Zaterdag 19/09/2020

ReconstructieZomer van de waanzin

Hinda Elsztajn overleefde de medische experimenten in Auschwitz, en zweeg haar hele leven: ‘Die tattoo? Dat is m’n telefoonnummer’

Hinda Elsztajn.Beeld Algemeen Rijksarchief A65.465

‘Ik vroeg mami naar die tattoo op haar arm. Ze zei: dat is mijn telefoonnummer, zo vergeet ik het niet meer.’ Er waren in de zomer van 1945 ook mensen die terugkeerden en zwegen. En bleven zwijgen, ook alle zomers daarna. Pas meer dan zeven decennia later vernamen de nabestaanden van Hinda Elsztajn hoe zij in Auschwitz de gruwelen van blok 10 wist te overleven.

“Mijn vader was pettenmaker”, zegt Samy Wajc (83) via Whatsapp vanuit Haifa, Noord-Israël. “Wij woonden in Sint-Gillis, in de Joseph Claesstraat. Mijn ouders hebben me als joch van zes verstopt in een kindertuin in Ukkel. Op zaterdag bakte mijn mama altijd een appeltaart, en dan kwam ze op bezoek met die taart. Er waren in Ukkel mensen die wisten dat ik een joods kind was. Mensen konden premies vangen door een jood te verklikken. Toch ben ik nooit verraden. Op een van die zaterdagen keerden mijn ouders terug naar Sint-Gillis en zagen ze dat er iets mis wat met de voordeur. Er was een razzia geweest.”

“Mijn tante Chaja kreeg kort daarna een oproepingsbrief om drie weken te gaan werken in Duitsland. Mijn vader had niet gestudeerd, maar het leven had hem voldoende wijsheid gebracht. ‘Je moet niet gaan’, zei hij. ‘Ik ga wel’, zei Chaja. ‘Ik wil ze laten zien dat ik van goede wil ben.’ Ze is in Mechelen op transport gezet naar Auschwitz en…”

Het gesprek stokt even. Mensen als Samy spreken het woord ‘vergast’ niet zo makkelijk uit als wij dat doen.

De naaimachine

Chaja Wajc krijgt een vermelding in het Belgisch Staatsblad van 19 april 1958, toen de minister van Volksgezondheid haar opnam in een lijst van mensen die ‘vermoedelijk overleden’ moesten worden verklaard. Chaja werd op 20 maart 1914 geboren in het Poolse Chelm, staat er. De datum van overlijden wordt gesitueerd tussen 11 en 21 augustus 1942 te Auschwitz. We vinden Chaja ook terug op de namenlijst van Transport II in de Mechelse Dossin-kazerne. Dat transport vertrok op 11 augustus 1942 en van de 999 gedeporteerden overleefden er drie de oorlog.

Chaja, zoveel is duidelijk, is meteen na haar aankomst in Auschwitz gedood. Zoals haar broer het heeft voorvoeld. Zijn zoon Samy moet weg uit Brussel, zo beslist hij nu. Er wordt een nieuw adoptiegezin gevonden in de buurt van La Louvière.

Samy: “Het waren uitgeweken Vlaamse plattelandsmensen. Lieve mensen. Daarna heb ik nog een tijdje met m’n ouders ondergedoken gezeten in het plaatsje Familleureux. Na de bevrijding zijn we teruggekeerd naar de Joseph Claesstraat in Sint-Gillis. Daar woonden intussen andere mensen en de huisbaas zei dat hij hen er niet uit kon zetten. We moesten elders gaan wonen, en dat viel mijn vader zwaar.”

“Een van mijn scherpste herinneringen uit die tijd: ik ben zeven en ik zit met mijn papa op de tram naar Schaarbeek. Daar is een leverancier van stoffen waar mijn vader petten van maakte, mijnheer Lammens. Mijn papa belt aan. Mijnheer Lammens en hij vallen in elkaars armen. Mijnheer Lammens gebaart dat we hem moeten volgen naar achteren. ‘Kijk’, zegt hij, ‘hier staat ze’. Ik heb mijn papa zien wenen. Na onze vlucht was mijnheer Lammens meteen naar Sint-Gillis gekomen om de naaimachine in veiligheid te brengen. Ik zit in die tram, naast m’n papa, met de naaimachine op zijn knieën.”

Op z’n elfde ontmoet Samy Rachel. Ook Rachel is joods. Ze zijn allebei geboren in 1937. Rachel is de dochter van Hinda Elsztajn. Hinda is bevriend met Samy’s ouders. “Vaak kwamen volwassenen samen en dan praatten ze”, zegt Samy. “En weenden ze. Dan vroeg je als kind: ‘Wat is er?’ Dan zeiden ze: niks. Zij spraken er enkel over met elkaar, in het Jiddisch. Zij wilden de generatie na hen niet belasten.”

Een jaar of tien na de oorlog, als Samy thuiskomt na een dag op school, treft hij zijn vader. Rokend. Tobbend. Het Frans van zijn vader is niet zo goed. Het is een soort kleuter-Frans, doorspekt met Jiddisch.

Samy: “Hij wenkte me: ‘Ik heb jou nodig, jongen.’ Hij had een te huur staand appartement opgemerkt in de Joseph Claesstraat in Sint-Gillis. Hij wou terug naar onze straat. Alleen hing er een bordje: ‘Etrangers s’abstenir’ (‘Vreemdelingen, gelieve zich te onthouden’, red.) Ik was zestien, mijn Frans was goed. Ik ben met de eigenares gaan praten. Even later woonden wij terug in Joseph Claesstraat.”

Samy en Rachel vinden elkaar leuk. Ze gaan studeren. Zij Engelse literatuur aan de ULB, hij chemie. Ze kussen. Ze krijgen twee kinderen, Aurore en Bebelle.

‘Jouw ogen’

In de zomer van 1945 hebben veel mensen uitgesproken meningen over de nazi’s. Voor Samy en z’n dochters zal het nog 72 jaar duren voor ze zich een beeld kunnen vormen van wat hun schoonmoeder en oma heeft doorgemaakt. De ontzetting is totaal. “We wisten dat er íéts was”, zegt Samy. “Maar we waren jong, stonden er allemaal niet zo bij stil. Dat oorlogsverleden, dat was iets van de ouderen. Daar sprak je weinig over.”

Hij wordt erop geattendeerd door zijn dochter, Bebelle. Het is de pdf van een artikel op de website van De Morgen. In de zomer van 2017 verscheen er een reeks op basis van documenten die zijn vrijgegeven in het Wiener-archief in Londen. Eén aflevering behandelt negen A4-velletjes: iemand onder de initialen M.C. heeft op 16 mei 1956 het verhaal van Hinda Elsztajn aangehoord en netjes samengevat op een schrijfmachine.

Samy: “Er stond een foto bij van Hinda. Een kennis stuurde een berichtje naar Bebelle: Bebelle, dat zijn jouw ogen! Bebelle ging kijken en ze herkende meteen mami.”

Bebelle: “Dankzij jullie las ik dingen die mami ons nooit heeft willen vertellen. Dat was echt heel heftig. Want ik vroeg mami als kind weleens naar die tattoo op haar onderarm. Die getallen. Ze zei: ‘Dat is mijn telefoonnummer, zo vergeet ik het niet meer.’ Mami is overleden in 2000.”

Paardenkoers

Hinda Elsztajn, op 15 september 1912 geboren in het Poolse Skierniewice, vlucht in 1935 vanuit Warschau haar geliefde Ruwen Tenenbaum achterna, richting Brussel. In 1937 krijgt ze een dochter, Rachel.

Samy: “Toen de gele sterren werden verplicht en kort daarna de razzia’s begonnen, hebben zij kleine Rachel ondergebracht bij een Vlaams onthaalgezin in Ophasselt. De vader heette De Lange. Hij is diezelfde avond een café binnengegaan en heeft gezegd dat hij een joods meisje in huis had genomen. En als iemand dat aan de Gestapo zou verklappen, zou die een vork in z’n nieren krijgen. Hinda en Ruwen bleven in Brussel wonen.”

Hinda Elsztajn, in de A4’tjes: “Op 29 januari 1943 om drie uur ’s ochtends zijn we gewekt door een brutaal belgeluid. Ik ben door het raam gaan kijken. We hoefden ons geen illusies te maken, het was de Gestapo.”

Monument voor het XXste konvooi in Boortmeerbeek.Beeld Alexander d'Hiet

Via het kantoor van de Gestapo op de Louizalaan in Brussel worden Hinda en Ruwen overgebracht naar de Dossin-kazerne in Mechelen. Ze blijven er tweeënhalve maand. In de avond van 19 april moeten ze de trein in, richting Auschwitz. Het is het legendarische konvooi XX, dat in Boortmeerbeek zal worden overvallen door drie jonge Brusselaars. Youra Livchitz (25), Jean Franklemon (25) en Robert Maistriau (22) ondernemen een van de meest ongewone verzetsacties van de hele oorlog. Met een lamp, een rood lapje, een pistool en een paar nijptangen brengen ze de trein tot stilstand en open ze de poorten. Van de 1.631 gedeporteerden ontsnappen er 251 uit de trein. 205 onder hen zullen de oorlog overleven. Een van de springers is Ruwen Tenenbaum. Hinda: “Ik was vastbesloten om hetzelfde te doen, maar er ontstond een hevig vuurgevecht en een verdwaalde kogel trof mijn wagon. Ik durfde niet meer.”

Samy: “Ruwen heeft nog een jaar in Brussel geleefd. Ondergedoken. Hij is opgepakt, hoorden we later, toen hij naar de paardenkoers ging.”

Blok 10

Hinda Elsztajn is in Auschwitz in het beruchte blok 10 ondergebracht. Dokters Carl Clauberg en Horst Schumann spuiten er chemische producten in de baarmoeders en eierstokken van jonge vrouwen. Het is zo bedacht op de Wannsee-conferentie, begin 1942. Het joodse volk moet worden uitgeroeid. Onder andere door een techniek te ontwikkelen waarmee vrouwen onvruchtbaar kunnen worden gemaakt. In een van de A4'tjes getuigt Hinda Elsztajn over de Griekse joodse meisjes. Ze ziet ze schuifelen, hun buik omarmend, kotsend. Ze besluit: “Zelfs zij die levend uit de oorlog zijn gekomen, konden nooit nog normale vrouwen zijn.”

Naast Blok 10 bevindt zich een bunker waar executies worden uitgevoerd. De vrouwen kijken toe vanuit spleten tussen de planken. Hinda: “Elke executie verliep met muziek. De gevangene moest voor een zwarte muur gaan staan en kreeg een kogel in de nek. Als verschillende lichamen op elkaar lagen, verifieerden de SS’ers of er niet een was die nog ademde. Op een dag werd een volledig Pools dorp, met de pastoor erbij, naar het kamp gebracht. Het dorp werd in zijn geheel geëxecuteerd met een orkest ernaast.”

Hinda's man, Ruwen TenenbaumBeeld Algemeen Rijksarchief A65.465

Ze ziet Ruwen nog één keer, als ook hij in augustus 1944 in Auschwitz aankomt. De A4’tjes: “Hij is met het allerlaatste konvooi uit Mechelen gekomen. Hij was nog maar net aangekomen, of hij werd geselecteerd voor een van de laatste groepen voor het crematorium. Hij sprong uit de vrachtwagen en werd getroffen.”

Brood

Hinda Elsztajn is weduwe en onvruchtbaar. Van haar dochter heeft ze enkel een in achten geplooid fotootje dat ze tijdens haar hele kampbestaan bij zich weet te houden en dat na haar dood zal worden teruggevonden in een doos. Samy: “Na uw artikel zijn we gaan zoeken. We vonden dat fotootje terug. Het kreeg opeens zo’n enorme betekenis. Hinda heeft haar Rachel altijd bij zich gehad.”

Aan het eind, voorjaar 1945, moet Hinda mee op dodenmars. Ze belandt in het kamp van Ravensbrück. Op een gegeven moment maakt ze deel uit van een groep uitgemergelde skeletten die enkel nog de kracht vindt om de SS’ers te smeken hen neer te schieten. De munitie is op. Op 25 april 1945 wordt Hinda bevrijd door de Amerikanen.

De A4’tjes: “Ik ben gerepatrieerd door Belgen, per vliegtuig, gelet op mijn gezondheidstoestand. Het eerste wat ik deed, eens terug in België, was mijn dochter gaan zoeken. Ik dacht eerst om haar nog even bij die mensen te laten. Ze smeekte me om haar mee te nemen. Als ze maar bij mij was. Toen ik haar terugvond, was haar toestand niet goed. De boeren hadden gedaan wat ze konden, maar het verdriet en de ongerustheid hadden haar ziek gemaakt. Ik heb een klein kamertje gehuurd en we leefden heel sober, want mijn gezondheidstoestand liet me niet toe te werken. Het volstond voor mij. Al wat ik vroeg, was brood.”

City 2

Carl Clauberg wordt na de oorlog in de Sovjet-Unie veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf. Bij een gevangenenruil komt hij in 1955 vrij. Na protesten van kampoverlevenden wordt hij in West-Duitsland opnieuw gearresteerd. Hij overlijdt in 1957 aan een hartinfarct. Horst Schumann weet na de oorlog lang onvindbaar te blijven, maar wordt in 1966 door Ghana uitgeleverd aan West-Duitsland. Tijdens zijn proces corrigeert hij de aanklager als die hem beticht van de moord op 30.000 joden. “Eerder tachtigduizend”, zegt Schumann. Josef Mengele, de meest beruchte arts van blok 10, vlucht na de oorlog naar Zuid-Amerika en overlijdt in 1979 tijdens een zwemtochtje.

Carl Clauberg (links) en Horst Schumann (rechts) in Blok 10 in Auschwitz.Beeld rv

Samy: “Na de oorlog is Hinda een relatie begonnen met een kleermaker. Ze had een man, ze had Rachel, ze had een hond. En ze hadden een tweede verblijf, een studio vlak bij de Promenade des Anglais in Nice. Hinda verhuurde die, en vaak verbleef ze er zelf. Hinda heeft gelukkige tijden gekend. Tot in 1980, zo. Want Rachel rookte wel drie pakjes sigaretten per dag en overleed jong aan een hartfalen.”

Samy, weduwnaar geworden, ontmoette Danielle en eind 1985 besloten ze te verhuizen naar Israël. Ergens begin jaren negentig, Hinda is dan bijna tachtig, duwt een handtasdief haar van de roltrap af in het winkelcomplex City 2 in Brussel. De tragiek van een leven. Je overleeft blok 10 in Auschwitz, en dan overkomt je dit. Ze kan niet meer stappen.

Samy: “De laatste tien jaar heeft ze in een home in Brussel doorgebracht. Ook toen, die laatste jaren, heeft ze nooit over Auschwitz gesproken. Je wist inmiddels wel al wat zo’n tatoeage op de binnenarm moest betekenen. Een heleboel slechtheid. Ja, je respecteerde haar zwijgen.”

Morgen: koning Leopold III wil z’n troon terug.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234