Maandag 06/12/2021

'Hier word je nog niet scheef bekeken als je een medemens helpt'

In een ver aanhangsel van de provincie Luik, helemaal omgeven door de provincie Luxemburg, ligt, op een boogscheut van de Baraque Fraiture, Lierneux. In dat gehucht worden al meer dan honderd jaar, net als in Geel, 'zotten' door families opgevangen, ook door relatief jonge families. 'Geestesziekte is niet iets vreemds, het is iets wat ons allen kan overkomen.'

Rudi Rotthier

Het stompje van de sigaar is al enige tijd gedoofd. Hij wrijft met de hand waarin hij het vasthoudt door zijn dikke grijze haar. "Hoe oud ben je?" Hij aarzelt en kijkt naar dokter Neys: "Docteur, hoe oud ben ik?" Hij slikt medeklinkers in. Met wat hem aan klanken rest, zingt hij. Hij zingt me zijn naam en het klinkt ongeveer als "O-EE".

"Hoe lang ben je al bij je familie?", vraagt de dokter.

"Docteur, hoe lang is het al? En hoe laat is het?"

Hij kijkt niets ziend naar zijn uurwerk.

"Hij is met de fiets naar hier gekomen", zegt de dokter over mij. Ineens verdwijnt de onzekerheid bij de man die misschien Robert heet. Hij glundert nu. "T'es venu en véloooo?" Dan tegen een passant: "Il est venu en véloooo." En nog tegen me: "Venu de Vielsalm en véloooo. Loin." Het 'loin' loeit een beetje. Hij houdt van het woord 'vélo'. Ik wil hem de fiets tonen waarmee ik de tocht heb ondernomen, maar dat vindt hij niet nodig. Het woord volstaat. Het is een woord waar hij bij glundert.

"Hoe gaat het in de familie?", vraagt de dokter. "Bién. Suis bién moi. Bién."

Als de dokter even de aandacht laat verslappen, voegt hij er te mijner attentie hoofdschuddend aan toe: "T'es venu en vélooo. C'est loin."

Dokter Christian Neys is hoofd van de dienst familieplaatsing in het psychiatrische centrum in Lierneux. We zijn bij het begin van een rondleiding - hij toont me de gebouwen van het centrum, en het dorp, en geeft me een beetje historische achtergrond - als we door Robert worden aangesproken. Begroet. Robert is niet de eerste die ons begroet.

"Ik heb er al aan gedacht een groetarm in mijn auto te installeren", zegt de dokter, "Iedereen groet hier zo uitvoerig. Soms wordt dat gevaarlijk in een auto."

Heeft dat met het landelijke karakter te maken, of met de aanwezigheid van zoveel patiënten?

"Dat weet ik eigenlijk niet. Ik constateer alleen dat hier enorm veel en hartelijk wordt gegroet."

Ik heb eerder al een wandeling door Lierneux gemaakt, en ben in Café chez Claire heftig zoenende klanten tegengekomen. Schenkt de bazin twee fruitsapjes uit, dan krijgt ze behalve haar geld ook zoenen van haar twee vrouwelijke klanten. Geeft een jongeman de twee elk een sigaret, dan verdient hij daarmee ook twee zoenen. En niet zomaar zoenen. Zoenen van blijdschap.

"Wat ik hier ook opmerkelijk vind", zegt de dokter, nadat hij ons weer langs twee groetende groepen heeft gevoerd: "De patiënten zijn hier zo goed ingeburgerd dat het dikwijls moeilijk uit te maken is wie gewoon dorpeling is en wie patiënt. Ik twijfel soms ook."

Hij stuurt zijn auto weer naar het groen ingebedde gebouwencomplex van het psychiatrische centrum.

"Lierneux", zegt hij, "is opgericht als reactie op Geel." Daar waren, in de negentiende eeuw, bij gebrek aan alternatief ook Walen in Vlaamssprekende gezinnen opgenomen. De Walen spraken geen Nederlands (en dikwijls gebroken Frans), en de Vlamingen spraken geen Frans (en dikwijls dialectisch Nederlands). "Het was, om het zo te zeggen, dubbele waanzin. Mensen die zo al moeite hadden om hun weg te vinden in de realiteit, werden in een omgeving geplaatst waar ze sowieso kop noch staart aan konden krijgen."

De provincie Luik nam zich voor om een eigen initiatief op poten te zetten dat op ten minste één punt zou verschillen van Geel: het centrum zou door leken bestuurd worden, terwijl Geel toch onlosmakelijk verbonden was met pelgrimstochten, processies en christelijke devotie. Men wilde het centrum ook zover mogelijk van Luik-stad weg, vanuit de oude schrik dat waanzin weleens aanstekelijk zou kunnen werken. Lierneux voldeed aan de criteria: het was ver weg, omgeven door heuvels zodat eventuele waanzinsbesmetting gelokaliseerd zou blijven, het was dunbevolkt, en economisch gesproken hinkte het ver achterop. Men kon verwachten dat de bewoners een extra werkgever in hun buurt zouden verwelkomen.

De werkelijkheid was licht anders. De schoolstrijd woedde in alle hevigheid. Kort tevoren was, volgens brochures die verschenen bij de honderdste verjaardag van het instituut, de door de liberale provinciale overheid aangestelde schoolmeester al op het matje geroepen omdat hij 's zondags ter kerke ging.

De inplanting van een lekeninitiatief in dit oerchristelijke landsdeel zorgde voor heisa: de katholieke gemeente vreesde dat de greep van de goddelozen nog steviger zou worden, of dat de goddelozen de christenen een loer wilden draaien door hen met zotten op te zadelen.

Maar de weerstand was ook specifieker. De burgemeester legde zijn functie neer omdat hij het niet eens was met de beslissing van zijn gemeenteraad om een 'Colonie des Aliénés' naar Lierneux te halen. De meeste bewoners leken in deze de kant van hun burgervader te kiezen. Ze bliezen verzamelen toen, op zaterdag 19 april 1884, de eerste patiënten hun opwachting maakten. De rijkswacht moest de vier uit Geel weggehaalde patiënten, twee mannen en twee vrouwen, nochtans "zachtaardig en vlijtig" van inborst, tegen de volkswoede beschermen. De dorpsarts werd opgetrommeld om uit te leggen dat geestesziekte niet besmettelijk was, al speelde bij de bevolking misschien veeleer de angst voor het vreemde dan de angst voor besmetting.

Vrij snel kenterde de stemming. De boeren die de eerstelingen opnamen, haalden profijt uit hun gastvrijheid. Ze kregen wat overheidssteun, en tegelijk lieten ze de patiënten gratis meewerken in het huis of op het land. Hun voorbeeld kreeg navolging. Meer en meer Franstalige patiënten uit Geel werden overgebracht. En toen gebeurde er nog iets vreemds: Lierneux ging zich identificeren met de 'zotten'. De voetbalploeg kreeg bij uitwedstrijden de scheldnaam 'de zotten' mee, en de bewoners hadden het daar minder en minder moeilijk mee. De 'zotten' gingen deel uitmaken van het normale leven. "Wij kijken daar niet meer van op", hoorde ik een scholiere zeggen. "Wat is trouwens abnormaal? Bij ons is het de normaalste zaak van de wereld dat op school een patiënt binnenloopt, en dat die zelfs in een klas komt kijken. Al van in de lagere school weten we hoe we in dat geval kunnen reageren, en hoe beter niet."

Geleidelijk aan werden de diensten van Lierneux uitgebreid: eerst was er enkel plaatsing in families, later kwamen er paviljoenen waar mannen, vrouwen en jongeren werden geïnterneerd. Er is ook een complex waar wie dat aankan zelfstandig probeert te wonen. Tegenwoordig zitten meer patiënten in de paviljoenen dan in opvangfamilies (129 in families op een totaal van ongeveer 400). Neys toont me zo'n paviljoen, de 'Semi' voor vrouwen. Geen glorieus gezicht, met slaapzalen die nauwelijks in compartimenten worden verdeeld door dwars geplaatste kasten, met bewoonsters die alleen in hun kasten privacy vinden en die het sleuteltje van die kast om hun nek dragen, als een waardevol juweel. Als je hier binnenkomt, legt de dokter uit, lijkt alles nog min of meer normaal, "maar als je weer naar buiten wil, weet je dat je in de psychiatrie bent beland: langs de binnenkant kun je de deuren niet openen, tenzij met een speciale sleutel".

Daar zijn allerlei redenen voor - sommige patiënten lopen verloren als ze onbegeleid het gebouw verlaten, anderen zouden een gevaar voor zichzelf kunnen zijn -, maar het blijft opsluiting.

De inplanting van het centrum heeft Lierneux geen windeieren gelegd. Voor enkele duizenden inwoners (plus 400 patiënten, plus 300 werknemers van het centrum) zijn er twee cafés, drie patissiers, drie coiffeurs, twee banken, een elektriciteitswinkel, een krantenboer, een slager, twee klerenwinkels, twee frituren, twee supermarkten (Delhaize en GB), een (brom)fietsenwinkel, een Brico-center en natuurlijk een apotheek.

De volgende dag voert Neys me naar enkele gastgezinnen, alle relatieve nieuwkomers. De eerste familie woont in een gehucht buiten Lierneux, in Malempré. De echtelieden zijn zo rond de zestig. Hun kinderen zijn de afgelopen jaren de deur uit gegaan (de laatste vertrekt volgende maand), en in afwachting van een stoet kleinkinderen hebben ze twee, drie maanden geleden een patiënt van 41 jaar in huis genomen. Die was eerst heel weinig spraakzaam, maar nu is hij aan het ontdooien, al heeft zijn leefwereld weinig tot niets gemeen met die van het opvanggezin. De familie had een landbouwbedrijf; de patiënt, die een vage gelijkenis vertoont met Arno en herstelt van onder andere een drugsverleden, leeft voor muziek. Hij speelt met zijn gitaar mee met bluesprogramma's, hij neemt liedjes op op cassette (ononderbroken, ook tijdens ons gesprek), hij rookt en rijdt heel af en toe ook wel eens rond met de tractor. "Orde en warmte", is wat hem in het gezin bevalt. Drie maaltijden met de familie. "Ik ben nog niet zover dat ik alleen kan wonen en voor mezelf kan zorgen."

De familie had wel een tweede logé gewild, maar de eerste patiënt had dat liever niet. Zoals het nu gaat, is de familie niet ontevreden met hun ontdooiende gast, al zal er na hem wellicht geen tweede komen. Elders, hoor ik, is de toevoeging van een tweede patiënt soms problematisch, vergelijkbaar met de komst van het tweede kind, waarbij het eerste zich algauw verwaarloosd voelt.

Een tweede opvanggezin, ook in Malempré, is spectaculairder. In een jong gezin met vier kinderen worden drie patiënten opgevangen. Dominique, 38, lag aan de basis van dat initiatief: "We woonden met mijn schoonouders in duohuizen, onderling verbonden. Toen zij stierven, hebben wij hun gedeelte ingenomen en wisten we niet goed wat we met het andere huis zouden aanvangen." Op dat moment zag ze op tv een documentaire over Lierneux en hoewel ze op enkele kilometers van het plaatsje woont, was het gek genoeg de tv-uitzending die haar aan het denken zette. "Ik ben opvoedster van opleiding, maar sedert mijn huwelijk ben ik vooral met mijn kinderen bezig en met onze beesten: driehonderdvijftig stuks vee. Ik dacht: die opvang in familie is misschien iets voor ons. Dat heeft toch zijdelings met mijn opleiding te maken." Yves, haar echtgenoot, was minder dan enthousiast. De kinderen stonden er dan weer wel positief tegenover. De eerste poging was geen succes. Ze namen een ex-verslaafde op, die herviel en agressief werd. "Ik voelde mij bedreigd", geeft Dominique toe. "Ik kwam uit bad, en hij stond ineens voor me. Ik dacht: ik krijg hier slaag." Die eerste klant werd weggestuurd.

Daardoor was Yves nog minder geneigd om het nog eens te proberen, maar Dominique zette door. En nu werkt het wel. "De grootvader, de vader en de zoon", noemt Yves de drie gasten die vrij snel na elkaar, en zonder dat ze echt familie van elkaar zijn, in het huis kwamen wonen. Hubert is 79, Lulu is 64, Vincent is 32. Hubert heeft een papegaai en een tragisch verleden om over te praten. Lulu is na lange tijd van zijn vroegere gastgezin gescheiden, raakte in de instelling helemaal op de dool, en komt de schok van de scheiding nu weer te boven. Vincent is voor het eerst geplaatst. De drie, hoe verschillend ook, lijken elkaar te vinden, te stimuleren, te helpen. "Ik zorg ervoor dat Lulu er netjes bij loopt", zegt Hubert. "En ik zeg wel honderd keer tegen Vincent: drinken is niet goed voor jou." "Docteur", vraagt Vincent, "mag ik echt geen pintje drinken? Eentje maar? Of laten we zeggen: een per uur."

Hoewel de dokter het hem afraadt en hem wijst op de gecombineerde effecten met zijn medicijnen, blijft hij de vraag herhalen.

En ook: "Dokter. Kan ik niet wat meer geld krijgen? Honderd frank per dag is toch te weinig?"

In werkelijkheid krijgt hij 150 frank per dag, ongeveer 1.000 frank per week. Hij krijgt dat bedrag op maandag, zodat hij tegen de tijd dat de drankwinkel in zijn gehucht in het weekend de deuren opent niet veel geld meer over heeft.

Dominique: "Een tijdje geleden heeft hij het schoolfeest op stelten gezet. Hij kwam daar dronken aan en begon ons in het bijzijn van vrienden en leraars uit te schelden. Dat we zijn geld afpakten en zo. Verre van fraai. Om door de grond te zinken. Op basis van dat incident heeft een familie die ook van plan was iemand op te nemen op de valreep nog afgehaakt. Aan de andere kant: dat soort incidenten hoort ook bij wat we doen. Dat kun je beter op tijd beseffen."

Vincent: "Laten we daarover zwijgen."

Dominique: "Het was heel erg."

Vincent: "Dat is verleden tijd."

Vincent heeft het moeilijk om namen te onthouden, hij verwart de naam van de dokter en die van de kinderen: "Een naam heeft toch geen belang", zegt hij, "het is toch waar. Wat is een naam?"

Ik vraag naar problemen tussen hem en de kinderen.

"Geen", zegt hij. "Ik geef hen af en toe vijf frank."

En dan nodigt hij me uit op zijn kamer, hij dringt aan, om de vijftien seconden herhaalt hij zijn verzoek.

"Er zal niet anders opzitten", constateert Dominique, "hij zal niet afhouden voor je meegaat."

Op zijn kamer draait hij de volumeknop van zijn geluidsinstallatie hoog, de boxen trillen.

"Hoor je het?", vraagt hij, en hij maant me tot grote concentratie.

Ik hoor het gedruis van zijn klankboxen.

"Hoor je de stemmen?"

Ik hoor geen stemmen.

"Hoor je dat dan niet? Mijn broer."

Hij toont zich maar matig ontgoocheld. Met iets samenzweerderigs op zijn gezicht keert hij terug naar de rest van het gezelschap.

Dominique kookt voor de drie, maar vaak eten ze wel apart, en hoewel dat tegen de officiële politiek van het centrum indruist, vindt dokter Neys er in dit geval geen graten in. "Hier ontwikkelt zich een andere dynamiek: de ene patiënt voelt zich verantwoordelijk voor de andere."

Een aantal van de regels kan opnieuw bekeken worden. Moeten enkel traditionele families voor de opvang in aanmerking komen, of kunnen ook eenpersoonsgezinnen dienstdoen?

Hoe reageerde de buurt op de komst van de patiënten?

Dominique: "Eerst niet zo goed. Wij waren het eerste gezin in Malempré dat aan opvang deed. Maar dat is gewoon een reactie tegen het vreemde. Met de eerste asielzoekers was de reactie niet anders. Nu kan iedereen zien hoe onschuldig deze drie wel zijn, nu horen ze er gewoon bij."

Voor Dominique is het experiment in haar duohuis geslaagd, en zelfs Yves is intussen tot de opvang bekeerd. "Je voelt een warmte, je voelt dat ze erop vooruitgaan. Ze hebben een argeloosheid die wij verloren hebben. Ik zou ze niet graag willen missen."

Al kost de opvang soms grote moeite. Dominique: "Vincent wordt onhandelbaar als het eten niet op tijd klaar is. En bij Lulu moet ik soms tien keer vragen of hij zich wil scheren." Hij scheert zich vaak met de achterzijde van zijn apparaat, heeft dan de indruk dat hij al geschoren is, en kan maar met moeite worden overreed om de activiteit te herhalen.

Ook voor de begeleidende verpleegster, Annie-Rose, is deze vorm van familieverzorging een uitputtingsslag. Ze moet elke week vijfendertig in families opgenomen patiënten bezoeken (voor de 129 zijn er vier verplegers/verpleegsters beschikbaar). De ene heeft pantoffels nodig, de andere een nieuwe broek. "Ik moet ervoor zorgen dat alles er komt." Ze moet er ook op toezien dat het klikt tussen familie en patiënt, en dat het ook na een proeftijd blijft klikken. Als er kandidaat-patiënten zijn, moet ze een geschikte familie vinden, en als er kandidaat-families zijn, moet ze proberen een geschikt profiel van patiënt op te stellen.

De families kunnen haar dag en nacht bereiken.

Vincent en Lulu gaan op weekdagen werken in de ateliers van het centrum. Ze worden met een minibusje afgehaald. Dat is, zegt Neys, een groot verschil met vroeger. "Vroeger werden de patiënten echt ingeschakeld in de activiteiten van de familie. Ze werkten op het land." Af en toe werkten ze op het randje van de uitbuiting, of over die rand, maar ze werkten, ze herstelden daken, ze haalden de oogst binnen, ze onderhielden de tuinen. De jongste decennia is dat veel minder het geval. De landbouw is verregaand gemechaniseerd en boeren laten hun patiënten niet met dure machines omgaan. Het gevolg daarvan is dat de patiënten nu in een soort bezigheidstherapie terechtkomen: bloemtuilen maken, of haakwerk. "Maar dat werk behoort tot de wereld van de schijn, en ze weten dat het schijn is. Terwijl het vroeger om reëel werk ging, en toen wisten ze ook dat het reëel werk was. Het is heel wat bevredigender te kunnen wijzen naar een dak dat jijzelf gerepareerd hebt en dat iedereen droog houdt dan prat te moeten gaan op een bloemstuk dat misschien achter je rug in de vuilcontainer gekieperd wordt."

Hij verwijst naar een andere patiënte, met zware zelfmoordneigingen, die vaak voor kinderoppas speelt bij de familie waar ze verblijft. "Dat kind betekent al een band met de realiteit. Zij zegt zelf: ik wil mezelf van het leven beroven, maar ik zal dat nooit doen in aanwezigheid van het kind."

In het succesrijkste café van Lierneux, Café des Sports, heerst Maman over een rumoerige groep tennisliefhebbers, die op en neer deinen al naargelang de fortuin Justine Henin toelacht of niet. Haar cliënteel is volledig gemengd: man, vrouw, scouts, bejaarden, patiënten of niet. Een vrouw laat in het heetst van de strijd haar hoofd op haar tafeltje vallen. Schijnbaar slaapt ze. De anderen juichen onverstoord verder. Twee andere patiënten kijken ongerust over hun schouder. "Een blik volstaat", zegt Maman, "om te zien of mensen met drank om kunnen gaan. Als ze dat niet kunnen, krijgen ze er geen. Dan zeg ik dingen als: sorry, het bier is op." Ze heeft ook een echte naam die ze me in mijn oor fluistert (Lucy, geloof ik), maar iedereen noemt haar Mamy of Maman, ze is Italiaanse en ze is drie jaar geleden in Lierneux aanbeland, na dertig jaar Luik. Haar echtgenoot lijdt aan astma, en de lucht van Lierneux zou hem deugd doen. De cafélucht doet er daarentegen geen goed aan, en hij is tijdelijk gevlucht naar een bovenverdieping.

Maman heeft zichzelf al snel ingeschreven voor de familieopvang. Ze heeft twee vrouwelijke patiënten op bovenkamers wonen. De een heeft altijd een lief, de ander heeft er nooit een. "Vraagt die andere: 'Mamy, zoek je voor mij ook een man?' Wat kon ik zeggen? 'Schat, ik zal straks in de GB kijken of ze er nog een in voorraad hebben.' Moest ze om lachen. Dan was haar ergste verdriet weer wat voorbij."

Is dat geen gevaarlijke combinatie: een café met patiënten?

"Waar zij wonen, hoeven ze niets met het café te maken te hebben, maar ze komen er graag."

Haar patiënten helpen haar soms, bij de afwas en zo. Maman krijgt, zoals andere opvangfamilies, ter vergoeding van onkosten tussen 15.000 en 17.000 frank per maand per patiënt. "Dat is niet zoveel als het lijkt. Ik geef hen drie keer per dag te eten en te drinken. Ze hebben shampoo nodig, verse lakens, verwarming. Er gebeuren ook ongelukken, want, dat is de aard van de zaak, ze zijn er niet altijd met hun hoofd bij. Ze bellen zonder dat ze het beseffen, ze laten de hoorn van de haak liggen terwijl ze verbinding gemaakt hebben met een verre bestemming. Ik heb al onwaarschijnlijke telefoonrekeningen moeten betalen.

"Maar dat is niet van belang. Ik heb zelf ongeveer alles meegemaakt. Depressie. Ruzie. Alles. Ik heb een zoon die in Italië woont en die ik maar heel af en toe zie. Als ik terugkeer van een bezoek aan hem of als hij vertrekt na een bezoek aan mij, kan ik me echt beroerd voelen. Dan komen mijn logees me troosten. "Maar Maman, waarom ben je zo triest?" En dan denk ik: waar maak ik me druk om? Hoeveel erger hebben zij het niet. Vierde wereld, misdrijven, scheidingen, kinderen die ze nooit zien, geen eigen dak boven hun hoofd. Zij troosten mij in plaats van ik hen."

"Dit is wat ik noem psychiatrie van de burger", zegt dokter Neys. "Mensen die geen specifieke opleiding hebben, ontfermen zich over psychiatrisch patiënten. Ze tonen hen hun solidariteit, op basis van hun invoelingsvermogen reageren ze, van mens tot mens, en ze tonen daarbij een openheid en een fijngevoeligheid die toch wel opmerkelijk zijn.

"Vaak is het leven in een instelling niet zo best. Sommigen worden er veeleer zieker van dan gezonder. Een leven alleen op kamers is voor velen ook een beproeving. Dit is een alternatief." En het kost de gemeenschap ongeveer vijf keer minder dan een verblijf in een instelling.

Ik maak een ommetje langs de lokale middenstand, die doorgaans gematigd tot positief is over de soms wat vreemde bewoners van hun buurt. Alleen in één van de drie banketbakkerijen hoor ik een onvertogen woord. "Ze komen weliswaar naar mijn bakkerij, maar veel geld hebben ze niet. En ze houden de toeristen toch weg uit Lierneux. Dat moeten we durven toe te geven. Er zijn hier bijna geen toeristen, terwijl dit toch best een aardig dorp is. Als hier Hollandse fietsers binnenkomen terwijl er een groepje patiënten taartjes zit te eten, zie ik die schrikken en snel weer weggaan."

Ik hoor ook nog iemand klagen over de politieke verschuivingen die het centrum teweegbrengt. Hij noemt het 'het centrum van de PS', en terwijl vroeger de PSC ongeveer alle zetels bezette, hebben de christen-democraten nu nog maar een kleine absolute meerderheid. En hoe meer werknemers naar Lierneux zullen afzakken, hoe minder groot die absolute meerderheid zal zijn.

Pierre, de elektricien, heeft de reputatie lief te zijn voor minder fortuinlijke mensen. Ook hij zegt: "Niemand is er immuun voor, het kan ons allen overkomen." Hij weet het drommels genoeg. Zijn broer moet af en toe in het instituut worden behandeld.

Globaal is hij heel positief over de werking ervan. "Toen ik vijfenveertig jaar geleden in de straten rondliep, hoorde ik wat we toen de zotten noemden soms joelen van smart. Niet omdat ze slecht behandeld werden, maar omdat er geen medicijnen beschikbaar waren om hen te behandelen. Dan breekt je hart. Dat geluid, dat gesnik en gehuil zit nog altijd in mijn hoofd."

Pierre heeft zelf nooit een patiënt opgenomen, misschien vooral omdat zijn echtgenote, Margot, dat niet ziet zitten. Zij is een inwijkelinge uit Eupen en heeft die traditie niet mee. Zij spreekt ook iets negatiever dan hij over de families die wel aan opvang doen. "Vaak heeft het toch met winstbejag te maken", vindt ze. "Ze kopen de allergoedkoopste margarine voor hun logé. Ze laten die altijd boterhammen eten."

Pierre: "We moeten toch toegeven dat het over het algemeen wel goed verloopt."

Margot: "Als we meer tijd zouden hebben, zou ik overwegen iemand in huis te nemen."

Maar af en toe zijn er schandaaltjes. Zo had Pierre een tv geïnstalleerd bij een patiënt. Toen die patiënt van familie wisselde, kreeg hij de slechte tv van de familie mee, terwijl de familie het nieuwe model van de patiënt behield. Margot kon het met facturen bewijzen. De familie werd op basis van dat incident haar andere patiënten ontnomen.

"In vijfendertig jaar dat we het volgen, zijn er twee dergelijke incidenten geweest", zegt Margot. "Aan de andere kant zijn er families die hun patiënt een plaatsje geven in het familiegraf, dat moet ik ook toegeven."

Men heeft, vertelde Neys eerder, geprobeerd ook elders in Wallonië gelijkaardige initiatieven op te zetten, onder meer in Bertrix, maar daar mislukte het. Waarom blijft het in Lierneux levensvatbaar? Zijn er, meer dan in Geel, jonge gezinnen die aan opvang wensen te doen?

"Weet je", zegt Pierre. "Hier word je nog niet scheef bekeken als je een medemens helpt. De mensen van Lierneux komen vaak uit grote boerenfamilies, en daar moest je elkaar wel helpen. Niemand heeft het breed. En we hebben nu eenmaal die traditie, dat gemeenschappelijke met, ik zal maar zeggen, de zotten.

"Toen ik klein was, pestten we hen. Ik kende een woord waarmee ik een jongen zot kon maken. Ik stond op een veilige afstand en riep dat woord: 'Nagram'. Waarom dat zo was weet ik niet, maar hij werd daar razend van. Dat werkte altijd. Tegenwoordig zijn de mensen fijngevoeliger. Ikzelf ook. Als ik een nieuwe patiënt in de winkel krijg, probeer ik hem als mens te benaderen, niet als 'geval'. Ik ben niet bot. Ik zeg niet: wat scheelt er met jou dat ze jou hier gestoken hebben? Ik vraag gewoon: bent u hier als toerist? Ik krijg dan gauw genoeg het verhaal."

"We verkopen per batterijtje", zegt Margot, "want veel geld hebben ze niet. We halen ze uit het kartonnetje en verkopen ze per stuk. Tegenwoordig zijn er nogal wat alcoholverslaafden in het instituut en die pikken wel wat. Vragen ze me om iets te drinken, en terwijl ik de keuken de fles water haal, hebben ze wat batterijen beet. Ik heb mijn fles water nu onder de toonbank klaargezet. Zo kan ik hen water geven zonder dat ik mijn rug moet keren."

Ze kijkt schuin naar haar echtgenoot: "Pierre geeft hen van alles. Een pakje sigaretten, kauwgum, koekjes."

Pierre: "Stel je in hun plaats."

Ik loop terug naar het instituut waar ik mijn fiets heb achtergelaten. Robert staat op de uitkijk - een ander dood stompje sigaar tussen de vingers.

"T'es encoor en vélooo?", jubelt hij.

Al de rest is hij vergeten, maar dat ik met de fiets ben en dat ik zijn onthaalfamilie nog niet bezocht heb, weet hij goed. "C'est bién, un vélooo. C'est duuur."

Jij bent hier ook goed, suggereer ik. "Bién moi. Bién. Très méchants, mes parents. M'ont battu avec la ceinture. Duuur."

Hoe lang is dat geleden?

Hij lijkt verloren. De dokter is er niet om het hem te vertellen. "Mais maintenant je suis bién. Tvas encoor en vélooo? Vielsalm c'est loin. Duuur. Suis bién."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234