Woensdag 23/10/2019

Hij leerde de wereld Bach kennen

Een in memoriam is niet noodzakelijk een laudatio, maar vaak is het dat wel: wie liefdevol wordt herdacht, wordt vaak ook bewonderd. Vorige dinsdag, op 25 september, zou Glenn Gould, pianist en genie, 75 jaar geworden zijn. Op 4 oktober zal hij precies 25 jaar dood zijn.

door Rudy Tambuyser

Brussel l Een bescheiden hulde precies tussen beide verjaardagen in had hij zelf weten te appreciëren. Hij hield van symmetrie en hield niet van mensen, fysiek contact en zonlicht.

"Don't be frightened, Mr. Gould is here." Zo begon de ook al legendarische dirigent Leonard Bernstein op 6 april 1962 een kleine toespraak voor het publiek in Carnegie Hall in New York. Hij zou dadelijk met de New York Philharmonic Gould begeleiden in Brahms' eerste pianoconcerto. De pianist had hem op de repetitie zo onverstoorbaar tot een al te 'onorthodoxe' interpretatie gedwongen dat hij zich bij voorbaat kwam verontschuldigen voor het resultaat.

Toespraak én concert zijn bij Sony nog altijd op cd verkrijgbaar. Het loont de moeite het concerto helemaal te beluisteren: er zal u immers niks opvallen dat de gewoonlijke verschillen tussen interpretaties van eenzelfde werk te boven gaat.

Gould zou later zelf over het 'voorval' zeggen dat er ruzie om niks was ontstaan. Al wat hij wilde, was de tempo's van de drie delen van het werk wat dichter bij elkaar brengen in plaats van ze maximaal te laten contrasteren. De romantiek wat temperen door een gezonde dosis preromantisch denken.

Zo ging het vaak in zijn carrière. Glenn Gould werd door velen op handen gedragen, Bernstein overigens incluis. Maar zijn musiceren werd en wordt evengoed visceraal gehaat. Ofwel door bepaalde luisteraars die zijn erg specifieke klank niet lusten, die radicaal elke willekeurige esthetisering afwijst. Ofwel door collega's-muzikanten die hem al te excentriek of extreem vinden. Of door de apostelen van de 'authentieke' uitvoeringspraktijk, die zijn eigengereide omgang met de overlevering vanzelfsprekend verachten.

Wat opvalt, is dat de afwijzing altijd neerkomt op onbegrip. Goulds rechtlijnigheid, zelfverzekerdheid, hyperspecifieke smaak, zeldzame denkvermogen en haast onbeperkte fysieke mogelijkheden als pianist vormden inderdaad een cocktail die evenveel afstootte als fascineerde. En die de sceptici veel, al te veel gelegenheid bood oneigenlijke kritiek te leveren op zijn werk.

Natuurlijk wekte Gould bevreemding; hij was hypergevoelig, hypochondrisch en op het autistische af excentriek. Hij liep winter en zomer rond met pet, warme overjas en handschoenen, zat bij het pianospelen nooit op een andere stoel dan het bijzonder lage exemplaar dat hij van zijn vader ooit had gekregen en waarvan de zitting helemaal weg was gesleten. Hij zong hardop mee met wat hij speelde, geweldig vals bovendien, en dirigeerde zichzelf met de ene hand terwijl anderen die heel hard nodig hebben om te spelen.

Gould stopte in 1964 met live spelen, nog geen tien jaar nadat zijn opname van Bachs Goldbergvariaties, nog altijd een van de best verkochte klassieke platen, hem wereldberoemd had gemaakt. Later kon hij hartstochtelijk doorbomen over zijn inzicht dat het klassieke concertgebeuren met podium, groot publiek en applaus totaal voorbijgestreefd, zelfs moreel verwerpelijk was, en dat de muzikale luisterervaring binnen afzienbare tijd het exclusieve domein van opnamemedia zou worden. Hij richtte ter verspreiding van die doctrine zelfs de GPAADAK op, de 'Gould Plan for the Abolition of Applause and Demonstrations of All Kinds'. Hilarisch, maar bloedserieus.

De waarheid was in de eerste plaats dat hij een extreme vorm van plankenkoorts had. Dat gaf hij toe in deze allegorie: "Stel - het is niet helemaal gek - dat de beste reden voor het uitvinden van een hoesttablet een zere keel is. Achteraf, als de pijn geweken is en je het tablet hebt gepatenteerd, kun je betogen dat dat tablet de toekomst en de keelpijn het verleden is. Terwijl dat inzicht je niet bezighoudt zolang je pijn hebt."

Woorden van een man die weliswaar plezier kon scheppen in het concrete, maar essentieel abstract dacht. Dat weerspiegelt zich perfect in de muziek die hem het liefst was: bovenal die van Johann Sebastian Bach, maar ook de renaissancecomponisten Sweelinck en Gibbons, de (laat)romantici Wagner en Richard Strauss in hun minder ijdele buien, en de volbloedtwintigste- eeuwers Webern en vooral Schönberg. Bijna uitsluitend grote contrapuntisten, die het meerstemmige lijnenspel in een compositie fundamenteler achtten dan de concrete sonoriteit of 'geste' van de muziek. Zo konden ook bijvoorbeeld Hindemith, Krenek en Sibelius op Goulds bewondering rekenen, terwijl hij Mozart bijna haatte, nogal wat werken van Beethoven belachelijk maakte, Chopin niet dan in een bui van "zwakte" speelde, en Bartok en Stravinsky zonder omhaal de meest overschatte componisten van de twintigste eeuw noemde.

Voor sommigen waren dat redenen om hem artistiek gestoord of emotioneel onaangepast te noemen, of om hem onvermogen tot empathie te verwijten. Er zijn enkele voorvallen die dat nochtans tegenspreken. Zijn bewondering voor Svjatoslav Richter, die hem in de jaren vijftig wist te ontroeren met een Schubertsonate, terwijl Gould allicht de minst fervente Schubertfan van het noorden was. Zijn bewondering voor Leopold Stokovski, een van de subjectiefste dirigenten ooit. De hilarische luisterspelen die Gould voor de radio maakte, waaronder een interview 'door Glenn Gould met Glenn Gould over Glenn Gould' en een fuga gecomponeerd met straatlawaai. De gedreven, bezeten manier waarop hij in talloze programma's met Bruno Monsaingeon praatte, vaak over Bach.

Eén bevreemdend feit: tot en met de kleinste grap volgde in die vaak lange programma's een gedetailleerd, door hem opgesteld draaiboek. In dat licht begrijpt men waarom hij geen liveconcerten meer speelde.

Goulds grootste verdienste is evenwel dat hij in de afgelopen 52 jaar, sinds zijn eerste opname van Bachs Goldbergvariaties en ondanks zijn vroege dood, honderdduizenden, misschien miljoenen op de meest complete en luxueuze wijze kennis heeft laten maken met de klaviermuziek van Bach. Dat hij ook leken een vermoeden heeft gegeven van de perfectie die in deze muziek besloten ligt. Zelf zei hij: "Ik ken echt geen muziek die zozeer alles overstijgt, die me zo diep en consequent ontroert, en die, om het met een nogal ontoereikend woord te zeggen, vooral waardevol is, omdat ze vaardigheid en schittering overstijgt om te komen tot iets belangrijkers: menselijkheid."

De beste manier om Gould te herdenken, is dan ook zijn muziek opleggen. De Goldbergvariaties, of andere Bach: de partita's, de Engelse suites, een toccata of enkele fuga's uit Die Kunst der Fuge. Het kost wat tijd, maar de beloning is groot: "Ik geloof dat de rechtvaardiging van kunst het vuur is dat ze in het hart van mensen ontsteekt, niet haar oppervlakkige, uitwendige, publieke verschijningsvormen. Het doel van kunst is niet een kortstondig adrenalineshot, veeleer de geleidelijke, levenslange opbouw van een staat van verbazing en sereniteit."

Goulds rechtlijnigheid, zelfverzekerdheid, hyperspecifieke smaak, zeldzame denkvermogen en haast onbeperkte fysieke mogelijkheden als pianist waren cocktail die evenveel afstootte als fascineerde

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234