Zondag 20/10/2019

Historicus Niall Ferguson plaatst de financiële crisis in een historisch perspectief

Je kunt economen de winkel niet laten beheren

Wereldberoemd historicus Niall Ferguson schreef een financiële geschiedenis van de wereld om de kredietcrisis beter te begrijpen. 'Voltaire zei over Engelse admiraals: je moet er zo nu en dan een doodschieten om de anderen te bemoedigen. Dat geldt ook voor banken.'

Maurits Martijn

Niall Ferguson heeft geen goed woord over voor al die economen die nu opeens de oorzaken van de kredietcrisis feilloos weten te analyseren. "Je hoeft echt geen historicus te zijn om te zien dat het in veel gevallen complete nonsens is. Bijna niemand zag het aankomen." Hij weet ook hoe dat komt: door het totale gebrek aan kennis van de financiële geschiedenis. "Ik zag in 2006 een liquiditeitscrisis aankomen. Waarom? Omdat ik de parallellen met de liquiditeitscrisis van 1914 zag en omdat ik weet dat elke zeepbel barst. Ben Bernanke nota bene - en dat is echt een briljante econoom - verklaarde in 2004 dat nagenoeg alle problemen op de financiële markten waren opgelost, dat grote fluctuaties niet meer zouden voorkomen en dat het risico dusdanig goed gespreid was dat het systeem niet in elkaar kon storten. Hoe fout kun je het hebben!"

De beperkingen van economie als discipline zijn voor de zoveelste keer blootgelegd: "Je kunt economen de winkel niet laten beheren. Praat ook eens met historici als je nadenkt over financieel risico en onzekerheid. Zij zullen je namelijk vertellen dat crises als deze van alle tijden zijn, dat ze regelmatig, maar onverwachts komen en dat er lessen geleerd kunnen worden van vele eeuwen van financiële crises. Historisch besef kan grote crises niet voorkomen, maar ons er wel op voorbereiden. Het is net als wonen in San Francisco: je moet je altijd realiseren dat er een aardbeving kan komen. Je kunt geen huizen bouwen ervan uitgaande dat het nooit meer voorkomt. Wij leefden de afgelopen jaren op een financiële breuklijn, waar we instituties op hebben gebouwd alsof er nooit een financiële aardbeving kon gebeuren. Als we de geschiedenis zouden kennen, hadden we het anders aangepakt. Zo simpel is het. Als het systeem dat je hebt gebouwd daar niet op voorbereid is, dan verdient het te vallen."

Academische popster

Het zal niet zijn laatste sweeping statement zijn tijdens het interview, dat plaatsvindt in de chique brasserie Quod, twintig meter verwijderd van de Universiteit van Oxford. De Schotse Harvardprofessor Niall Ferguson (°1964) studeerde hier begin jaren tachtig, was er fellow en professor en bezit er nog steeds een huis. Het gesprek is naar aanleiding van zijn net uitgekomen boek The Ascent of Money, waarin hij de financiële geschiedenis van de wereld beschrijft. Perfect getimed natuurlijk. De crisis op de financiële markten loopt als een rode draad door het boek en, sterker, geeft het boek urgentie, aldus Ferguson. "Als de mensen van Wall Street en The City of London meer kennis van het verleden zouden hebben, zouden ze zich ook meer bewust zijn van de risico's die ze aan het lopen waren. Helaas is Financiële Geschiedenis geen populair vak op universiteiten en business schools. Dat betekent dat de meeste mensen, als ze financiële beslissingen nemen, op hun eigen herinnering moeten vertrouwen. Niemands geheugen gaat lang genoeg terug, niet naar de Grote Depressie en in de meeste gevallen zelfs niet naar de jaren zeventig."

Niet dat The Ascent of Money alleen bedoeld is voor bankdirecteuren, optiehandelaren en makelaars. Ook 'de gewone man' mist kennis van het financiële verleden, en dit belet ook hem in het nemen van de juiste beslissingen. Ferguson zal er waarschijnlijk wel in slagen zijn boodschap aan een breed publiek over te brengen: dat lukt hem namelijk altijd. Zo waren zijn boeken Empire: How Britain Made the Modern World (2003), Colossus: The Rise and Fall of the American Empire (2004) en The War of the World: History's Age of Hatred (2006) internationale bestsellers en de gelijknamige Channel Fourdocumentaires deden het erg goed op de televisie. Hij is een graag geziene gast in talkshows en op de opiniepagina's.

Niall Ferguson is een academische popster, niet alleen in Groot-Brittannië. Hij ziet eruit als een kruising tussen George Clooney en Robbie Williams. Hij is charmant, geestig en polariserend, maar is ook een briljante wetenschapper. Volgens Time Magazine behoort hij tot de honderd belangrijkste personen ter wereld, en Prospect Magazine plaatste hem dit jaar op nummer zestig van de lijst van meest invloedrijke intellectuelen. Zijn Burberrymaatpak past hem net zo goed als deze wonderlijke combinatie van kijkcijferkanon, charmeur, toponderzoeker en bestsellerauteur.

Intrigerende figuren

Ferguson heeft een nadrukkelijk didactisch doel voor ogen met The Ascent of Money en met de gelijknamige zesdelige Channel Fourtelevisieserie. Hij wil er een lacune in het collectieve bewustzijn mee opvullen en slaagt in die opzet. Het boek leest als een trein, is leerzaam en bijzonder goed gedocumenteerd. Ferguson maakt de financiële geschiedenis spannend en inzichtelijk door haar te vertellen aan de hand van intrigerende sleutelfiguren. Het levert heerlijke verhalen op over dubieuze financiële waaghalzen, grote gokkers, mathematische revolutionairen en short sellers avant la lettre die de financiële geschiedenis maken. Zoals Francisco Pizarro uit Spanje, die in de zestiende eeuw zoveel met plunderingen verkregen zilver uit Peru meenam, dat de Spaanse economie door inflatie werd overvallen. Of John Law, een Schotse moordenaar, eind zeventiende eeuw en tegelijkertijd wiskundig genie, die in korte tijd het papiergeld uitvindt, het hele Franse economische systeem hervormt en controleert maar zoveel geld Frankrijk in pompt dat de zeepbel barst, met de Franse Revolutie als uiteindelijk resultaat. De financiële innovaties van deze en andere kleurrijke figuren zijn de motor van de westerse beschaving, zo betoogt Ferguson in zijn boek.

Het gesprek komt al gauw op Nederland, waar Ferguson in zijn boek veel aandacht aan besteedt. "Nederland heeft een enorme rol gespeeld bij het ontstaan van het westerse economische model. Veel belangrijke innovaties komen uit Nederland, waarvan er drie doorslaggevend waren. De Verenigde Oost-Indische Compagnie was de eerste organisatie die gebaseerd was op het principe van gedeeld aandeelhouderschap. Nederland heeft feitelijk het moderne bedrijf, de NV, uitgevonden. De tweede innovatie, uit diezelfde tijd, was een markt waar het eigendom van het bedrijf verhandeld kon worden. Zo kon iedereen aandeelhouder zijn van het bedrijf, zonder dat iemand daar lijfelijk aan verbonden hoefde te zijn: de aandelenmarkt is zo in Nederland bedacht. En de Wisselbank, die in 1609 was opgericht om de praktische problemen van de verschillende muntsoorten van de provincies op te lossen, was de voorloper van centrale banken. In Amsterdam werd de notie van 'bankgeld' geïntroduceerd, wat inhield dat je bancaire transacties kon maken zonder dat iemand feitelijk het oude geld in handen had. Als je ziet hoeveel bedrijven er zijn in de wereld, hoe gefixeerd we zijn op de Dow Jones en hoe het bancaire verkeer geregeld is dan is me dat wel een bijdrage."

De Gouden Eeuw

The Ascent of Money is niet het eerste historische boek waarin Ferguson geld en economie centraal stelt. "Achter alle grote historische gebeurtenissen zit een financieel verhaal", is het motto van veel van zijn werk. In zijn boeken over de grote wereldrijken, Empire over het Britse imperium en Colossus over het Amerikaanse, benadrukt hij telkens de doorslaggevende rol van financiële belangen. In zijn veelgeprezen boeken over het bankiersgeslacht Rothschild weidt hij uit over de manier waarop de Rothschilds hun economische macht gebruikten om politieke, culturele en zelfs militaire macht te verwerven. Veel kritiek op zijn werk gaat over het gebrek aan aandacht aan de 'menselijke' kant van de geschiedenis, of beter, de 'onmenselijke' kant ervan. Ferguson zou volgens zijn criticasters het menselijke instinct om een kosten-batenanalyse te maken belangrijker achten dan meer immorele instincten. De duistere kanten van het ondermaanse zouden in Fergusons historische analyses vooral beschreven worden als hobbeltjes op de weg naar vooruitgang. Deze kritiek gaat niet op voor The Ascent of Money, simpelweg omdat Ferguson geld en alles wat daarbij hoort centraal stelt in het boek. Zo vertelt hij lovend over de Nederlandse koopmansgeest van de Gouden Eeuw. "Daar kunnen we veel van leren." Zoiets bedoelde premier Balkenende ook toen hij pleitte voor een opleving van de "VOC-mentaliteit".

Dat werd hem niet in dank afgenomen - hij zou met die opmerking de minder frisse kanten van het Nederlandse imperialisme bagatelliseren. Het is het soort kritiek dat Ferguson goed kent. "Balkenende doelde waarschijnlijk op de bloeiende cultuur van innovatie en het gebrek aan afkeer van economie die kenmerkend zijn voor het Nederland van de Gouden Eeuw. Er is in de westerse beschaving altijd een soort vooroordeel omtrent economie geweest. De aristocratie keek neer op financiële instituties en gaf de voorkeur aan agricultuur. In de Gouden Eeuw is daar afstand van genomen, en het financiële kapitalisme heeft een einde gemaakt aan de macht van de adel, die het overigens ook niet zo nauw nam met moraliteit. De VOC was in veel opzichten een wrede organisatie, die net zoveel oorlog als handel voerde. Het is alleen te simplistisch om te zeggen dat financiële instituties altijd en overal aan de kant van exploitatie staan. Het regime van Pinochet was niet erg prettig, maar het maakte wel een succesvolle democratie mogelijk met succesvolle financiële instituties. Wist je dat Milton Friedman een goede vriend was van Pinochet en dat zij samen plannen maakten die Chili er weer bovenop hielpen? En dat Pinochet de jonge econoom José Piñera een revolutionair pensioensysteem liet bedenken dat de Chileense economie een ongelooflijke impuls heeft gegeven, en dat door veel omringende landen, als Bolivia, Colombia en Mexico is overgenomen? Wist je dat Britse ministers naar Chili zijn gegaan om te kijken hoe het moest? Die kant van de geschiedenis wordt te vaak onderbelicht. Mensen aan de linkerkant hebben het onhistorische verlangen om daarover te moraliseren en te simplificeren. Een goede historicus moet in staat zijn beide kanten van de balans te zien."

Is die balans ook in The Ascent of Money te vinden? De Volkskrant interpreteerde het boek een paar weken geleden als "een waarschuwing tegen de kortzichtige beleggers, roekeloze investeerders en gewetenloze schurken". Het is waar dat Ferguson individuele excessen beschrijft waarvan de wenkbrauwen gaan fronsen, maar hij waarschuwt nergens expliciet tegen dit soort roekeloos gedrag. 'Hebzucht' is voor hem vooral een steeds maar weer terugkerend thema in een ander tijdperk en een ander lichaam. Ferguson benoemt in het boek de mogelijke immoraliteit van, bijvoorbeeld, de bonus- en graaicultuur niet of nauwelijks en een andere lezing van Fergusons beschrijvingen van de hoofdrolspelers van de financiële geschiedenis is ook mogelijk. Net zoals lezers van Mario Puzo's The Godfather in hoofdpersoon Vito Corleone zowel een romantische familieheld als een koelbloedige moordenaar kunnen zien, kunnen de "gewetenloze schurken" via de pen van Ferguson ook als "briljante innovatoren" worden gelezen.

Desgevraagd wil Ferguson wel wat kwijt over de moraliteit van het bonussysteem. "Er moeten twee dingen veranderen. Als bonussen worden toegekend voor goede prestaties dan moet het tegenovergestelde ook gebeuren: malussen voor slecht presteren. En het compenseren van managers met aandelen en opties heeft een pervers effect, omdat het hun een prikkel geeft de aandelenprijs omhoog te manipuleren. Dat heeft ervoor gezorgd dat we in de age of leverage - waarin de verhouding tussen eigen en geleend kapitaal zoek is geraakt - terecht zijn gekomen."

Hij neemt even pauze en bestelt een dubbele espresso. In zijn boeken en tijdens het interview vent hij telkens zijn ideeën met grote stelligheid uit, maar ook de grote Ferguson worstelt met oplossingen voor de huidige crisis. Veel van de gebeurtenissen komen zo onverwachts, dat zelfs de geschiedenis van de financiële wereld geen directe remedies oplevert. "Als historicus zeg ik: we hebben nu de age of leverage achter de rug, een tijd van schulden, waarin huishoudens, bedrijven en banken, vooral banken, veel te veel geleend hebben om te speculeren. Wat nu moet gebeuren, is een regelsysteem dat dit hefboomeffect limiteert. Wat we nodig hebben, is een World Finance Organisation, net als de World Trade Organisation, die tegen bijvoorbeeld Duitsland zegt dat zijn banken te veel geleend hebben en die Duitsland sancties kan opleggen. Het IMF is machteloos, en schrijft alleen maar rapporten."

Zeepbellen

Het is opvallend dat Ferguson pleit voor mondiale regelgeving en financieel toezicht. In de conclusie van zijn boek toont hij zich namelijk juist uiterst voorzichtig: te veel regelgeving kan financiële innovaties tegenhouden en zo de angel uit de vooruitgang halen. "Ja, ik ben van gedachten veranderd. Het idee is ontstaan als gevolg van fresh thinking. De afgelopen maanden heeft de crisis een schaal aangenomen die zelfs ik niet had verwacht. De noodzaak van een mondiale financiële architectuur wordt met de dag groter. Er moeten restricties zijn op kapitaalstromen, er moeten regels zijn voor de kapitaaldekking van banken, er moet toezicht komen op de buitenlandse valutamarkt."

Het lijkt alsof realisme het wint van Fergusons ijdelheid, en door verder te gaan met het aandragen van concrete oplossingen geeft hij impliciet toe dat de situatie van vandaag tijdens het schrijven van The Ascent of Money nog in een niet te voorziene toekomst lag.

Er dient ook zo snel mogelijk afstand te worden genomen van de Greenspan Doctrine, legt Ferguson uit. Hij doelt op het beleid van veel centrale banken om slechts de consumenteninflatie in toom te houden en daardoor niet te kijken naar de prijzen van activa, bijvoorbeeld op de huizenmarkt. "Omdat de FED vond dat ze daar niets mee te maken hadden, kon de huizenzeepbel vorm krijgen."

Uit het onderzoek dat Ferguson deed naar de financiële geschiedenis kwam één ding duidelijk naar voren: centrale banken spelen altijd een doorslaggevende rol bij het ontstaan van zeepbellen. Die kunnen alleen ontstaan als er door een centrale monetaire autoriteit makkelijk geld wordt gecreëerd en verstrekt. Alleen als er veel geld beschikbaar is om te speculeren en te handelen, kan de prijs van een aandeel, een vat olie of een huis dusdanig hoog worden gewaardeerd dat het niet meer in verhouding staat tot de werkelijke waarde.

De Nederlandse Wisselbank uit de zeventiende eeuw was de voorloper van de centrale bank: is de zeepbel ook al een Nederlandse uitvinding? "Nee, integendeel! De Wisselbank was een verstandig instituut, dat juist niet excessief veel geld creëerde. Wat voor mij een groot inzicht was, en wat mij van de rol van centrale banken bij zeepbellen heeft overtuigd, is dat de prijs van een VOC-aandeel precies gelijk liep met de winst van het bedrijf. Zo kan het dus ook."

De avond voor het interview gaf Ferguson een lezing aan de prestigieuze London School of Economics. Hij voerde zijn publiek mee langs de financiële geschiedenis van de wereld en het ontstaan van het geld, de eerste banken en aandelenmarkten, de bubbles, de short sellers, de globalisering en de smerige hypotheken. De lezing was een verkooppraatje, prikkelende uiteenzetting en onderhoudende komedieshow in één. Aan het eind van de lezing vergeleek Ferguson de ontwikkeling van financiële markten met een evolutionair proces. "Ook evolutie heeft falen nodig, anders ga je niet vooruit. Er is alleen een groot verschil: op de financiële markten is wel intelligent design. Het is alleen niet zo intelligent, en wij hebben er de naam regulering aan gegeven." De zaal lacht, alweer.

De dag erna gaat de zelfverklaarde "liberale fundamentalist" hier dieper op in en zegt dat het omvallen van banken als Lehmann Brothers, een gunstig effect kan hebben: "Vallen er geen banken om en intervenieert de overheid dusdanig dat ze allemaal too big to fail zijn, dan zou het systeem pas echt niet werken. Dat gebeurde in Japan na 1990. De overheid koos daar voor een algemene bail-out. De banken werden een soort zombies. Ze waren niet dood, maar ook niet levend, en Japan had de tien jaar daarna geen economische groei. Het gevaar ligt op de loer dat de westerse wereld nu ook die kant opgaat. Er wordt zoveel geld in financiële instituties gepompt. Wat als je de banken geld leent en ze doen niet met dat geld waar ze ooit voor zijn uitgevonden: creëren van kapitaal? Te bang om te lenen, omdat ze hun balansen naar beneden willen brengen. Alleen maar bezig om hun schulden te verminderen. Net als in Japan, met als gevolg dat de publieke schuld explodeert omdat al dat geld in de banken is gepompt. Daar moeten we ons echt zorgen over maken. Dit komt terug op het evolutionaire punt: als je het financiële systeem alleen maar volstouwt met geld, dan belemmer je nieuwe instituties om de rol van banken over te nemen. Toen de dinosauriërs dood gingen, bleef er meer te eten over voor de zoogdieren. We moeten financiële innovaties niet de kop indrukken door een door de staat gemonopoliseerde banksector te creëren. Dat is mijn grote probleem met wat er allemaal gebeurt. Ik ben blij dat de Grote Depressie vooralsnog is afgewend (klopt drie keer op tafel) en bang dat we're turning Japanese. Er moet een balans komen. Voltaire zei over Engelse admiraals: je moet er zo nu en dan een doodschieten om de anderen te bemoedigen. Dat geldt ook voor banken."

Virtuele geschiedenis

Ferguson benadrukt nogmaals dat de evolutie van de financiële wereld nooit echt een natuurlijke evolutie kan zijn. "Wij reguleren, innoveren en interveniëren continu." Ondanks dit intelligent design is de financiële geschiedenis, met haar crises en euforie, crashes en hausses, ongrijpbaar en pas achteraf te analyseren. Dat is volgens Ferguson het probleem van de geschiedkunde: de nadruk op rationalisering en verklaring ex facto: "Historici vertellen geschiedenissen bijna altijd in mooie verhalen die van a naar b gaan. Het ene moment zijn de zwarten slaven, en tweehonderd jaar later is een zwarte man president. Eind goed, al goed en iedereen is tevreden. Maar zo werkt geschiedenis niet: tot voor kort zouden historici je verteld hebben dat er nooit een zwarte president zou komen." De mainstream geschiedenis negeert het zo belangrijke concept van onzekerheid, vertelt hij. "De toekomst is per definitie niet te voorspellen, en daardoor altijd onzeker. Er is geen toekomst, er zijn slechts mogelijke toekomsten. Ja, de zon komt waarschijnlijk morgen op, maar veel meer dan dat weet je niet. Zo was het vroeger ook, alleen historici hebben de neiging geschiedenis als de geschiedenis te vertellen, in plaats van een van vele mogelijke geschiedenissen."

Om die reden heeft Ferguson zich toegelegd op het schrijven van 'virtuele geschiedenissen', de zogenaamde what if-history. In 1997 verscheen onder zijn redactie het boek Virtual History: Alternatives and Counterfactuals, waarmee hij zich als drieëndertigjarige Oxforddocent meteen op de academische wereldkaart zette. In het boek schrijven historici als Jonathan Clark en Michael Burleigh fascinerende hoofdstukken met titels als: 'Wat als er geen Amerikaanse revolutie was geweest' en: 'Wat als nazi-Duitsland de Sovjet-Unie had verslagen'.

Volgens Ferguson maken virtuele geschiedenissen de onzekerheden duidelijk waar mensen uit het verleden zich mee geconfronteerd zagen. "Mensen van toen dachten over dit soort dingen na, en met een counterfactual leg je dat bloot, waardoor je de achteraf bedachte vanzelfsprekendheid doorprikt. Voor een historicus is het ongelooflijk belangrijk te laten zien wat voor complex systeem de geschiedenis is, dat bestaat uit scharniermomenten waarbij dingen anders hadden kunnen lopen." Dit besef is essentieel voor de financiële geschiedenis van de wereld, omdat economen de toekomst benaderen als een te berekenen risico: "Onzekerheid is, veel meer dan risico, een grote kracht en een alomtegenwoordig probleem. Niet zoveel dingen zijn te berekenen, en dus te verzekeren. Je kunt je niet verzekeren tegen een aardbeving."

Het kost Ferguson geen enkele moeite een scharniermoment in de geschiedenis van de huidige kredietcrisis aan te wijzen dat zich uitstekend leent voor het schrijven van een virtuele geschiedenis: "De manier waarop de FED na 11 september heeft gehandeld, toen het financiële centrum van Amerika door twee vliegtuigen werd aangevallen, heeft ervoor gezorgd dat het idee ontstond dat de FED alles aankon. Door geld in de economie te pompen herstelden de markten zich heel snel, wat de indruk wekte dat de FED machtiger was dan Al Qaida. Wat als ze dat niet gedaan hadden? Dan zou de sfeer van ongebreidelde roekeloosheid en arrogantie op de financiële markten zeker minder zijn geweest. Mensen namen nu belachelijke risico's met het idee dat de FED het wel kon, en zou, herstellen als het misging."

McCain versus Obama

Het gesprek loopt op zijn eind. Ondanks de tweede dubbele espresso ziet Ferguson er afgepeigerd uit. Moe van het praten, moe van het reizen, moe van het verkopen. Als de Amerikaanse presidentsverkiezingen ter sprake komen, lukt het hem nog wat energie uit zichzelf te persen. Hoe kan het dat hij de avond daarvoor tijdens de lezing zo opgetogen was over de verkiezing van Obama, terwijl hij tot voor kort John McCain nog adviseerde? Ferguson: "Keynes zei al: 'When the facts change, I change my mind. What do you do, sir?' Twee jaar geleden dacht ik dat de verkiezing zou gaan over nationale veiligheid, Irak, Iran etcetera. Ik adviseerde McCain tijdens de verkiezing voor de Republikeinse nominatie. Ik was erg onder de indruk, vooral door zijn durf om de inval in Irak te steunen. Maar toen de financiële crisis in augustus vorig jaar vorm kreeg, wist ik meteen dat het een ramp voor McCain zou zijn. Want één ding waar hij echt geen verstand van heeft, is economie."

Dat is vreemd: iemand die een didactisch boek schrijft over het levensbelang van financiële kennis, steunde een financiële minkukel? "Ik adviseerde McCain op het gebied van buitenlandbeleid en niet op het gebied van economie. En hoewel ik voorzichtig suggereerde dat hij zijn economieteam moest veranderen, heb ik geen enkele invloed gehad. Dat hij verklaarde weinig verstand van economie te hebben, was het stomste wat hij had kunnen doen. En toen de kredietcrisis de laatste twee maanden van de campagne in alle hevigheid losbarstte, was hij gedoemd tot verlies. En daardoor was Obama de betere kandidaat."

Misschien is het de moeheid of zijn chauffeur die voor de deur staat te toeteren om hem naar het vliegveld te rijden, maar het is voor het eerst dat Ferguson niet overtuigt en zelfs haperend uit zijn woorden komt. Hij zegt nog, terwijl hij zijn jas aantrekt, hoe mooi de verkiezing van Obama zich zou lenen voor het schrijven van een virtuele geschiedenis. "Echt hoor, zonder de kredietcrisis zou het veel spannender zijn geworden. Als je kijkt naar de grafiek van het Amerikaanse consumentenvertrouwen, dan loopt dat gelijk af met de populariteit van McCain. Net als de aandelenkoers."

Wellicht iets voor de paperback. Hij geeft een hand en is weg. Zijn mooie woorden blijven hangen en zijn indrukwekkende onderzoek staat als een huis. Maar de conclusie van het gesprek is dat zelfs Niall Ferguson door het verleden kan worden ingehaald.

Contact, 359 p., 34,95 euro.

Historisch besef

kan grote crises

niet voorkomen, maar ons er wel op voorbereiden

De noodzaak van een mondiale financiële architectuur wordt met de dag groter

McCain heeft echt geen verstand van economie. Daarom is Obama de betere kandidaat

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234