gevoerd tegen de plaatsing van nieuwe Amerikaanse kernraketten.

Gardiner en zijn onbekende medestanders pleegden op 29 maart 1984 een diefstal in een munitiebunker van de militaire basis in Florennes, een basis die net als Woensdrecht in aanmerking kwam om er kernraketten te installeren. De dieven gingen er aan de haal met 193 obussen, bestemd als bewapening voor de Mirages van de Belgische luchtmacht. In een bericht aan de krant Vers l'Avenir werd de diefstal opgeëist door een onbekende organisatie die zich Comité d'Intervention Anti-militaire (CIA) noemde en als reden voor de diefstal opgaf: "Het uittesten van de beveiliging."

Volgens Hoekstra was het de tweede man van de CIA in Den Haag, Bill Boyd, die Gardiner spontaan had aangeboden aan de BVD. "But, such an infiltration is of course your responsibility, not ours", zei de CIA-man erbij. "Natuurlijk had het er alle schijn van dat de Amerikanen hier een spelletje speelden", stelt Hoekstra, maar de infiltrant kwam goed van pas en werd ingeschakeld om de Nederlandse dienst te informeren over "geplande gewelddadige acties door kampeerders in het vredeskamp in Woensdrecht".

Na de diefstal in Florennes belde Gardiner vanuit een benzinestation naar de BVD met de vraag wat hij met de gestolen vliegtuigmunitie moest doen, zo leert het boek van Hoekstra. Daarop gingen BVD'ers de munitie ophalen in Rosendaal en werd ze opgeslagen in het souterrain van het BVD-hoofdkantoor in Den Haag. Hoekstra kreeg vervolgens opdracht om zo snel mogelijk van spullen af te komen. Het gaf niet hoe.

"Onder het motto dat gestolen waar naar de rechtmatige eigenaar terug moet", schrijft hij, "werd contact gezocht met de Belgische zusterdienst, de Veiligheid van de Staat. Hoewel die met dank de naam van de Belgische medepleger van de diefstal noteerden, een zekere Rudy Daems, waren ze niet blij met het verzoek de munitie terug af te halen en aan hun luchtmacht terug te bezorgen. Hoofd operaties van de dienst, Luc Delvoye, liet in een gesprek achteraf weten: "Ge hebt toch zoveel water daar in Nederland, hadt ge het niet gewoon daar in kunnen smijten!" Maar graag of niet, de Belgische collega's kwamen ruim een week later toch naar een afgesproken parkeerplaats nabij een hotel in Breda om daar de munitie over te nemen. Omdat de onderlinge verhoudingen in België tussen de verschillende diensten onbegrijpelijk slecht was (men kende bij de Veiligheid van de Staat niemand van de luchtmacht!), kozen de Belgische collega's ervoor de kist ergens op een parkeerplaats langs een autoweg te zetten en als anonieme vinder de rijkswacht te verwittigen." De rest van het verhaal is bekend. Terwijl de politiediensten volop aan de gang waren met het ondervragen van vredesmilitanten liep er bij de BOB van Leopoldsburg het anonieme telefoontje binnen waarin gemeld werd dat de munitie in Tessenderlo, aan een afrit van de autosnelweg Antwerpen-Hasselt, teruggevonden kon worden. De beller beweerde voorts dat Rudy Daems bij de diefstal was betrokken. Op de aangegeven plek vond de rijkswacht 180 van de 193 gestolen granaten. Bij nader inzien bleken ze op een boogscheut van de ouderlijke woning van Daems te liggen. De dertien ontbrekende obussen waren inmiddels teruggevonden in Woensdrecht in de caravan van Gardiner.

Rudy Daems, nu Vlaams parlementslid voor Groen! en destijds als student een bekend vredesactivist, had een paar dagen voor de diefstal Gardiner onderdak gegeven tijdens diens bezoek aan Leuven. Daems zat twee maanden in voorhechtenis en moest zich als terrorist voor de rechtbank verantwoorden. Jaren later werd hij door het Hof van Cassatie volledig vrijgesproken.

Grappig is nog hoe Hoekstra de samenwerking beschrijft tussen de BVD en de Belgische staatsveiligheid. "De taalstrijd en de scheiding tussen de Walen en de Vlamingen was in de dienst zeer merkbaar", noteert Hoekstra. "Het had er de schijn van dat je voor het bekleden van hoge functies in de dienst het beste Brusselaar kon zijn."

De Nederlander had vooral contacten met hoofdcommissaris Jean Van Gorp, Brusselaar en destijds chef van de operationele afdeling van de staatsveiligheid, en met diens opvolger Delvoye. Bezoeken aan Van Gorp in Brussel verliepen volgens de BVD'er volgens een vast stramien: "Tegen elf uur arriveren, één tot twee uur zakelijk spreken en dan op naar de copieuze lunch, die bijna de gehele middag in beslag placht te nemen."

Tussendoor vernam Hoekstra dat Van Gorp zich begin jaren tachtig ernstig zorgen maakte over de Bende van Nijvel en over het in Vlaanderen toenemend rechts-extremisme. "Van Gorp zei dat hij het gevoel had, maar ook aanwijzingen, dat extreem-rechts binnen zijn dienst op zoveel sympathie en steun kon rekenen, dat een effectieve bestrijding daarvan en inlichtingenverwerving daarover erdoor belemmerd werden."

Wat Hoekstra niet vermeldt is dat de Belgische geheime dienst zich tot dan toe, net als hun collega's van de BVD, vrijwel uitsluitend had geconcentreerd op het gevaar uit linkse hoek. Toen de staatsveiligheid begin jaren tachtig ook extreem-rechts begon te bestuderen en de financiële banden blootlegde tussen de Cepic, de rechtervleugel van de PSC, en extreem-rechtse knokploegen als het Front de la Jeunesse, werd de dienst het mikpunt van een georchestreerde destabilisatiecampagne. Onder meer als gevolg van de WNP-affaire, een groepje neonazi's dat wilde aantonen dat de staatsveiligheid volledig door de Sovjet-Russische KGB was geïnfiltreerd, werd de werking van de dienst op het terrein van extreem-rechts vakkundig lamgelegd.

Begin jaren negentig trok de parlementaire onderzoekscommissie-Gladio een parallel tussen de munitieroof in Florennes en de diefstal van ultrageheime Navo-telexen in het transmissiecentrum van de generale staf van het Belgisch leger door de neonazi's van WNP. Mogelijk ging het in beide gevallen om signalen die moesten aantonen dat de beveiliging door de bevoegde diensten te wensen overliet.

Frits Hoekstra, In dienst van de BVD. Spionage en contraspionage in Nederland, Boom, Amsterdam, 223 p., 19,50 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234