Zondag 25/07/2021

InterviewPesten op het werk

‘Hij werd vastgebonden in het magazijn’: hoe pesten op het werk steeds erger wordt

null Beeld Shutterstock
Beeld Shutterstock

We mogen terug naar kantoor, en velen kunnen niet wachten om hun collega’s opnieuw te ontmoeten, maar voor één op de vijf Belgen is de werkvloer een oorlogsgebied. Ondanks massaal thuiswerken zijn de cijfers van pesterijen op het werk tijdens de coronacrisis niet gedaald, integendeel. Bij de preventie-dienst IDEWE zijn de meldingen sinds begin dit jaar flink aan het stijgen.

In juni 2019 startte Ilse (24) als secretaresse in het carrosseriebedrijf waar haar vriend werkte. Fijne collega’s, leuk werk: anderhalf jaar lang ging alles goed. Tot ze op een vrijdagavond thuiskwam na de wekelijkse drink met de collega’s, en merkte dat ze haar jas op het werk had vergeten. Waar had ze die gelaten? Haar vriend had toegang tot de camerabeelden in het bedrijf en klapte zijn computer open om even te kijken.

Ilse: “Op de livebeelden zagen we dat de drink inmiddels was afgelopen, er stonden nog enkele lege glazen op tafel. Ik zag ook mijn jas: ze hing midden in de werkplaats op een oude paspop. Ik was stomverbaasd: daar had ik ze zeker niet achtergelaten. Mijn vriend spoelde de camerabeelden terug naar het moment waarop het feestje nog aan de gang was. En daar zag ik één van mijn collega’s met mijn jas aan. Hij had er allerlei wisselstukken onder gestoken, om te tonen hoe dik ik was. Hij paradeerde voor twee andere collega’s met een brandslang om zijn lijf, zwaaiend naar de camera. Een vrouwelijke collega stond erbij en filmde alles met haar gsm. Ze vonden het ontzettend grappig. Toen ze weggingen, lieten ze mijn jas achter op de paspop.

“Ik was sprakeloos. Ik werkte daar al anderhalf jaar en schoot goed op met mijn collega’s, dacht ik. Van het volgende uur herinner ik me alleen dat mijn lichaam daverde. Ik kreeg het bloedheet, dan ijskoud, en alles werd zwart voor mijn ogen. Het weekend was vreselijk.

“Maandagochtend vond ik mijn jas op de paspop terug. Ik haalde ze eraf en verstopte ze snel in mijn auto, voor iemand vragen kon stellen. Ik schaamde me rot en durfde tegen niemand iets te zeggen, ook niet tegen mijn ouders. Ik weet dat ik niet mager ben, maar om tegen je ouders te gaan zeggen dat je uitgelachen wordt… Dat was mij nog nooit overkomen. Ik ben nooit gepest op school, ook al was ik een mollige tiener. Ik wist dat ik er weinig aan kon doen en had me verzoend met mijn lichaam. Als je 24 bent, denk je dat je de leeftijd voor pesterijen wel voorbij bent. Niet dus.

“Het filmpje had me enorm gekwetst, maar dat was niet eens de reden dat ik een paar maanden later ontslag nam en nu naar een psycholoog ga. Dat kwam door alles wat daarna gebeurde. Via een collega kreeg de zaakvoerder lucht van het filmpje en hij riep de collega’s op het matje. Toen zijn de echte pesterijen begonnen. Vooral mijn vrouwelijke collega, een boekhoudster van wie ik dacht dat ze een vriendin was, maakte me het leven zuur. Ik werd bang en onzeker, en ging kapot aan de stress. In maart van dit jaar heb ik mijn ontslag gegeven. Ik deed mijn job supergraag en ik was blij dat ik werk had in de coronacrisis, maar het ging niet meer. Mentaal en fysiek zat ik er volledig door.”

OPGESLOTEN IN KOOI

In 2000 pleegde de 21-jarige postbode David Van Gysel uit Vlaams-Brabant zelfmoord. De man, die 130 kilo woog, verwees in zijn afscheidsbrief naar de jarenlange pesterijen op het werk. Nadat hij zich onder een trein had gegooid, zongen de collega’s volgens zijn ouders ’s anderendaags ‘In een klein stationnetje’ in het postkantoor.

Het tragische einde van de postbode was de aanleiding voor de allereerste pestwetgeving in België, die ervoor moest zorgen dat pesten op het werk bestraft kon worden. Twintig jaar later blijkt dat de wet het sarren tussen collega’s niet heeft gestopt. Ongeveer 18 procent van de Belgen wordt vandaag op de één of andere manier gepest op het werk, zegt Chahida Azzarouali van de KU Leuven, die onderzoek doet naar pestgedrag op de werkvloer.

Bij een klein deel van de slachtoffers, 3,6 procent, gaat het over extreme pesterijen met fysiek geweld of psychische terreur. Collega’s die uitwerpselen in elkaars schoenen smeren, elkaar kleineren of intimideren. Brute scheldpartijen, gemene roddels en kwetsende aanvallen op het privéleven, de seksuele geaardheid of religie.

Chahida Azzarouali: “Er zijn ooit beelden in de media verschenen van een werknemer die in een magazijn werd vastgebonden aan palletten. Hij werd bedolven onder kilo’s talkpoeder zodat hij bijna stikte, en opgesloten in metalen kooien. Voor die slachtoffers van zware pesterijen moeten we extra waakzaam zijn, omdat zij er volledig onderdoor kunnen gaan.

“Andere werknemers worden op subtielere en minder zichtbare manieren gepest, maar dat is niet minder pijnlijk. Men praat niet meer tegen de werknemer, men breekt zijn werk af, men spot met hem en men brengt zijn professionele waarde in diskrediet… Er ontstaat een onevenwicht tussen de pester en het slachtoffer, dat het gevoel heeft zich niet te kunnen verdedigen. Dat kan een hiërarchisch onevenwicht zijn – een leidinggevende die een ondergeschikte pest – maar ook een psychologisch of een ander onevenwicht.”

Wanneer kun je van echte pesterijen spreken?

Azzarouali: “Soms gaat het om heel duidelijke, zware aanvallen en is het niet zo moeilijk om er de vinger op te leggen. Maar pesten kan ook een opeenvolging van kleine, meer subtiele feitjes of uitspraken zijn die op zich misschien niet zo erg lijken. Maar omdat ze zich herhaaldelijk voordoen en soms maanden of jaren aanhouden, kunnen ze een zware impact op het slachtoffer hebben. Het kan iemands zelfvertrouwen compleet ondergraven. Net omdat het soms om kleine dingen gaat, is het voor de pester gemakkelijk om te ontkennen of te minimaliseren: ‘Het was niet zo bedoeld.’ Of: ‘Het was een grapje.’ Daders hebben ook niet altijd de intentie om te pesten. Dat maakt het voor een slachtoffer heel moeilijk om te bewijzen dat hij of zij gepest wordt.”

Bijna alle pestslachtoffers die ik heb gesproken, zaten thuis met een burn-out of een depressie.

Azzarouali: “(knikt) De constante stress die slachtoffers ervaren, heeft op lange termijn een invloed op hun fysieke en mentale gezondheid. Ze lopen bijvoorbeeld een hoger risico op nekpijn, hoofdpijn en misselijkheid. Soms mondt het inderdaad uit in een depressie of een burn-out, en zit de werknemer weken of maanden thuis. Ik had onlangs nog een gesprek met een man die anderhalf jaar gepest was op het werk, en twee jaar thuiszat met een depressie. Het beïnvloedt ook het privéleven van het slachtoffer. De sfeer thuis lijdt eronder en er kunnen meer conflicten in het gezin ontstaan. Op termijn kan ook de partner depressiesymptomen vertonen. Niet zelden eindigt het ermee dat de gepeste de organisatie verlaat, terwijl de kwelduivel op zijn post blijft.

“Uit Scandinavisch onderzoek blijkt dat slachtoffers van pesterijen ook vaker zelfmoordneigingen hebben. Ook bij ons haalt een zelfdoding op de werkplek af en toe de media, maar het taboe blijft groot.

“De maatschappelijke en economische kosten zijn dus niet te onderschatten. Voor België zijn er geen recente cijfers, maar in het Verenigd Koninkrijk schat men de kosten van pesten en ongewenst gedrag op het werk op ruim 2 miljard pond per jaar.”

Dat pesten op het werk een hypergevoelig onderwerp is, blijkt al snel tijdens onze zoektocht naar slachtoffers die hun verhaal willen doen. De meesten schamen zich dood en willen enkel anoniem en onherkenbaar geciteerd worden. ‘Je voelt je zo’n zwakkeling. Pas een week voor ik ontslagen werd, heb ik het thuis aan mijn vrouw durven te vertellen,’ zegt een verpleegkundige. Een godsdienstlerares die naar een andere school vluchtte, was bang dat ze niet geloofd zou worden. ‘Dat je op school een antipestweek moet organiseren voor de leerlingen terwijl je zelf al maanden het mikpunt bent van giftige aanvallen in de leraarskamer, dat gelooft toch niemand?’ Velen zijn getraumatiseerd. ‘Ik heb een paar keer ten einde raad op een brug gestaan,’ bekent een bakkersgast die door zijn baas werd geterroriseerd. En de angst voor represailles blijft groot. Een opvoeder uit een gehandicapteninstelling: ‘Mijn directeur heeft me gezworen dat ik nooit meer werk in de sector zou vinden.’

Chahida Azzarouali. Beeld rv
Chahida Azzarouali.Beeld rv

MAAGVERKLEINING

Toen de zaakvoerder de pijnlijke camerabeelden met de jas van Ilse onder ogen kreeg, riep hij de drie grappenmakers bij zich en zei hij dat hij dat gedrag niet kon dulden. De twee mannen van het gezelschap verontschuldigden zich nog dezelfde dag bij Ilse. Alleen de boekhoudster die had staan filmen, ontkende alles. ‘Ik ga me niet excuseren voor iets wat ik niet heb gedaan.’

Ilse: “Had ze zich verontschuldigd, dan was het in orde geweest voor mij en konden we het achter ons laten. Maar die avond nam ze me apart en zei ze dat ze niet wist waar ik het over had. Ze draaide de rollen om, met tranen in de ogen: ‘Jij schildert me af als een slecht mens.’ Daardoor begon ik me zelf schuldig te voelen. Had ik overdreven? Had ik er gewoon om moeten lachen?

“Vanaf die dag sloeg haar gedrag om. Voorheen waren we vriendinnen op het werk, we waren zelfs een paar keer bij elkaar thuis geweest. Nu was ik lucht voor haar. Ze sprak geen woord meer tegen me: geen goeiemorgen, geen antwoord op mijn vragen. Ook mijn mails liet ze onbeantwoord. Zij was de collega met wie ik het nauwst moest samenwerken, maar op den duur durfde ik haar geen enkele vraag meer te stellen.

“Op een keer vroeg ze aan de collega naast mij of ze een klant nog extra materiaalkosten moest aanrekenen. Die man wist van niks en zei dat ze het beter aan mij kon vragen. Ik antwoordde dat er geen extra kosten meer waren, maar ze deed alsof ze het niet hoorde, en stelde de vraag opnieuw aan mijn buurman. Dat heeft ze drie keer gedaan, en drie keer negeerde ze mijn antwoord. Het is erop uitgedraaid dat ik het antwoord aan die collega moest geven en hij de boodschap dan aan haar doorgaf, terwijl ik erbij zat. Dan moet je op je tanden bijten, hoor.

“Ze lachte me uit als ik een telefoontje in het Frans moest doen. Ze maakte stekelige opmerkingen als er taart was: ‘Het ligt zwaar op de maag, zelfs Ilse krijgt haar stuk niet op.’ Als ik naar het toilet ging, begon ze te konkelfoezen met een collega, en als ik terugkwam, zweeg ze abrupt. Vroeger betrok ze me bij alle personeelszaken en gingen we samen naar de zaakvoerder. Nu ging zij alleen, deed ze de deur achter zich dicht en werd er tien keer door het raam naar mij gekeken. Dan kreeg ik een vuurrode kop. Heb ik iets niet goed gedaan? Is ze weer gaan klagen over mij? Je gaat je heel onzeker voelen.”

Hoe reageerde de zaakvoerder?

Ilse: “Hij zei altijd dat hij pesterijen niet duldde in zijn bedrijf en beloofde dat hij zou ingrijpen, maar uiteindelijk heeft hij niets gedaan. Als ik hem probeerde uit te leggen hoe moeilijk werken het was, suste hij: ‘Trek het je niet aan, het is een speciale.’ Ik heb een paar keer gezegd dat ik ander werk zou zoeken omdat het niet meer ging. ‘Ah, is het zo erg? Dat hadden we niet verwacht.’ Daar werd ik radeloos van: ‘Ja, het is zo erg! Zien jullie dat dan niet?’ Maar natuurlijk vernederde ze me vooral als de zaakvoerder er niet was. Als hij in de buurt kwam, deed ze min of meer normaal, waardoor hij niet doorhad hoe erg het was.”

Hadden jullie een vertrouwenspersoon in het bedrijf met wie je kon praten?

Ilse: “Nee, wel twee preventieadviseurs, maar ik was één van hen. Ik zag geen uitweg. Ik kon toch moeilijk met mezelf gaan praten?

“Ik vraag me nog altijd af waarom de bazen haar lieten begaan. Wellicht omdat zij de boekhouding deed: haar job was belangrijker dan die van mij. Ze was tien jaar ouder dan ik en werkte ook al langer in het bedrijf. De zaakvoerder zei op een bepaald moment: ‘Als het niet gaat tussen jullie, zal ik een beslissing moeten nemen.’ Dan zou ik moeten vertrekken, wist ik.”

Ilse voelde zich almaar slechter. Ze kreeg concentratieproblemen en begon fouten te maken op het werk, waardoor ze nog nerveuzer werd. Ze sliep onrustig, kreeg migraine en paniekaanvallen. En ze huilde elke dag: overdag in de toiletten op het werk, ’s avonds als ze thuiskwam.

Ilse: “Elke ochtend als ik wakker werd, moest ik naar de toiletpot rennen om te braken of omdat ik diarree had – van de stress. Ik voelde me waardeloos. Wat had ik in mijn leven al bereikt? Ik had nergens nog zin in en kon niet meer lachen. Ik was mezelf kwijt. Plots begreep ik mensen die zelfmoord plegen een stuk beter. Ik weet nu dat je je zo slecht kunt voelen dat het leven niet meer hoeft.”

Drie maanden later gaf Ilse ten einde raad haar ontslag.

Ilse: “Ik ben meteen op zoek gegaan naar een nieuwe job, maar dat viel tegen. Als je ergens gaat solliciteren, vragen ze je ook waarom je je ontslag hebt gegeven. Ik vertelde eerlijk dat ik gepest werd, maar daar word je op afgerekend. Er zal wel iets mis zijn met haar, denken mensen nu eenmaal. Dan kreeg ik bericht: ‘We vragen je niet voor een tweede gesprek, want we zoeken iemand die sterker is.’

“Intussen heeft het meisje dat me op mijn oude werk moest vervangen ook ontslag genomen, omdat ze net hetzelfde heeft meegemaakt met de boekhoudster. Ze nam contact met mij op via Facebook, en we hebben met elkaar gebeld. Het was alsof we elkaar al jaren kenden, zo goed begrepen we elkaar.

“Het gaat nu iets beter met mij, maar die maanden waren vreselijk voor mijn zelfbeeld. Ik heb mezelf altijd graag gezien zoals ik was, maar nu overweeg ik een maagverkleining. Vroeger had ik nooit zoiets gewild, maar ik heb me voorgenomen om nooit meer gepest of uitgelachen te worden.”

BUITENBEENTJES

‘Iedereen kan het mikpunt van pesterijen worden’, zegt pestcoach Michel Lamine (40). Nadat hij zelf als ingenieur uit een onderzoekscel was weggepest, ging hij zich in de problematiek verdiepen en andere slachtoffers begeleiden. In tien jaar tijd heeft hij zo’n zevenhonderd dossiers behandeld.

Waarom kloppen mensen aan bij een pestcoach?

Michel Lamine: “Meestal vragen ze me eerst hun situatie te analyseren: worden ze echt gepest of beelden ze het zich in? Mensen durven het vaak niet aan zichzelf toe te geven. Ze schamen zich enorm dat ze zich als volwassene zo laten doen. Ik wil die schaamte doorbreken, want pesten heeft niet noodzakelijk met jouw persoonlijkheid te maken. Meestal spelen er andere factoren, zoals de manier waarop het werk wordt georganiseerd, de werkomstandigheden, onzekerheid bij je collega’s, onderlinge competitie of jaloezie.

“Pesten verloopt altijd volgens hetzelfde patroon. Het begint met een kritisch incident, soms iets heel banaals, dat alles in gang zet. Dat kan een conflict tussen twee collega’s zijn of een grapje dat verkeerd wordt begrepen, maar evengoed een werknemer die een pluim van de baas krijgt, of een op til zijnde reorganisatie. Als er mensen moeten afvloeien en bepaalde functies ingevuld moeten worden, krijg je altijd spanningen op de werkvloer. Mensen spelen soms vieze spelletjes om hun baan te behouden of een andere collega een beentje te lichten.”

Michel Lamine. Beeld HUMO
Michel Lamine.Beeld HUMO

Azzarouali: “Een slecht georganiseerde werkomgeving vormt een ideale voedingsbodem voor pesterijen. Een te hoge werkdruk, te weinig pauzes voor de werknemers, een werkplaats waar het veel te heet is of een gebrek aan werkmateriaal: dat kan allemaal frustraties bij de werknemers opwekken, waardoor ze zich op elkaar beginnen af te reageren. Als je het risico op pesten wilt verkleinen, creëer je best een gezonde werkomgeving.

“Het klimaat in de organisatie en de heersende normen in een team spelen ook een belangrijke rol. Als de top van het bedrijf en de leidinggevenden geen duidelijk signaal geven dat ze pesterijen niet dulden, krijgen daders carte blanche en kunnen ze ongeremd doorgaan. In sommige bedrijven nestelt zich een pestcultuur, en vertrekt het ene na het andere slachtoffer zonder dat de dader of daders sancties opgelegd krijgen.”

Een soort collectief pesten?

Azzarouali: “(knikt) Het kan om één of meerdere daders gaan. Soms kunnen omstanders op een passieve manier bijdragen aan de escalatie van de pesterijen. Door niet in te grijpen, bijvoorbeeld, uit angst om zelf het doelwit te worden. Je hebt ook meelopers die lachen om de grapjes van de pestkop en azen op de roddels. Dat kan het extra zwaar maken voor het slachtoffer.”

Lamine: “Mensen pesten vaak uit onzekerheid, omdat ze zich bedreigd voelen, omdat ze bang zijn iets te verliezen. Niet toevallig wordt in bedrijven waar de onderlinge competitie groot is, veel gejend en gejudast. Maar ook persoonlijke jaloezie kan een rol spelen. Een werknemer krijgt bijvoorbeeld lovende commentaar van de bedrijfsleider in aanwezigheid van alle collega’s. Sommigen zullen applaudisseren, maar er is er misschien één die denkt: hola, die ligt in de bovenste schuif, straks steekt die mij voorbij. Dat maakt hem onzeker: doet die zijn werk beter dan ik? Zoiets kan een trigger zijn om iemand te gaan pesten.”

In welke situaties loop je het meest risico om gepest te worden?

Azzarouali: “Als er onder collega’s veel ongenoegen is door een slechte werkomgeving. Dan zijn mensen die van de andere teamleden afwijken de buitenbeentjes, voor de hand liggende slachtoffers. Een voorbeeld uit de praktijk: in een arbeidersafdeling die werd gedomineerd door blanke mannen, werden vrouwen en werknemers met een andere culturele achtergrond systematisch gepest. Maar het kan ook om een Franstalige in een Nederlandstalig team gaan, een oudere werknemer tussen jonge wolven, of een groep introverte mensen waar plots één extravert type bij komt, die volgens de anderen te veel lawaai maakt.”

Lamine: “De uitblinkers in een groep komen ook vaak in het vizier. Mensen die hun job graag en goed doen, en nauwgezet en perfectionistisch werken, maar door anderen als stielbedervers of onderkruipers gezien worden. Dat komt omdat zij bij de collega’s een gevoel van onzekerheid creëren: die gaan denken dat ze het zelf minder goed doen. Dan komen er snel commentaren als: ‘Die voelt zich te goed voor ons.’

“Ik kreeg vorig jaar een IT’er bij mij die in de privésector had gewerkt en zeer goed was in zijn vak. Toen zette hij de stap naar een gemeentebestuur, en binnen de twee dagen zaten al zijn collega’s op zijn kap. Dat kwam omdat hij onmiddellijk allerlei fouten in het gebruikte systeem zag en verbeteringen voorstelde. In een gemeentebestuur moet je dat blijkbaar niet proberen. Zijn collega’s hielden info achter en probeerden hem op allerlei manieren te saboteren.

“Omgekeerd komen ook werknemers die heel slecht presteren sneller in het oog van de storm te staan. Mensen die de lat eigenlijk niet halen en het hun collega’s daardoor moeilijker maken. Soms gebruiken leidinggevenden pesterijen om iemand weg te krijgen – als een werknemer te duur is om te ontslaan, bijvoorbeeld. Ze vernederen je in het openbaar of gaan tegen je collega’s roddelen. Ze nemen je projecten af en scheppen omstandigheden die het moeilijker maken om nog goed te presteren. Zo moedigen ze je aan om zelf te vertrekken.

“Die leidinggevenden staan dikwijls zelf erg onder druk. Er zijn heel wat bedrijven die het moeilijk hebben door de coronacrisis en teamleiders onder druk zetten om negatieve evaluaties te geven. Die leidinggevenden voelen zich daar ook ongemakkelijk bij. Maar ook al zijn mensen minder goed in hun job, toch verdienen ze het om met respect behandeld te worden.

“Een andere typische doelgroep zijn de klokkenluiders. Zo heb ik er in de loop der jaren wel een aantal gezien. Een politieman die het gewelddadige gedrag van zijn collega’s op de korrel neemt. Een werknemer die wantoestanden binnen het bedrijf aanklaagt. Een ambtenaar die de puntjes op de i zet en zich tegen de burgemeester verzet als die de wetgeving iets te ruim wil interpreteren. Het duurde niet lang voor die man onder aan de trappen aan een tafeltje belandde, zonder materiaal, dossiers of computer.”

LINKSE RAT

Eén van die buitenbeentjes is Veronika, die op haar 42ste een carrièreswitch maakte en voor een baan in de gevangenis koos. Een maatschappelijk relevante job, dacht ze.

Veronika: “Als penitentiair beambte wilde ik de gedetineerden helpen hun tijd in de gevangenis zo goed en nuttig mogelijk door te komen. Ik was gewaarschuwd dat ik in een rechts denkende wereld zou terechtkomen, maar ik dacht dat het wel zou meevallen. Dat was naïef, besef ik nu. Ik denk niet dat het in alle gevangenissen zo is, maar waar ik terechtkwam, bestond het personeel vooral uit oudere, verzuurde cipiers die het allemaal wel hadden gezien. Ze spraken niet over gedetineerden, maar over ‘het krapuul’ en het ‘vuile bruine gespuis dat denkt dat het hier een hotel is’.

“Nog voor ik was begonnen, hadden ze me gegoogeld en gezien dat ik me inzette voor verdraagzaamheid en tegen racisme. Ik was meteen ‘die linkse rat’. ‘Die zullen we eens snel wegpesten,’ zeiden ze. Dat hadden ze vroeger ook met andere nieuwelingen gedaan.

“Die negatieve sfeer hing er al op mijn eerste werkdag. Ik zag alle clichés over ambtenaren voor mijn ogen uitgebeeld: werknemers die alleen het hoogstnoodzakelijke deden, hun uren klopten met de voeten op tafel en opsprongen als de directie kwam. Ik had een heel ander idee van de job, en dat was dus niet alleen af en toe een deur open- of dichtdoen en een bak eten binnengooien.

“Ik vond het ook mijn taak om gedetineerden te helpen met kleine praktische problemen. Een briefje schrijven, bijvoorbeeld: voor alles wat ze willen vragen of bestellen, moeten gedetineerden een formulier invullen. Maar velen spreken geen Nederlands of kunnen niet schrijven. Ik vind het een kleine moeite om dat voor hen te doen, maar dat werd absoluut niet gewaardeerd door mijn collega’s: ‘Ze moeten het maar vragen aan een andere gedetineerde, tijdens de wandeling.’

“Als gedetineerden vanuit hun cel belden en er een lampje boven de deur brandde, ging ik meteen kijken wat ik kon doen. Dat was not done. ‘Laat ze maar een paar uur wachten’, was de houding. Ik schrok ook van de toon die sommige collega’s aansloegen zodra de celdeur openging: dat was niet praten, maar blaffen. Terwijl ik het net belangrijk vond om een gedetineerde menselijk te behandelen en te vragen hoe het met hem ging. Ze spraken mij daarop aan. ‘Je bent te familiair, je brengt ons in gevaar.’ Maar op de afdeling waar ik stond, zaten niet de zwaarste criminelen, en ik deed ook niets verkeerds.

“De cipiers hebben echt geprobeerd om me weg te pesten. Dat ging ver: er werden verhalen rondgestrooid dat ik in een cel op bed zat bij een gedetineerde, of dat ik er één op de gang had omarmd – totále onzin. Met die opgeklopte verhalen liepen ze naar de directie: ‘Veronika is niet geschikt voor de job. Ze laat die mannen alles toe. Ze houdt zich niet aan de regels. Als ze ergens op een gang heeft gestaan, beginnen de gevangenen zich van alles te permitteren.’ De directie riep mij dan ter verantwoording, en ik moest telkens aantonen dat het leugens waren.

“Ik was een paria in de gevangenis. De collega’s ontweken me, ze zwegen als ik binnenkwam of ze draaiden zich om. Of ze snauwden dat ik me niet met hun job moest bemoeien. Dat was psychologisch heel zwaar, en als ik geen 42 maar 22 jaar was geweest, had ik het zeker niet volgehouden. Ik ben als kind gepest op school, en dat was precies hoe ik me dertig jaar later weer voelde: als een klein, bang meisje van 10 dat helemaal alleen staat op de speelplaats.

“Op een bepaald moment ben ik naar de vertrouwenspersoon voor psychosociale klachten in de gevangenis gestapt. Die man heeft me fantastisch goed opgevangen en zei dat hij de zaak ter harte zou nemen. Vervolgens is hij naar de directie gestapt met mijn verhaal, en die zei dat ze het zouden overnemen. Daarna heb ik er niks meer van gehoord.

“Dat zelfs die vertrouwenspersoon niet te vertrouwen was, heeft me ongelofelijk van mijn stuk gebracht. Toen besefte ik dat ik echt helemaal alleen stond. Ik heb getwijfeld of ik ontslag zou nemen, maar ik wilde me niet gewonnen geven. Ik heb daarna nog één poging ondernomen en een gesprek met de grote directeur gevraagd. Ook hij was ontzettend vriendelijk. ‘Ik laat dit niet gebeuren,’ zei hij. ‘Ik zal ervoor zorgen dat je niet meer hoeft samen te werken met je pestkoppen.’ Ik was heel opgelucht toen ik naar buiten ging, maar vervolgens gebeurde er weer niets. Er is niemand op aangesproken en ik ben niet naar een andere afdeling overgeplaatst.

“Na een jaar was mijn stage voorbij en werd ik aangesteld. Toen wisten ze dat ik niet zou weggaan en werd het pesten iets minder. Nu negeren ze me vooral of laten ze me de vervelende klussen opknappen. Maar ik loop nog altijd op eieren. Als ik met een gedetineerde sta te praten, kijk ik om me heen: is er iemand die me ziet? Als er een lampje boven de celdeur brandt, ga ik niet meteen vragen of ik kan helpen. Dat geeft constant stress. Maar de gedetineerden zijn wel dankbaar, en daar haal ik mijn voldoening uit. Als ik even naar hun verhaal luister en ze zeggen ‘Dank u, chef,’ dan is mijn dag goed.”

HET CHINAVIRUS

Tijdens de coronacrisis gingen we massaal thuiswerken, maar de conflicten en pesterijen bleven gewoon doorgaan. Dat blijkt uit de cijfers van pestdossiers bij de preventiedienst IDEWE, waar werknemers ondersteuning kunnen zoeken. ‘De meldingen bleven in 2020 gelijk, en sinds het begin van dit jaar zien we zelfs een flinke stijging van het aantal intakegesprekken,’ zegt Hilde De Man, verantwoordelijke voor het psychosociaal welbevinden bij IDEWE.

Hilde De Man: “Onze preventieadviseurs ervaren dat er minder verdraagzaamheid is op de werkvloer, omdat iedereen onder stress staat en sneller geïrriteerd is. Mensen willen ook sneller een formele procedure starten (een klacht indienen, red.). Dat komt deels door de vermoeidheid: de veerkracht bij werknemers én leidinggevenden is het voorbije jaar erg op de proef gesteld, zeker in de zorg, de detailhandel en het onderwijs – sectoren die voortdurend moesten schakelen. Bovendien viel het leven buiten het werk stil, waardoor mensen zich moeilijker konden ontspannen om hun stress kwijt te raken. Er waren weinig andere manieren om voldoening of zingeving te vinden: het werk stond centraal, en daardoor kunnen mensen veel moeilijker relativeren. Ik sprak gisteren nog een dame bij wie ik voelde dat ze zich zo druk maakte dat het buiten proportie was. Ze gaf ook toe dat het werk het afgelopen jaar het enige in haar leven was geweest.”

Zijn het de coronamaatregelen die spanningen veroorzaken?

De Man: “(knikt) Zeker in de beginperiode draaiden veel conflicten rond het naleven van die regels. Iedereen heeft ook een verschillende thuissituatie. Wie samenwoont met een risicopatiënt, zal angstiger zijn en sneller thuisblijven, wat op onbegrip bij de collega’s kan stuiten. Oudere werknemers stoorden zich aan jonge collega’s die het niet zo nauw namen met de regels, en omgekeerd. Je kreeg situaties waarin mensen bewust hun mondmasker niet droegen, in iemands gezicht hijgden, het toilet niet doorspoelden of weigerden om een lokaal te verlaten, ook al zaten ze er al met te veel mensen. Ik heb ook over een incident gehoord van twee poetsvrouwen die naar elkaar spuwden.

“Werknemers van Aziatische afkomst kregen het, zeker in het begin, hard te verduren. Sommige collega’s liepen weg als ze de ruimte binnenkwamen en spraken net als Donald Trump over ‘het Chinavirus’. Op dit moment zijn er vooral wrijvingen tussen wie zich laat vaccineren en wie dat niet laat doen. In de woonzorgcentra, bijvoorbeeld, is er veel discussie bij het verzorgend personeel.”

Peter Decavele, preventieadviseur IDEWE: “Ik heb een verpleger begeleid die de schuld kreeg van een corona-uitbraak in een woonzorgcentrum, zonder dat daar enig bewijs voor was. Hij hield zich nauwgezet aan de regels, maar raakte toch besmet en bleef thuis toen bleek dat hij positief was. De directeur riep hem op het matje omdat hij ‘onvoorzichtig’ was geweest. Dat werd een heel beschuldigend gesprek: ‘Ik heb vragen bij je gedrag in je vrije tijd. Je profiteert er graag van, hè. En heb jij je handen wel altijd ontsmet? Niet liegen, ze kunnen alles traceren! Weet je dat er intussen al zes bewoners zijn overleden aan het virus? Jammer dat je geen schuldinzicht hebt.’

“Die verpleger was helemaal overdonderd en voelde zich vreselijk schuldig, terwijl hij niet de enige was die positief had getest: ook een kapster en een bewoonster bleken op hetzelfde moment al besmet. Maar hij werd er plots door iedereen op aangesproken en met argwaan bekeken. Er deden wilde verhalen de ronde over wat hij in zijn vrije tijd uitspookte – die waren compleet uit de lucht gegrepen. De sfeer was compleet verziekt. De man werkte al jaren in dat rusthuis en was een heel goede kracht. Zijn werkplezier haalde hij uit wat hij voor anderen kon betekenen. Dankzij de solidariteit van enkele collega’s kon hij er blijven werken, maar zijn arbeidsvreugde is hij wel kwijt.”

Hilde De Man. Beeld rv
Hilde De Man.Beeld rv

In de sectoren waar je kon telewerken, zagen werknemers elkaar veel minder of zelfs niet, maar die fysieke afstand heeft het pesten niet doen afnemen.

De Man: “Door de fysieke afstand voelen werknemers zich minder verbonden, en online is het nu eenmaal moeilijker om berichten en mails van een leidinggevende of van collega’s in de juiste context te plaatsen, waardoor er sneller misverstanden en ergernissen ontstaan. En plots merken werknemers dat ze niet op de digitale vergaderingen worden uitgenodigd en maar een deel van de informatie krijgen. De roddels in het vaste lunchkliekje zijn verhuisd naar WhatsApp- of Teams-groepjes.

“Daarom wil ik toch een oproep doen aan de leidinggevenden om, als alles weer normaal wordt, informele momenten te organiseren om het sociale weefsel in de teams te herstellen. Of om samen terug te blikken: wat verliep moeilijk, wat hebben we geleerd? Ik voel dat dat nodig is, en ik hoop dat ze de tijd nemen om daarin te investeren. Anders blijven de spanningen onderhuids broeien en escaleert het vroeg of laat.”

De namen van de getuigen zijn gewijzigd om hun privacy te beschermen.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234