Donderdag 20/02/2020

Interview

Hilde Van Mieghem over kindermishandeling: ‘Ik haat het woord slachtoffer. Ik hou meer van overlever’

Hilde Van Mieghem en kinderpsychiater Peter Adriaenssens.Beeld Aurélie Geurts

Vanaf dinsdag loopt op Canvas Als je eens wist, een aan de ribben plakkende docuserie van Hilde Van Mieghem over kindermishandeling. Kinderpsychiater Peter Adriaenssens werkte eraan mee. ‘Incest is tegenwoordig vervangen door emotioneel geweld: ‘Ik negeer jouw bestaan.’’

Wanneer op dinsdagavond de eerste aflevering van Als je eens wist op Canvas wordt uitgezonden, verblijft maakster Hilde Van Mieghem ergens in Italië. “Ik verga van de stress door de mogelijke reacties”, zegt ze. “De dag voordat de documentaire op tv komt, ben ik weg. Ik móét dan elders alleen in de wilde natuur zijn, want hier op straat zal ik worden bekeken en aangesproken. Mensen komen me nu al hun persoonlijke verhalen vertellen. Ik kan dat allemaal niet dragen.”

Ik heb de drie afleveringen gezien en lag aan scherven. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat ikzelf ‘ervaringsdeskundige’ ben.

Hilde Van Mieghem: “Dat ben ik ook. Mijn moeder was een jonge progressieve vrouw, zeer ondernemend. Ze had twee heel brave kinderen en dan nog mij. Niet dat ik stout was, maar ik was nieuwsgierig, exuberant en stelde voortdurend vragen. Dat was lastig, heel lastig. Ik weet nu: men lijdt het meest om wat men vreest. Als kind was mijn angst om slaag te krijgen op voorhand duizend keer erger dan het moment waarop het gebeurde. Dan onderging ik het tot het voorbij was.

HILDE VAN MIEGHEM  • geboren op 14 april 1958 in Antwerpen • actrice, auteur en regisseur • was te zien in o.m. Vrijdag, Blonde Dolly, Sailors Don’t Cry, Kafka, Hombres Complicados, Alias en Tabula rasa; regisseerde De kus, Dennis van Rita, Smoorverliefd en Sprakeloos • columnist voor De Morgen • nam het op voor de vrouwen die bij de VRT een klacht indienden tegen Bart De Pauw wegens grens-overschrijdend gedrag

PETER ADRIAENSSENS • geboren op 3 september 1954 in Wilrijk • kinder- en jeugd­psychiater • tot eind 2019 hoofddocent aan de KU Leuven • directeur Vertrouwens-centrum kindermishandeling van Vlaams-Brabant • was voorzitter van de Commissie Seksueel Misbruik in een pastorale relatie • schreef meerdere succesvolle boeken over opvoeden, onder meer Praten met je tiener (2006)

“De getuigen die in Als je eens wist hun verhaal vertellen, zijn nu bang voor de reacties in hun omgeving. Het zijn ontzettend moedige mensen. Een van hen lichtte vorige week haar mama in dat ze met haar verhaal op tv komt. Haar moeder zei: ‘Je hebt gelijk, schat, het is gebeurd. Ik moet daarmee leren leven.’ Ik vond dat zeer ontroerend.”

Kregen de getuigen zeggenschap over het eindresultaat?

Van Mieghem: “Natuurlijk, over álles, zelfs over de aankondigingstrailers. Ik heb dat zo bij de VRT afgedwongen omdat ik die mensen op geen enkel moment wil schofferen of kwetsen. Het gaat niet over de ‘sensationele’ details van de mishandeling of het misbruik, maar over de gevolgen. Hoe leven die mensen daarmee? Hoe vinden ze hoop, redding? Ik haat het woord ‘slachtoffer’. Ik hou meer van ‘overlever’ omdat het stuk voor stuk krachtige mensen zijn.”

Peter Adriaenssens: “Toch hebben ze er recht op om als slachtoffer erkend te worden.”

Van Mieghem: “Ja, maar ze gedragen zich niet zo.”

Adriaenssens: “Dat klopt, het zijn wonderlijke overlevers.”

Meneer Adriaenssens, u hoort als kinder­psychiater wellicht veel vreselijke verhalen over familiaal geweld. Raakten deze getuige­nissen u nog persoonlijk?

Adriaenssens: “Zeker. Getuigen zoals de mensen in de documentaire van Hilde horen we zeer zelden. Wij spreken tijdens ons werk vooral met kinderen op het moment dat het geweld plaatsvindt. Bijna nooit vertellen overlevers vanop enige afstand hun verhaal. Dat maakt dit programma uniek.”

Van Mieghem: “Een reeks zoals Als je eens wist is in Vlaanderen inderdaad nog nooit gemaakt.”

Terwijl kindermishandeling toch iets van alle tijden is. Het is nog een écht taboe?

Adriaenssens: “Ja, het is taboe en nee, het is het niet, want het staat als misdrijf in het strafwetboek. We zijn er ons dus wel degelijk van bewust dat kindermishandeling bestaat en dat het bestraft moet worden.

“De zaak-Dutroux confronteerde veel mensen in de jaren 90 met de gruwel van kindermisbruik. In die periode zag ik in een buitenlands politiebureau een opname van een set waar kinderporno gefilmd werd. Kinderen werden gepijnigd en gefolterd om de juiste houdingen voor de film aan te nemen. Dat waren gruwelijke, traumatiserende beelden. Die politiemensen zeiden: ‘Jij werkt rond kindermishandeling, maar wist je eigenlijk wel dat seksuele misbruikers zo ver durven te gaan?’ De ondertoon was: tegenover seksueel misbruik valt een pak slaag of een vernederende opmerking in het niet. Een klap wordt dan verbloemend ‘pedagogische tik’ genoemd en wie emotioneel mishandeld is, krijgt pesterige opmerkingen zoals: ‘Je moet niet zo overgevoelig zijn.’

“De meeste mensen koesteren zich in de normaliteit en dat moet een slachtoffer van kindermishandeling bekopen. Want hij vertelt toch maar iets uit zijn kindertijd, waarbij de spontane reactie van velen is: ‘Er zullen toch ook nogal wat goede dingen gebeurd zijn?’”

De getuigenissen in Als je eens wist zijn toch een slag in het gezicht van al wie kinder­mishandeling minimaliseert of vergoelijkt?

Adriaenssens: “Ik hoop dat het zo is. Hoe meer mensen er dinsdag kijken, hoe beter. Maar daarna zal het onderwerp nog eindeloos opnieuw op tafel moeten komen. Want we weten dat mensen pas echt vatbaar zijn voor de gevolgen van kindermishandeling als ze er zelf mee geconfronteerd worden. Dat kan een geweldssituatie zijn of een gesprek met een broer of zus waaruit blijkt dat hij of zij mishandeld werd. Niet iedereen is altijd op de hoogte van wat er in zijn gezin gebeurde. Ik heb al heel vaak meegemaakt dat slachtoffers hun verhaal pas durven vertellen na de dood van hun ouders.”

Wat meteen ook wil zeggen dat veel ouders ermee wegkomen?

Adriaenssens: “Ja. Isolement is de prijs die je dreigt te moeten betalen voor het doorbreken van loyauteit. Maar ook na de dood van de ouders is het voor veel slachtoffers niet vanzelfsprekend om eindelijk met hun verhaal naar buiten te komen. Want dikwijls is er een zus of broer die smeekt om het niet te doen.”

Van Mieghem: “Of sterker nog, die zegt: ‘Het is helemaal niet waar.’”

Adriaenssens: “Ja, maar dat is dan de waarheid van die broer of zus. Want daders zijn zeer vaardig in het isoleren van het slachtoffer en in het creëren van alternatieve waarheden voor andere kinderen. Zeker als er een ‘voorkeurkind’ is, een kind dat ontzien wordt en alle impulsen krijgt om te ontwikkelen. Intussen kan de dader ongestoord zijn gang gaan met het slachtofferkind. In theorie zal hij dat ook ophemelen: ‘Je bent mooi, maar toch moet ik streng voor je zijn. Want als je niet goed studeert, loopt het fout met je af.’”

‘Het is voor je eigen goed.’

Adriaenssens: “Precies, en intussen worden één of meerdere andere kinderen in het gezin met rust gelaten. Toch blijkt dan vaak later, wanneer het slachtoffer eindelijk de moed vindt om te getuigen, dat broers en zussen hun solidariteit uitspreken. ‘Ik zat op mijn kamer toen ik hoorde hoe jij slaag kreeg.’ Bij seksueel geweld in het gezin wordt het slachtoffer doorgaans compleet geïsoleerd. En dan is er ook nog emotioneel geweld, waarbij het slachtoffer via woorden en daden mishandeld wordt. ‘Je bent een rotkind’, of: ‘Je bent het niet waard om onze zoon of dochter te zijn.’

Hilde Van Mieghem: ‘Als kind was mijn angst om slaag te krijgen op voorhand duizend keer erger dan het moment waarop het gebeurde.’Beeld Aurélie geurts

“De gevolgen van dat soort van mishandeling werden lang zwaar onderschat. Pas de laatste jaren wordt er grondig onderzoek over generaties naar gevoerd. De conclusie luidt dat er geen onderscheid is in de gevolgen voor de slachtoffers van álle vormen van kindermishandeling. Want dat gaat niet alleen over afgerammeld worden, geen eten krijgen of verkrachting. Maar ook over een vader die tegen zijn dochter zegt: ‘Met die borsten vind jij nooit een vent. Zie je daar zitten. Je vriendinnen, dát zijn pas knappe grieten.’”

Van Mieghem: “Of een moeder die tegen haar dochter zegt: ‘Hoe raak jij ooit aan een man met zo een vader?’ Toen mijn vader vijftien jaar geleden stierf, was het allereerste wat ik dacht: ‘Nu mag ik een man hebben.’ Ik schrok van mijn eigen gedachte.”

Welke vorm van kindermishandeling komt nu het meeste voor?

Adriaenssens: “Emotionele mishandeling. Incest is sterk gedaald, maar in de plaats kwam emotioneel geweld: ‘Ik negeer jouw bestaan.’”

Van Mieghem: “Een van de getuigen vertelt hoe er voor het ontbijt zelfs geen bordje voor hem werd klaargezet. Er stonden borden voor zijn broer, moeder en vader, maar niet voor hem. Dagen, weken, maanden na elkaar. Peter had het daarnet over ‘het slachtofferkind’ en ‘het voorkeurkind’, maar er zijn ook gezinnen waar álle kinderen slachtoffer zijn en een vorm van mishandeling moeten ondergaan. Ik ken zelfs een gezin waar een van de kinderen als kind zelf dader werd.”

Slachtoffers die zelf daders worden: ik heb dat altijd een raar fenomeen gevonden.

Van Mieghem: “Ik kan begrijpen dat die demonen het van je overnemen op momenten dat je niet heel alert bent. Ooit draaide ik op een nacht de slaapkamerdeuren van mijn kinderen op slot omdat ik bang was dat ik hen iets zou aandoen. Ik heb dan de kat maar een trap verkocht.”

Adriaenssens: “Als je zelf mishandeling hebt meegemaakt, wil je niet dat jouw kind dat ook moet doorstaan. In je gedachten creëer je een schat van een kind, zoals jij potentieel had kunnen worden. Een kind waar jouw vader en moeder nooit boos op hadden kunnen zijn. ‘Ik zal mijn kind graag zien en niet behandelen zoals mijn ouders dat met mij deden.’

“Het grote probleem is dat je een écht kind moet opvoeden en geen theoretisch. Een kind dat in liefde geboren wordt, heeft óók moeilijke trekken en kan zeuren over wat jij pietluttigheden vindt. Want jij kan vergelijken met wat jij indertijd hebt meegemaakt. ‘Ga je hier over zagen? Ik zal je eens vertellen waar het op staat!’ Zonder dat je het in de gaten hebt, is er ook bij jou die opvoedingsdrang om een kind te plooien in de richting die jij wil. En dan zijn er natuurlijk ook die prille veertigers die tegen hun snikkende kind roepen: ‘Bij mij is het Latijn er ook ingeramd, met de zweep! Toen vond ik dat vreselijk, maar vandaag ben ik daar blij mee. Want kijk waar ik nu sta!’”

Van Mieghem: “Maar is het toch ook niet vaak een vorm van dissociatie? Van een of ander kindsdeel dat het van je overneemt? De in 2010 gestorven psychologe Alice Miller voerde haar hele leven onderzoek naar kindermishandeling. Volgens haar worden slachtoffers daders omdat ze telkens weer het scenario willen uitleven.”

Wil dat dan zeggen dat de strijd tegen kinder­mishandeling haast zinloos is? Het geweld wordt immers toch bijna continu van dader op slachtoffer doorgegeven?

Adriaenssens: “Dat is een gevaarlijke boodschap. Slechts 10 procent van de slachtoffers herhaalt wat ze zelf hebben meegemaakt. Bijna 90 procent niet, dus.”

Van Mieghem: “Is dat zo? Ik dacht dat bij seksueel misbruik 90 procent van alle daders ooit slachtoffer was en dat 30 procent van de slachtoffers mogelijk dader wordt.”

Adriaenssens: “Cijfers zijn altijd nogal problematisch in dit domein en onderzochte groepen zijn niet altijd even vergelijkbaar. Maar wat wél 100 procent zeker is, is dat de oneliner niet klopt dat wie misbruikt is, een hoger risico loopt om ook zijn kind te mishandelen. Helemaal niet: slachtoffers worden zelden dader. Het is heel belangrijk dat slachtoffers dat weten.

“Meer dan dertig jaar geleden gaf ik een interview aan Humo over de ernstige gevolgen van seksueel misbruik. Een week later stond er een lezersbrief van een zestienjarige in het blad. Die jongen schreef: ‘Ik ben slachtoffer van seksueel misbruik. Volgens Peter Adriaenssens bestaat de kans dat ik later ook mijn kinderen zal mishandelen. Dus rest me nu maar één conclusie: als ik iets voor de mensheid wil betekenen, pleeg ik zelfmoord.’ Die brief was een vreselijke schok voor mij. Ik werd me toen pijnlijk bewust van mijn verantwoordelijkheid bij het informeren van mensen.

KINDERMISHANDELING IN CIJFERS * 6.769 kinderen gemeld bij de zes Vertrouwenscentra Kindermishandeling. 14,2 procent was jonger dan 3 jaar * 30,5 % van de meldingen ging over lichamelijke mishandeling * 33,1 % ging over emotionele mishandeling * 13,3 % ging over seksueel misbruik (Bron: Vertrouwenscentra Kindermishandeling, cijfers over 2018)

5-7 % van de jongeren wordt thuis geconfronteerd met ernstig verbaal geweld * 7,5 % van de jongeren werd ooit door een ander gezinslid geslagen of geschopt, waarvan 2 procent regelmatig * 4 % kreeg in het gezin ooit te horen dat hij of zij beter niet geboren was (Bron: enquête van het Kinderrechtencommissariaat bij 2.000 kinderen tussen 10 en 18 jaar, 2011)

“De slachtoffers die ik in mijn praktijk als psychiater leer kennen, zitten op dat moment vreselijk in de knoei. Maar toch raken ook velen op eigen houtje uit de problemen, zonder ooit op de hulpverlening beroep te hebben moeten doen. Mensen met goeie vrienden, een behulpzame partner, een interessante job en een begripvolle omgeving die zo zelf hun evenwicht vinden.

“Slachtoffers van kindermishandeling worstelen met een posttraumatisch stress­syndroom (PTSS). Ze krijgen een depressie of een eetstoornis, worden geplaagd door nachtmerries of klappen soms dicht. Hun partner zegt dan: ‘Je bent weer zo stil?’ Maar niet iedereen met een ernstig trauma ontwikkelt per se psychiatrische problemen. Het schandelijke is dan dat advocaten van daders voor de rechtbank de zaak omdraaien. ‘Er is bij het slachtoffer op dit ogenblik geen sprake van PTSS, zo erg zal het dus wel niet geweest zijn.’ Zo proberen ze de geloofwaardigheid van slachtoffers in diskrediet te brengen. ‘Hij of zij overdrijft, of fantaseert.’”

Wordt er veel gefabuleerd?

Adriaenssens: “Nee, dat is net het schokkende. Onderzoek toont glashelder aan dat er in gevallen van kindermishandeling niet meer dan 6 à 8 procent verzonnen wordt. Waarom hebben we het dan zo vaak over die minieme groep en bijna nooit over de 92 procent die de waarheid vertelt?”

Van Mieghem: “Als ik tegen iemand zeg dat ik Als je eens wist gemaakt heb, is de eerste reactie vaak weerstand en weerzin. ‘Ik wil het niet zien; ik moet het niet weten! Ik mishandel mijn kind niet.’ Dat zal wel. Ik zeg dan: ‘Als je mijn documentaire gezien hebt, kan je morgen misschien bij een vriendje of vriendinnetje van je kind de signalen herkennen. En vervolgens hulp bieden.’”

Is net dat niet ontzettend moeilijk?

Van Mieghem: “Zeker, maar ik heb het indertijd wél gedaan met een vriendin van mijn dochter. Ik sprak toen de ouders van dat meisje aan. De vader vertelde me dat hij als kind mishandeld was, niet zij. ‘Ze doet me na.’ Ik vroeg een psychiater of dat mogelijk was. ‘Ja, dat is inductie’, zei hij. ‘Je kind heeft de symptomen van een trauma zonder het zelf beleefd te hebben.’ Ik geloofde dus de vader en tuinde er zo in. Daar kwam ik pas later achter. Het leek alsof mijn interventie niets had uitgehaald, tot tien jaar later dat meisje naar me toestapte: ‘Hilde, dank je, want toen is het wel gestopt.’”

Adriaenssens: “Als je als hulpverlener mishandelende ouders aanspreekt, krijg je meestal de opmerking: ‘U noemt dat kindermishandeling? Ik zal u eens zeggen wat kindermishandeling is.’ En dan volgen verhalen uit hun eigen jeugd of uit hun omgeving. Die mensen vinden dan dat ze hun best doen, want ze delen minder klappen uit dan hun ouders.

“Het is veel makkelijker als je tegenover een echt criminele ouder zit, tegenover een stiefvader die tegen zijn stiefdochter zei: ‘Ik heb seks met je om je te beschermen tegen de viezeriken van jouw leeftijd. Dankzij mij zal je leren hoe je daarop moet reageren.’ Iedereen weet: die kerel is geschift. Maar meestal is de dader een vader of moeder waarin het mishandelde kind ook kwetsbaarheid bespeurt. Iemand van wie broers of zussen zeggen: ‘Toen je problemen op school had, kwam papa toch ook voor je op?’

“Langs alle kanten wordt er beroep gedaan op de loyaliteit van het slachtofferkind. Een kind wil later niet dat zijn ouder strafrechtelijk veroordeeld wordt, maar vraagt eigenlijk heel bescheiden aan mama of papa: ‘Mag ik de waarheid zeggen? En kan je me dan bevestigen dat het waar is?’”

Een kind vraagt erkenning?

Adriaenssens: “Ja, en vaak komt die niet.”

Van Mieghem: “Een van de getuigen was elf toen haar moeder haar vroeg: ‘Wat doe ik? Blijf ik bij hem of ga ik weg?’”

Adriaenssens: “Zo schoof zij de verantwoordelijkheid in de schoenen van haar elfjarige dochter. Die moeder wist heel goed wat haar kind zou antwoorden. De rest van haar leven vraagt dat meisje zich vervolgens af waarom ze ‘blijf samen’ zei.”

Van Mieghem: “Ik vind dat krankzinnig. Niet alleen ouders, maar ook broers of zussen blijven soms in ontkenning leven. ‘Waar kom jij nu mee af? Wij hadden een geweldige opvoeding en een schitterende jeugd. Oké, er werd af en toe wel eens een lap uitgedeeld, maar wat hebben ze ons allemaal niet gegeven?’ Die ontkenning van broer of zus doet ook pijn.”

Peter Adriaenssens: ‘Daders zijn zeer vaardig in het isoleren van het slachtoffer en in het creëren van alternatieve waarheden voor andere kinderen.’Beeld Aurélie Geurts

Adriaenssens: “Zeker. En het is niet omdat het ene kind het zwaar te verduren kreeg dat het andere kind niets positiefs meer over zijn ouders mag zeggen. Het enige wat het mishandelde kind vraagt, is erkenning. Maar zo’n mishandeld kind dat zich roert, vinden wij hier in onze Vlaamse families niet zo fijn. Dan sust een broer of zus aan tafel al snel: ‘Weer niet beginnen, hè. Wie wil er nog koffie?’ Vaak durft dan niemand het voor je op te nemen en uit te spreken: ‘Je hebt gelijk. Mama en papa hebben je niet correct behandeld.’

“De therapeut is op dat moment zowat de enige die voor veiligheid kan zorgen. Des te wranger is het dat minister van Welzijn Wouter Beke dit jaar 92.000 euro wil besparen op de Vertrouwenscentra Kindermishandeling. Begin dit jaar schreef Hilde daarover in haar column, maar voor de rest hulde zowat iedereen zich in stilzwijgen. Ik ben soms zo jaloers op die klimaatbrossers.”

U zou willen dat overlevers massaal de straat op gaan om te demonstreren tegen die bezuiniging?

Adriaenssens: “Ik vind het jammer dat er bij ons geen lotgenotenvereniging is zoals in Nederland, Frankrijk of Engeland. Als je honderden leden hebt, wordt er naar je geluisterd. Bij ons staan de slachtoffers er iedere keer weer moederziel alleen voor. Van elk slachtoffer dat voor de camera van Hilde getuigt, voel je de eenzaamheid.

“Twee weken geleden woonde ik in Nederland een congres over kindermishandeling bij, waaraan lotgenoten en hun organisaties deelnamen. Er zat 400 man in de zaal. Volwassen mannen en vrouwen stonden op, namen de micro en getuigden in het openbaar over de gevolgen van wat hen als kind overkomen was: ‘Als iemand mij nu onverwacht aanraakt, als ik een bepaald parfum of een bepaalde stof voel, is alles plots terug.’”

Wil dat dan zeggen dat wie in zijn jeugd door zijn ouders mishandeld is, levenslang gekregen heeft?

Van Mieghem: “Ik verzet mij met hand en tand tegen dat vonnis van levenslang. Dan kan ik er net zo goed zelf een einde aan maken. Al klopt het natuurlijk wel dat ik al een paar decennia bezig ben met uitzoeken hoe ik alles moet verwerken.

“Wel levenslang is die diepe eenzaamheid. Die gaat nooit helemaal weg. Peter zegt op een bepaald moment in mijn documentaire: ‘Niemand grijpt zo diep op je in als je ouder.’ Dat is ontzettend frustrerend voor partners en kinderen van slachtoffers, want zij blijven die eenzaamheid voelen. Je krijgt dat gevoel nooit weg. Ook ik worstel ermee en toch zoek ik die eenzaamheid altijd op. Omdat het veilig is om alleen te zijn.”

Adriaenssens: “Het is belangrijk dat je als slachtoffer op een bepaald moment aanvaardt: ‘Dit verhaal draag ik levenslang met me mee, maar vandaag ben ik er meester over.’ De dag dat je de strijd stopzet en aanvaardt dat het een deel van je leven is, begint je herstel.”

Van Mieghem: “Dat is waar. Dat heb ikzelf nog niet zo lang geleden ontdekt.”

Adriaenssens: “Dat voel je als kijker ook in de manier waarop jij met je getuigen praat. Zij zullen met mij nooit dat soort van gesprekken voeren. Als ervaringsdeskundige boezemde jij vertrouwen in. Tezelfdertijd slaagde je erin afstand in te bouwen. Het was geen kwestie van: nu gaan we eens even met straffe gruwelverhalen iedereen choqueren. Integendeel. Je sprak met die mensen over heel fundamentele kwesties. Ze vertrouwden je en getuigden over de weg die ze hadden afgelegd. Dat vond ik mooi.”

Wat mij opviel: de getuigen zeggen continu ‘sorry’.

Van Mieghem: “Ja, ik zeg dat ook heel vaak. Jij misschien ook, Jan?”

Ja.

Van Mieghem: “Sorry, hè. (lacht) En dan die constante zelftwijfel: ‘Zei ik iets verkeerd? Deed ik iets fout? Was ik niet te dit, was ik niet te dat? Hebben ze me wel juist begrepen?’ Om gek te worden. Soms kan ik ook urenlang kwaad zijn op mezelf, bij alles wat ik die dag onderneem. Gelukkig heb ik leren mediteren; mindfulness helpt.”

Adriaenssens: “Die innerlijke stem is de stem van de dader. Gelukkig heb jij intussen je eigen medicijn gevonden door te acteren en door af en toe de stilte van de natuur op te zoeken. Dat geldt ook voor veel andere getuigen in je reeks. Iemand danst, iemand acteert, nog iemand anders tekent.

“Dankzij de neurowetenschap kennen we het effect van kindermishandeling op de hersenen. We weten nu dat het perfect normaal is dat mensen die in hun kindertijd abnormale dingen meegemaakt hebben, zich later af en toe ‘abnormaal’ gedragen. Ze klappen dicht op onverwachte momenten of zijn overactief.

“Wij gaan als therapeuten bij kinderen op zoek naar manieren om vanuit die ‘rare’ gedragingen een medicijn te brouwen. Geen pillen, maar iets waar ze troost en hoop uit putten. Zo beland je snel in de wereld van de kunst, want dan gaat het vaak over muziek, toneel, tekenen, schilderen, schrijven of dansen.”

Van Mieghem: “Op mijn achtste zag ik voor het eerst theater en daar werd geroepen, gebruld, gehuild en gelachen. Daar mocht álles en er werd zelfs voor geapplaudisseerd. Ik dacht: daar moet ik bij zijn, want dan mag ik vrijuit spreken en bewegen.”

Bij kindermishandeling is er een dader, en meestal ook een partner die weet wat er gebeurt, maar zwijgt. Mag ik hem of haar een medeplichtige noemen?

Adriaenssens: “Vanuit het standpunt van het kind wel. Elke ouder zou tegen zijn kind moeten zeggen: ‘Je kan altijd bij me terecht als iemand dingen met je doet die niet kunnen. Oók als dat mama, papa, oma of opa is.’ Veel mensen horen dat niet graag. Ze vinden dat kinderen zo hun ouders leren wantrouwen. Maar als ouders niets te verbergen hebben, kunnen ze daar toch geen probleem mee hebben?”

Als je als overlever zelf kinderen krijgt, komt de vraag: hoe kan het dat mijn ouders mij dat hebben aangedaan?

Van Mieghem: “Dat heb ik ook, ja. Al begrijp ik wel dat mijn ouders allebei geen makkelijke jeugd hadden. Het waren ook oorlogskinderen. Maar ik neem hen wel kwalijk dat ze nooit tot inzicht gekomen zijn. ‘Wat wij met ons kind uitgespookt hebben, was niet oké.’”

Adriaenssens: “Dan hebben we het niet over ‘schuld’, maar over het nemen van verantwoordelijkheid.”

Dat gebeurt heel zelden?

Van Mieghem: “Ik vrees het.”

Adriaenssens: “Bij interventies bij actuele kindermishandelingen kantelt een grote groep ouders wel. Jammer genoeg komt slechts een minderheid tijdig bij de hulpverlening terecht. Je kan als ouder niet twintig jaar blijven zeggen: ‘Ik wist van niets.’ Ooit móét je je verantwoordelijkheid nemen. Soms zien ouders het licht op hun sterfbed: ‘Ik had dat niet mogen doen.’ Voor een slachtoffer is dat meteen een wereld van verschil.”

Als je eens wist, vanaf dinsdag 11 februari om 21u20 op Canvas en meteen integraal op canvas.be.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234