Zondag 24/01/2021

Hoe brengen we de jongens weer bij de les?

Beeld UNKNOWN

Jongens hebben het steeds moeilijker op school. Aparte klassen voor sommige vakken, met een op elke sekse afgestelde pedagogie, hoeft niet reactionair te zijn, betoogt filosofe Griet Vandermassen (Universiteit Gent).

De universiteiten van Gent, Brussel en Leuven slaan de handen in elkaar voor een onderzoek naar de onderwijsachterstand van jongens. Het probleem is al langer gekend: jongens hinken steeds meer achter op meisjes. Aan het eind van het secundair onderwijs heeft 41 procent van de Vlaamse jongens minstens een jaar schoolachterstand, tegenover 29 procent van de meisjes. Maar liefst 11,4 procent van de jongens verlaat het secundair onderwijs zonder diploma, terwijl dat percentage voor meisjes 7,7 procent bedraagt. Ook in het hoger onderwijs steken de meisjes hun mannelijke leeftijdsgenoten voorbij, zowel qua studentenaantal als op vlak van studieresultaten.

In andere westerse landen zien we eenzelfde fenomeen. Over de oorzaken heerst discussie, maar een groeiend aantal experts wijst het hedendaagse onderwijssysteem met de vinger. Dat benadrukt communicatie, samenwerking en zelfstandigheid en is dus vooral op de leest van meisjes geschoeid. Jongens hebben meer behoefte aan structuur en hebben veel meer baat bij competitie, iets waar meisjes vaak op afknappen. Die laatsten zijn daarnaast ijveriger, geconcentreerder, gemotiveerder en meer gedisciplineerd, terwijl jongens drukker en ruwer zijn en meer nood hebben aan beweging en exploratie. De specifieke eigenschappen van jongens worden in ons onderwijs echter miskend en soms zelfs gepathologiseerd: zeer energieke jongens krijgen al snel het etiket ADHD opgekleefd. In een onderwijssysteem dat focust op waardevolle vrouwelijke vaardigheden, floreren meisjes, maar haken jongens af.

Grenzen aan de kneedbaarheid
De afname van de maatschappelijke waardering van typische jongenseigenschappen is pijlsnel verlopen. In haar doctoraatsscriptie, die zij vandaag verdedigt aan de Radboud Universiteit Nijmegen, schetst de Nederlandse historica Alexandra Crott een ontnuchterend beeld van die evolutie. Voor opvoedkundigen van de eerste helft van de twintigste eeuw was het duidelijk dat veel jongens ideale schooleigenschappen missen, zoals concentratievermogen en gehoorzaamheid. Daaraan werd echter niet zwaar getild, evenmin als aan baldadig gedrag, dat als een normale, voorbijgaande fase gold. Vanaf de jaren zestig werd de jongen echter een probleem. Zeker met de vrouwenemancipatie ontstond een gelijkschakeling van 'mannelijk' met 'gewelddadig'. Onder invloed van socialisatietheorieën van seksueel verschil, die stellen dat mannelijkheid en vrouwelijkheid aangeleerd zijn, werd het de doelstelling om seksespecifiek gedrag te neutraliseren. Dat komt er tot op vandaag op neer dat jongens hun specifieke jongensneigingen moeten intomen, zeker in een schoolse omgeving. Het resultaat is een toenemende tegenzin voor school, zo stelt ook Crott.

Cynische reacties, als zou de bezorgdheid over jongens vooral dienen om de maatschappelijke achterstelling van vrouwen te maskeren, niet te na gelaten, gaat iedereen akkoord dat er een probleem is dat om een oplossing vraagt. Maar hoe? Het oudere, meer autoritaire en op competitie gerichte systeem was beter voor jongens, maar is dan weer fnuikend voor meisjes. Mieke Van Houtte, copromotor van het bovenvermelde interuniversitaire onderzoek, pleit in een interview in De Standaard (12 december) voor een beleid dat rekening houdt met de verschillen tussen de geslachten. Ze verwijst ook naar het verband tussen testosteron en de grotere mannelijke neiging tot risicogedrag. Het is verheugend dat de rol van hormonen in seksetypisch gedrag niet meer gecontesteerd lijkt binnen de Vlaamse sociologie, maar hopelijk beperken de onderzoekers hun interdisciplinaire horizont niet tot dit gegeven. Wie greep wil krijgen op de mannelijke schoolachterstand, heeft ook inzichten nodig uit onder meer de evolutionaire wetenschappen en de cognitieve neurowetenschappen. Ook deze disciplines suggereren grenzen aan de kneedbaarheid van beide seksen.

Een relevante bevinding voor de schoolprestaties van jongens en meisjes is bijvoorbeeld dat hun hersenrijping aan een verschillend tempo verloopt. Zo ontwikkelen de hersenregio's die instaan voor taal en voor fijne motorische vaardigheden zich sneller bij meisjes dan bij jongens, wat hen een voorsprong geeft in lezen en schrijven. Daardoor kunnen jongens al van in het eerste leerjaar de indruk krijgen dat lezen en schrijven iets voor meisjes is, en bijgevolg afhaken. Als de oplossing voor de jongenscrisis inhoudt dat we het onderwijs moeten afstemmen op de behoeften en kwaliteiten van beide geslachten, zoals Mieke Van Houtte stelt, wat betekent dit dan hier? Moeten we zesjarige meisjes leesonderricht geven en de jongens intussen met blokken laten spelen, zodat zij hun op die leeftijd superieure ruimtelijke inzicht kunnen botvieren? Of wachten we een jaar om de meisjes te leren lezen, ook al zijn ze er rijp voor?

Psychologie vs. actie
De leesvoorkeuren van beide geslachten verschillen eveneens inherent: meisjes houden meer van psychologisch getinte romans, jongens meer van actieverhalen. Vrouwelijke leerkrachten - de grote meerderheid, dus - zijn echter geneigd romans te kiezen die aansluiten bij hun eigen voorkeuren, en die ook nog eens op een vrouwelijke manier, met nadruk op emoties, te analyseren. De jongens die ze op die manier verliezen voor de literatuur, hadden ze kunnen behouden met andere boeken en een andere, op jongens gerichte aanpak. Maar hoe combineer je dat in een en hetzelfde leslokaal?

In Engeland, waar de mannelijke schooluitval en schoolachterstand al veel eerder geproblematiseerd werd, heeft men de nodige conclusies getrokken. Men keert er steeds meer terug naar seksegescheiden onderwijs, met aparte klassen of zelfs aparte scholen. Ook Nederland gaat nu overstag: vijf secundaire scholen experimenteren dit schooljaar met gesplitste taal- en wiskundelessen. Waarom lanceert Vlaanderen geen dergelijk initiatief? Van Houtte betoont zich een tegenstander, dit terwijl onderzoek aangeeft dat gescheiden onderwijs minder genderstereotiepe leerlingen produceert. Beide seksen voelen zich in zo'n context immers vrijer om zichzelf te zijn. Voor de studieresultaten is het effect weliswaar minder duidelijk: de meeste studies vinden een positief effect voor meisjes, maar voor jongens zijn de bevindingen inconsistent. Dat kan te maken hebben met het ontbreken van gerichte lesmethoden voor jongens.

In elk geval, als we het niet proberen, zullen we het niet weten. Aparte klassen voor sommige vakken, met een op elke sekse afgestelde pedagogie, is niet reactionair zolang de achterliggende idee gelijkwaardigheid van uitkomst is.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234