Zondag 25/08/2019

Hij die sterven gaat, groet u

Jacques Martin, 82 inmiddels, is een begrip in de stripwereld. Een overlever van de legendarische Studio Hergé. Als auteur van Alex is hij tevens de vader van het klassieke beeldverhaal. En daarom is het zo jammer dat hij dit mooie oeuvre met iedere nieuwe Alex-album verder verknoeit.

Jacques Martin & Rafaël Morales

Alex. De Groene Rivier

Casterman, Brussel, 48 p., 4,95 euro.

Jacques Martin mag dan al meer jaren tellen dan het gemiddelde bestuurslid van de bond van gepensioneerden, van de man gaat nog altijd een vitalisme uit waaraan veel dirigenten van Belgische voetbalclubs een puntje kunnen zuigen. Hij bruist nog altijd van de ideeën, maakt plannen, en tot zijn dood zal hij koortsachtig blijven werken aan zijn universum. In de eerste plaats bevindt zich dat in de klassieke Oudheid, waar hij zijn favoriete held Alex (eigenlijk Alix, in het Frans) laat ronddwalen. Maar met Alex alleen heeft de hoogbejaarde Martin niet genoeg om handen. Hij werkt verder aan zijn andere succesreeks, Lefranc, zeg maar: een hedendaagse Alex. Daarbij kwam later de middeleeuwer Jhen - in het Nederlands: Tristan - en toen Martin de zeventig al voorbij was, bedacht hij nog eens nieuwe creaties als de Griek Orion, de Egyptenaar Keos en sinds kort Lois, een jongeman uit de pruikentijd. Hoe Jacques Martin dat allemaal getekend krijgt? Wel, dat doet hij eigenlijk allang niet meer. Hij bedenkt nog wel de 'scripts', maar zowel het echte scenario als de tekeningen - Martin zelf heeft zware problemen met zijn ogen - laat hij over aan zijn assistenten. En daar loopt het fout. Als Martin één talent ontbreekt, is het een neus voor (andermans) talent. Jacques Martin kreeg tijdens zijn leven het (terechte) verwijt dat hij zijn personages vaak te statisch tekent. Bij zijn assistenten is het niet meer statisch, maar houterig. Jacques Martin maakte er ooit een punt van om Alex realistischer voor te stellen, zijn medewerkers lieten dat afglijden naar een erg bloederig naturalisme, op de koop toe gelardeerd met ongeloofwaardige fantasy-elementen. In De Groene Rivier speelt, zoals de titel verraadt, een slijmerige, groene rivier een beslissende rol: om een of andere, nergens aannemelijk gemaakte reden zuigt die rivier iedereen naar beneden die erin terechtkomt: vreselijk gewoon. Zo lijkt het klassieke oeuvre van Jacques hetzelfde einde beschoren als dat van het hem zo dierbare Romeinse Rijk: een tijd van verval, ingezet terwijl de keizer zelf nog leeft. Dat is zonde. De Fransman Jacques Martin is de laatste overlever van de 'famous four' die de Studio Hergé hebben gemaakt tot wat hij werd: het referentiepunt in de West-Europese strip. Die bloeiperiode duurde vanaf halfweg de jaren vijftig tot de vroege jaren zeventig, om een langzame dood te sterven tot het overlijden van Hergé zelf, in 1983. In die periode waren ze met vier (Roger Leloup, assistent van Martin en een van de belangrijkste tekenaars van het voorlaatste Kuifje-album Vlucht 714, werd later zelf bekend als auteur van Yoko Tsuno). Maar de vier dragende krachten van de Studio waren natuurlijk Hergé zelf, verder Edgar P. Jacobs (de geestelijke vader van Blake & Mortimer), de in stripkringen zeer gewaardeerde maar bij het grote publiek onbekende studiotekenaar Bob de Moor, en ten slotte de enige niet-Belg, een Fransman, meer bepaald een Elzasser, een rasverteller en een getalenteerd tekenaar: Jacques Martin. De jonge Jacques Martin werkt vanaf 1948 voor het weekblad Tintin-Kuifje. In de vroege jaren vijftig verhuisde hij ook zelf naar Brussel. Hij mocht er werken bij de befaamde Studio Hergé. Een prestigieuze naam, die Studio, maar de jonge Martin deed er nederig werk: Kuifje-sigarenbanden ontwerpen, of stickers. Na enige tijd werkte Martin zich op als een van de drijvende krachten. De zaak Zonnebloem geldt voor veel Hergé-fans als 'het meesterwerk der meesterwerken'. Dat kan wel, maar in werkelijkheid is het bijna helemaal, plaat per plaat, getekend door Jacques Martin en Bob de Moor. De jonge en dynamische Jacques Martin toonde een werkkracht die Hergé niet had. Vandaag is Martin een van de weinige ex-medewerkers van Hergé die in interviews zegt zoals het er aan de Louizalaan echt toe ging. "Er werd veel te weinig gewerkt. Jarenlang deden we zogoed als niets." Maar omdat er een 'Hergé-mythe' is die wil dat de tekenaar van Kuifje een halve heilige is, zo zegt Martin, zwijgt iedereen zedig. En eigenlijk heeft ook hij zelf weinig zin om twintig jaar na Hergés dood na te trappen. Met Alex had Jacques Martin al snel naam gemaakt als pionier van de historische strip. Zeg maar: de klassieke strip. Alles is klassiek aan Alex: het decor, de vertelstijl, het tekenwerk, en ook de held. Het begon al bij het allereerste album, Alix l'Intrépide (1948), in het Nederlands even bombastisch vertaald als Alex de onversaagde. Voor de lezertjes van Kuifje ging een nieuwe wereld open. Met Jacques Martin trad een soort Cecil B. De Mille-figuur binnen in de wereld van het beeldverhaal. De Mille, de beroemde regisseur van spektakelfilms, massascènes en majestueuze decors, kreeg met Jacques Martin een navolger, maar dan op tekenpapier. Het eerste Alex-album begint met een panoramisch zicht van de stad Khorsabad in Irak en rijgt vervolgens de ene epische scène na de andere aan elkaar: een zeeslag tussen piraten en een Romeinse drieriemer, wagenrennen en gladiatorengevechten, een spectaculaire reddingsactie bij een executie (zwevend aan een touw: Alex meets Douglas Fairbanks). Vandaag lijken wagenrennen misschien een cliché uit de Romeinse tijd, maar vergeet niet dat de film Ben Hur pas van 1959 dateert, meer dan tien jaar later. Alex de onversaagde vertoont nog jeugdzonden - de tekenstijl is onaf, het historische decor al te fantasierijk - maar bijna een halve eeuw later staat dat verhaal er nog altijd. En dat komt omdat Alex, als Romein een van de 'oudste' en zeker de 'allerklassiekste' van alle striphelden, door de aanpak van Martin ineens ook veruit de modernste was. In de jaren veertig en vijftig was het immers niet de gewoonte, en zeker niet in een burgerlijk stripblad als Tintin, om verhalen te lezen waarin de grens tussen goed en kwaad zeer flou is. Alex is een Romein, maar ook weer niet echt (want geboren in Gallië), en ontdekt tussen zijn bondgenoten en vrienden ook de grootste schurken. Hij sluit graag en vlug vriendschap, maar ziet veel van die vrienden snel sterven. Dat is een dramatische wending die Alex zogoed als uniek maakt: bij Jacques Martin zijn striphelden helemaal niet onsterfelijk, zelfs de goeden niet. In Alex de onversaagde leert Alex een zekere Toraya kennen. Een man uit één stuk, dapper, verstandig, integer. Maar Toraya sterft, in een ontroerende scène. Alex is tot tranen toe bewogen, net als zoveel jonge lezers. Dat hadden ze nooit gezien in Kuifje, Robbedoes of Suske en Wiske. Zelfs in andere realistische strips uit die tijd, zoals Buck Danny, vallen wel doden, maar zelden aan de 'goede kant', en bijna nooit een van de helden. Bij Alex wel. Het compenseert de onmiskenbare zucht van Jacques Martin naar grootsheid, naar iets imperiaals in zijn tekeningen en verhalen.

Alex wordt in nog een andere betekenis erg 'klassiek': zowel de individuele verhalen als de reeks in haar geheel ontwikkelen zich als een Grieks drama. Net zoals het klassieke Griekse theater een ontwikkeling doormaakte waarin hoofdfiguren hoe langer hoe meer getourmenteerd raken en een intieme strijd aangaan met de grote vragen van goed en kwaad, zo evolueert ook Alex van een nogal voorspelbare held naar een jongeman die de rauwe politiek van zijn tijd niet alleen gadeslaat en ondergaat, maar er ook een medespeler in wordt. Alex moet keuzes maken, en vaak zijn dat ook morele dilemma's. Dat komt helemaal tot uiting in de albums uit de zogenaamde 'Gouden Periode' van Jacques Martin (1966-1972): hij werkt nog altijd - zij het stilaan met tegenzin - bij de Studio Hergé, maar heeft voor Alex de klassieke 'klare lijn' van de Studio overboord gegooid, en met die klare lijn ook de duidelijke moraal. In De laatste Spartaan (1967) wil Alex Romeinse slaven bevrijden, onschuldige burgers die gevangen gehouden worden in een fort waarin overlevers van het oude Sparta proberen hun oude militaire macht op te bouwen. Alex leidt zelf een opstand. Het eerste dodelijke slachtoffer bij de Spartanen is evenwel Horodes, een nobel officier die Alex bij herhaling het leven heeft gered, tegen zijn eigen militaire hiërarchie in. Het merendeel van de slaven die Alex naar de vrijheid wil leiden, sterft bij de opstand. Op het einde van het verhaal ziet hij toe hoe de Romeinse legers een mooie stad verwoesten, en ongenadig de weerstand breken van een groep die hij toch heeft leren waarderen voor hun fierheid en onafhankelijkheidszin. Het hoogtepunt is Iorix de Grote (1972), een album dat Martin voltooit in het jaar dat hij de Studio verlaat. Iorix heet in het begin van het verhaal Iorus en is dan nog een officier van Gallische hulptroepen, voor hij zelf, nu als Iorix, ambitie krijgt om de grote leider te zijn van een van Rome afgescheurd Gallië. Door het album heen blijkt Iorix uitzonderlijk dapper te zijn, maar ook roekeloos. Een slim strateeg, maar genadeloos, zelfs gemeen. Iorix is trots, maar wordt hoogmoedig. In de slotscène stenigen zijn eigen soldaten de man dood die ze de vorige pagina's nog op handen droegen. Het slotplaatje toont Iorix op zijn rug, gebroken ogen, mond halfopen: "De ijzige wind huilt een klaagzang over de vlakte voor de man die zich de Koning der Galliërs noemde."

Vanaf het midden van de jaren zeventig is Martin verlost van het 'keurslijf' van de Studio. Hij maakt zijn verhalen 'volwassener' (meer naakt, nog meer doden). Het blijven knappe albums, maar steeds gruwelijker van toon. Zou Jacques Martin hebben beseft dat hij mettertijd aan het vernietigen was wat hij de dertig jaar voordien zelf had opgebouwd? In veel van zijn latere werken voert hij jonge helden uit de eerste albums op. Ouder, getekend door het leven, en meestal in negatieve zin. In De toren van Babel reist Alex naar Mesopotamië om er zijn sympathieke en nobele vriend prins Oribal (uit De tiaria van Oribal, 1958) nog eens te zien. Hij verneemt er dat Oribal zich in de loop der jaren heeft laten meeslepen in paleisintriges, en vindt uiteindelijk alleen diens afgehouwen hoofd. Hij ontmoet opnieuw Vercingetorix, de fiere tegenstander van Julius Caesar uit De Gouden Sfinx (1956). In Vercingetorix (1985) reist Alex met die man terug naar de plaats waar hij vroeger had gevochten. In Vercingetorix' ogen leest het publiek nu echter de waanzin; zijn laatste charge tegen de Romeinen, helemaal alleen, in pathetisch ontbloot bovenlijf, is een zelfgekozen dood van een leven zonder illusies, verteld ook door een auteur die zich na jarenlange studie van de geschiedenis geen begoochelingen meer maakt over de rechtvaardigheid ervan. Alex bereikt zijn catharsis in Het paard van Troje (1998), het laatste album dat Jacques Martin 'alleen' (dat wil zeggen: zonder officiële co-auteur) maakte. Een landerig verhaal, daar niet van, maar Martin had het blijkbaar nodig om de reeks van zich af te schrijven. Generaal Horatius, een man die we in de vorige albums hebben leren kennen als een integer militair, heeft zijn vroegere vrienden samengeroepen om het proces te maken van zichzelf, de wereld rond zich en dus ook de 'avonturen' van Alex: "Zo komt dus een einde aan mijn loopbaan, die van een officier die alleen overwinningen behaalde omdat zijn politieke vrienden zijn ogen sloten voor zijn fouten, van een burger die geen familie had en van een man die verteerd werd door berouw, wat onvergefelijk is voor een generaal." Uiteindelijk zet een schuimbekkende Horatius alles in lichterlaaie, zichzelf incluis. Het alles zuiverende maar ook alles verterende vuur.

Dat zou geen mooi einde van Alex geweest zijn, maar het was tenminste een einde. Een slot in de lijn van wat zich in die stripreeks aan het voltrekken was. Helaas is Alex bij de armlastige uitgeverij Casterman nog altijd een van de grote 'namen'. Zo'n uitgever weet ook dat een stripreeks waarvan niet om de paar jaren een nieuw album verschijnt, taant in verkoop. En dus heeft Jacques Martin zich laten overtuigen om zijn geesteskind verder te laten leven, zij het met minderwaardige assistenten, die slecht kunnen tekenen en scenario's afscheiden die alsmaar 'realistischer' zouden moeten zijn, maar vooral platter worden. Is het echt nodig om Alex te laten rampetampen met Cleopatra, zoals in zijn De Groene Rivier gebeurt? Is dat geloofwaardig? Om bij klassieke beeldspraak te blijven: Alex is dood, en wat we nog van hem zien, komt uit een troosteloos schimmenrijk, ver achter de Styx.

Walter Pauli

Alles is klassiek aan 'Alex': het decor, de vertelstijl,

het tekenwerk, en ook de heldDe Fransman Jacques Martin is de laatste overlever van de 'famous four' die de Studio Hergé hebben gemaakt tot wat hij werd: het referentiepunt in de West-Europese strip

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden