Dinsdag 16/08/2022

'Hier kan onze reputatie niet stuk'

Jaarlijks bezoeken tienduizenden Britse scholieren de slagvelden van de Westhoek. Droge stof uit dikke geschiedenisboeken verandert in levende materie. Hoezo pubers tonen geen emoties? Een zakdoek komt in Flanders Fields soms goed van pas.

Door Erik Raspoet

Foto's Stephan Vanfleteren

Dinsdagochtend, Ieper. De receptionistes van het In Flanders Fields Museum zetten zich schrap voor een hectisch dagje. De week van 11 november is traditioneel de drukste van het jaar. Zevenhonderd scholieren zullen hier vandaag voorbij defileren, onder hen 400 Britse tieners op battlefield tour. Aan deze zijde van het Kanaal wordt de Grote Oorlog vooral geassocieerd met een dagje vakantie, een snoepje voor de werkman dat dit jaar helaas op een zaterdag uit de kast valt. In Groot-Brittannië daarentegen behoort Remembrance Day tot het collectief erfgoed. Het volstaat om dezer dagen naar de BBC te zappen. Geen nieuwslezer of presentator waagt zich op het scherm zonder poppy op das, kraag of decolleté. Zelfs Tony Blair spelt een papieren klaproos op zijn revers als hij tekst en uitleg geeft over de oorlog in Irak. In Vlaanderen, waar de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog in het teken van het pacifisme staat, zouden we geneigd zijn daarin een paradox te bespeuren. Hoe dan ook, de Britse overheid doet er alles aan doet om de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog levend te houden. Als jaarlijks 45.000 Britse scholieren door dit museum banjeren, dan heeft dat onder meer te maken met de subsidies die scholen vangen voor deze trips.

Directeur Piet Chielens neemt met ons de lijst door. Southam College komt met twee bussen, Henry Box School en Saint James Catholic High School leveren deze morgen elk één lading. Aan welke bus haken we ons wagonnetje vast? De keuze is moeilijk, want op het eerste gezicht is er geen verschil. "Het zijn allemaal deftige scholen uit de provincie", stelt Chielens vast. "Door de bank genomen hebben die gemotiveerde en gedisciplineerde leerlingen. Het ligt anders als je een concentratieschool uit pakweg Brixton of een andere inner city over de vloer krijgt. Die jongeren zijn doorgaans een stuk rumoeriger, ook al omdat ze zich nauwelijks betrokken voelen bij de Great War. Ik begrijp dat wel. Hun roots liggen meestal in een voormalige kolonie van het British Empire. Hun overgrootvaders mochten in 1914 niet eens wapens dragen, wat niet betekent dat ze aan de oorlogsgruwel zijn ontsnapt. Velen hebben aan het front gediend in het labour corp, werkslaven die trenches moesten graven."

We kiezen uiteindelijk voor het Henry Box School, een staatsschool uit Witney in Oxfordshire. Het is een beredeneerde keuze, want Henry Box is de enige school die haar battlefield trip to Belgium and France niet bij een touroperator heeft besteld. "We organiseren alles zelf", zegt geschiedenisleraar en delegatieleider Paul South. "Dat komt goedkoper uit en het biedt meer vrijheid. Als het ons uitkomt, lassen we een extra kerkhof in om op zoek te gaan naar een verwant van een van onze leerlingen." Dat is vandaag helaas niet het geval, we zullen de rest van de dag over de platgetreden paden van de Grote Oorlog lopen. De vraag die ons daarbij drijft is de volgende: wat doet zo'n driedaags bezoek aan soldatenkerkhoven en oorlogsmonumenten met deze jongeren? Blijft het aan de ribben plakken? Of is het vooral een buitenkansje om continentale lol te trappen en Belgische pralines in te slaan?

De etappe in In Flanders Fields lijkt de tweede hypothese te ondersteunen. Er valt nochtans veel te zien in een museum dat uitblinkt door zijn eigentijdse, interactieve aanpak. Film- en klankfragmenten, foto's en egodocumenten, wapens en andere memorabilia. Het opgezette trekpaard met artilleriestuk ziet er levensecht uit, de bomexplosie klinkt luid genoeg om argeloze bezoekers kop in kas in een greppel te laten duiken. Mijn oog valt op een citaat uit een brief. 'Complete waanzin op gigantische schaal', het is wellicht de kortste maar tegelijkertijd beste samenvatting van de hele oorlog. Allemaal fraai, maar de 62 leerlingen van Henry Box School hebben er nauwelijks een boodschap aan. Het duurt geen twintig minuten voor ze samentroepen in de shop op het gelijkvloers, speurend naar ansichtkaarten en coole T-shirts. "Het had iets grondiger gekund", zegt Paul South met gevoel voor understatement. "Maar daar komen we als begeleiders niet tussen, het zijn de leerlingen zelf die het tempo bepalen."

Voor South is het al zijn twaalfde bezoek aan Ieper. Terwijl zijn troepen verzamelen op de markt, brengt hij ons het abc bij van het secundair onderwijs in Groot-Brittannië. We hebben te maken met een comprehensive school, een open instelling met een egalitaire basisfilosofie. Begaafde en minder begaafde jongeren volgen tot hun 16de goeddeels hetzelfde programma. Op het einde van dat jaar breekt evenwel het moment van de waarheid aan, dan volgen de tests voor het General Certificate of Secondary Education (GCSE). De beste leerlingen krijgen een A-level en worden de volgende twee jaar klaargestoomd voor de universiteit, anderen stromen door naar technisch onderwijs of beroepsopleidingen. Toekomstige advocaten, kapsters, dokters en loodgieters, ze staan hier allen omdat ze geschiedenis als optioneel vak hebben gekozen. "We hebben in de klas al vijf maanden aan de Eerste Wereldoorlog besteed", zegt South. "Dit is het orgelpunt van de cursus. Het is dus geen vrijblijvende uitstap, na de reis moeten ze een verhandeling schrijven die meetelt voor het GCSE."

Maaar de slagveldtrips zijn veel meer dan verplichte leerstof. "Het draait natuurlijk ook om de herinnering", zegt South. "Het is nog vroeg, onze leerlingen zijn nog uitgelaten. Dat herken ik, ik heb dit programma al vaak afgewerkt. Tegen vanavond zal de sfeer een stuk serener zijn."

De troepenschouw kan beginnen. Met luide stem en een vleugje humor geeft South zijn instructies. Twee uur permissie om Ieper te verkennen. Geen solo-uitstappen, want je weet nooit wat er kan gebeuren. Geen groepen van meer dan zes, anders denken de locals dat er een invasie aan de gang is. "Kom nou", roept een lange slungel met gespeelde verontwaardiging. "We're English. Onze reputatie kan hier niet stuk." Twee uur later stappen ze op de bus, bijna zonder uitzondering gewapend met een plastic zak vol pralines. We zetten koers naar Hill 62, de speeltuin van het herdenkingscircuit. De exploitant van het privémuseum pruilt als hij leden van het Belgische journaille herkent. Hij heeft al vaak de wind van voren gekregen voor het uitmelken van de Grote Oorlog. En inderdaad, Hill 62 is zowat het pendant van In Flanders Fields. Van pedagogische of pacifistische idealen valt hier weinig te bespeuren, van historische duiding of thematische indeling al evenmin. "Laat ze maar kritiek geven", zegt de verongelijkte uitbater. "Van de Engelsen krijg ik wel waardering." En inderdaad, zelfs historicus South maakt er geen geheim van. "Dit is mijn favoriete halte op het parcours", zegt hij. "Vooral de foto's zijn geweldig."

De leerlingen doen niet onder voor zijn enthousiasme. Een eerste golf stort zich op de batterij stereoscopische kijkers met driedimensionale oorlogsfoto's. Er klinken kreten, tussen afschuw en verrukking. In Hill 62 wordt niet op een verhakkeld kadaver of een verdwaald lichaamsdeel gekeken. De achterhoede stroomt meteen door naar het bos dat bij Hill 62 hoort. Hier liggen de trenches van Sanctuary Wood, de best bewaarde loopgraven van het westelijk front, als we de uitbater mogen geloven. We schuifelen door het labyrint. Zonder bukken, ideale doelwitten voor sluipschutters met pistoolvingers. Bang! Gotcha! Virtuele slachtoffers leveren een heroïsche doodsstrijd, dit is niet het moment om naar de diepere gevoelens van een stel pubers te peilen. Toppunt van fun is de tientallen meters lange tunnel. In het aardedonker ploeteren we door de modder. Creepy, zegt een meisje als we aan de andere kant uit de pijp komen. Ze monstert wat beteuterd haar witte Nikes, een eerste geval van collateral damage.

Achteraan in het labyrint botsen we op een peloton Schotten, geallieerde bondgenoten. De tachtigjarige George McLelland laat het jonge geweld welwillend passeren. Zijn magisch moment komt morgen, als hij het Tree Alley Cemetery in het Franse Puisieux bezoekt. "Daar ligt mijn grootoom begraven", zegt hij. "Die heette George McLelland, zoals ik. Ik heb jarenlang archieven uitgeplozen om hem te vinden. Twee jaar geleden is het gelukt. Morgen ga ik het graf voor het eerst bezoeken, ik neem een stapel zakdoeken mee. Stel je voor, zijn ouders en zijn zeven broers en zussen hebben nooit geweten waar hij lag."

Ook de 65 jaar jongere Josh Taylor zal een zakdoek goed kunnen gebruiken. Meteen na aankomst op Tyne Cot begint hij aan zijn queeste. Foto's maken doet hij niet. Gejaagd schuimt hij de rijen met witte grafstenen af. In het register heeft hij het graf gevonden. Maar hoe vind je IC 19? Tyne Cot is een doolhof, het grootste soldatenkerkhof van Bel- gië. Er liggen 11.908 Britten en Canadezen begraven, op het memoriaal staan de na- men van nog eens 34.927 vermisten gegraveerd. Het is uiteindelijk een van de begeleidende leerkrachten die het graf lokaliseert. Josh knielt om de half uitgesleten letters te ontcijferen. Het is wel degelijk Stanley Gordon Clark, zijn greatgreatgrandfather wiens lot hij slechts kort voor deze reis heeft vernomen. Lid van de Canadian Arms Corp, gesneuveld op 28-jarige leeftijd in de slag om Passendale. Vier generaties scheiden Josh Taylor van Stanley Gordon Clark, maar dat doet niks af aan zijn ontroering. Minutenlang blijft hij voor het graf staan, de linkerhand op zijn hart, tranen verbijtend. Veel details over zijn betovergrootvader kent hij niet. "Hij is neergeschoten door een sluipschutter", zegt Josh. "Toen hij naar de oorlog vertrok had hij net een dochter gekregen."

Zo jolig de sfeer op Hill 62, zo ingetogen is de stemming op Tyne Cot. Het is niet alleen voor de warmte dat de leerlingen op de stenen banken van het memoriaal samenklitten. Een jongen doorbladert een van de namenregisters. Negen bladzijden met niets dan Williams, can you believe it? Een meisje in het gezelschap vertolkt wat iedereen denkt. Op school hebben ze zich vijf maanden lang in oorzaken, verloop en gevolgen van de grote oorlog verdiept. Maar het is pas hier, tussen de eindeloze rijen dominostenen van Tyne Cot, dat ze zich de omvang van de slachtpartij realiseren. Meer dan veertigduizend doden, twee keer de bevolking van Witney. Zeventig procent van de graven zijn naamloos. "Dat vind ik het ergste", zegt het meisje. "Al die doden die geen naam hebben gekregen."

Ook de volgende etappe is een verplichte halte voor Britse scholieren. In naam van de verzoening wordt het Duitse kerkhof van Langemark met een blitzbezoek vereerd. Of hij dat nodig vindt? Matt Parslee aarzelt geen seconde. "Uiteraard", zegt hij. "Anders verliezen we het evenwicht uit het oog. Ook het Duitse volk heeft een hoge tol betaald." Matt, een energieke kerel met lang, sluik haar, blijkt een echte expert inzake WO I. Hij is al met zijn ouders naar de slagvelden van de Somme geweest, en spreekt schande over de willekeur waarmee Britse generaals soldaten als kanonnenvoer opofferden. Leunend tegen een grafsteen in Langemark doet hij de aanloop naar de eerste wereldbrand nog maar eens uit de doeken. Hoe het begon met de terroristische aanslag van de Black Hand Gang op de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand en zijn gemalin. Hoe vervolgens heel Europa door een keten van allianties en contra-allianties de oorlog werd in gesleurd. "Engeland is pas tussengekomen toen de neutraliteit van België werd geschonden", betoogt hij voor een gehoor van drie klasgenoten. "Dat is trouwens een constante in onze geschiedenis. Ook in de Tweede Wereldoorlog zijn we tussengekomen om de Poolse neutraliteit te verdedigen. Sommigen zullen zeggen dat we beter buiten die oorlogen waren gebleven, maar daar ben ik het niet mee eens. Stel dat Tom op de speelplaats wordt aangevallen. Hoe reageer je dan als vriend? Dan ga je hem toch helpen zeker."

Wiskundeleraar Andy Richens staat geamuseerd te luisteren. "Mooi gezegd Matt", werpt hij op. "Maar wat dan met de Falklandoorlog en Irak? Zijn we daar ook tussengekomen om vrienden te helpen?" Matt laat zich niet uit zijn lood slaan. "Natuurlijk", geeft hij toe. "Engeland had in de Eerste Wereldoorlog ook eigen belangen te verdedigen op het continent. Stel dat we niet hadden ingegrepen. Dan waren de Duitsers misschien gewonnen en lag de vijand voor onze kust."

De schemering valt als de bus bij Essex Farm Cemetery stopt. Hier scheef de Canadese geneesheer-officier John McRae de wereldberoemde versregels van 'In Flanders Fields'. Maar dat is niet de reden waarom we hier afstappen. Op Essex Farm ligt private V.J. Strudwick, piot van The Rifle Brigade. Zijn steen is gemakkelijk te herkennen aan het bos houten kruisjes met poppies. Strudwick dankt die blijvende aandacht aan de uitzonderlijke leeftijd waarop hij sneuvelde, hij was maar 15. Negen decennia later verdringen 62 leeftijdsgenoten zich rond zijn graf. Dat hij over zijn leeftijd loog om naar de oorlog te kunnen gaan, dat gaat er bij velen niet in. "How stupid", hoor ik iemand roepen. Stupid? Vanmorgen heeft Piet Chielens het verhaal van John Kipling opgerakeld. Ook Kipling hoefde als slechtziende niet naar het slagveld te gaan. Hij ging toch, aangestoken door de golf van patriottisme die over Engeland spoelde, en met de zegen van zijn wereldberoemde vader Rudyard Kipling. John Kipling was 18 toen hij in Loos sneuvelde, een slag die zijn vader nooit te boven zou komen. Rudyard Kipling is de rest van zijn leven tevergeefs naar zijn vermiste zoon blijven zoeken. De auteur van The Jungle Book werd een van de architecten van de Imperial War Graves Commission, een instantie die ijverde voor de nagedachtenis van alle gesneuvelde soldaten, ook diegenen van wie nooit een spoor werd teruggevonden.

Een concreet en bijzonder indrukwekkend gevolg van die inspanning is de Menen Poort, het stenen geheugen dat de namen van 55.000 gesneuvelde soldaten bijhoudt. Het is kwart voor acht, en het ziet zwart van het volk. Henry Box School, Southam College, St James Catholic High School, ze zijn allemaal op het appèl. Alle geroezemoes verstilt als om acht uur stipt de Last Post weerklinkt. De ceremonie duurt hoop en al tien minuten, tien minuten die in het geheugen van de scholieren gegrift staan. We nemen afscheid van Paul South en zijn volgelingen, van wie sommigen tekenen van oorlogsmoeheid vertonen. Niet dat ze meteen in bed kunnen duiken. In de jeugdherberg volgt nog een bezinningsstonde waar leerkrachten gedichten voordragen en leerlingen hun impressies proberen te verwoorden. Misschien wordt er ook uit Kiplings 'Epitaths of War' geciteerd. "If you ask me why I died. It is because our fathers lyed."

Meer dan veertigduizend doden, twee keer de bevolking van hun stad. Zeventig procent van de graven zijn naamloos. 'Dat vind ik het ergste', zegt een meisje. 'Al die doden die geen naam hebben gekregen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234