Zaterdag 21/09/2019

Het zwarte spook van een grijze stad

De afgelopen jaren heeft Stephan Vanfleteren regelmatig rondgedwaald in le pays noir. Geschokt door de armoede, maar ook ontroerd door de gastvrijheid van de Carolo's, maakt de fotograaf met het boek Charleroi en de bijbehorende expo zowel een visueel testament van een stad in transitie als een document van persoonlijke impressies en gedachten.

Un coup de poing, een vuistslag. Het was een rechtse directe, vol op de kin. De jongen zakte even door de knieën. Na mijn welgemikte slag draaide ik me om en rende weg voor de achtervolgers. Het moet begin jaren '80 geweest zijn. Ik was 13 en woonde in een dorpje aan de zee, in een rustig straatje dat, jawel, het Henegouwse pad heette. De duinen waren van ons. Van niemand anders. Maar in de zomer moesten we ze delen met vakantiekolonies uit een binnenland dat even ver leek als een exotisch buitenland.

Zo stond er in onze duinen een vreemd gebouw met op de vale gele bakstenen in grote zwarte letters: Pays de Charleroi.Bij een land van Charleroi konden wij ons niets voorstellen. Maar die jonge onderdanen van dat land die we in de duinen tegenkwamen, mochten we niet. Ze spraken Frans en hadden een voor ons nooit geziene donkere huid.

'Le Pays de Charleroi' was de onbekende vijand, de witte zandvlakte ons slagveld. Een bleke kneukel tegen een getaande kin. Dat was mijn eerste confrontatie met Charleroi. Kort, hard en pijnlijk.

Een coup de foudre was het toen ik voor het eerst, ergens begin jaren '90, Charleroi zelf ontdekte.

Het kustdorpje had ik al een tijdje voor de hoofdstad ingeruild toen ik als persfotograaf bij het binnenrijden de mijnterrils rond de stad zag opdoemen. Mijn favoriete terril was Le terril des Piges, maar ik noemde hem als snel 'Les Pigeons', omdat ik er steeds naar terugkeerde als een duif naar zijn kot. Al die daken, met opvallend weinig zonnepanelen maar met veel schotelantennes, de Samber die onzichtbaar door de stad snijdt, de ring die haar als een cloaca omringt, de fabrieken die als vliegdekschepen midden in de stad liggen aangemeerd, de vuurtoren van het nieuwe politiegebouw dat opdoemt, en de vele steenkoolbergen die in de verte liggen te rusten.

Charleroi is net als Rome, maar dan met zeven mijnterrils in plaats van zeven heuvels. De ene stad met historische ruïnes, de andere met industriële. Keizer Julius en camarade Magnette, beiden trotse verdedigers van hun stad.

Les Pigeons was mijn vluchtheuvel. Ik heb er de zon zien opgaan, zien ondergaan, de sneeuw zien dwarrelen, de mist voelen optrekken, het vuurwerk aanschouwd, het tromgeroffel van de carnavalsstoet aangehoord, de sirenes horen loeien, de mobylettes horen scheuren en de fabrieken horen kraken.

Het uitzicht was er adembenemend. Hoe de fabrieken zo midden in de stad geland zijn. Of zijn de huizen destijds rondom de fabrieken gebouwd? De schouwen en ovens braakten wolken, een schouwspel dat me nooit meer zou loslaten. Met de jaren zag ik de rook samen met de stank steeds verminderen. Talrijke jobs gingen in de tanende rook op.

Berusting in het lot

De werkloosheidscijfers zijn choquerend. Nergens anders in België worden de cijfers zo visueel vertaald naar een zichtbare realiteit. Je ziet het in de straten, aan de huizen, in de cafés, de gokkantoren... Daar is een naam voor: verloedering. Miserie is niet alleen af te lezen in de straat, maar ook op het gelaat van de mens. Het gezicht van armoede is bleek, grauw, dof en heeft een kapot gebit. Vroeger was de stoflong verantwoordelijk voor de lage levensverwachting. Vandaag zijn het drank en nicotine die de volwassen lichamen kraken.

Vaak was het die armoede die me bleef choqueren. Ik heb in het buitenland al vaak armoe gezien - en ook in steden als Antwerpen, Oostende en Brussel - maar het went nooit.

De schaal in Charleroi is naar westerse normen groot. Marchienne-au-Pont, la Docherie, Dampremy. Straatarme deelgemeenten die gelegen zijn in de slechte windrichting van de stinkende fabrieken. Het valt bijna niet te vatten dat in die laatste deelgemeente zelfs het vensterglas werd uitgevonden, terwijl er zo veel ramen aan diggelen liggen.

Vreemd dat er geen coup d'état ontstaat tegen al dat onrecht. Ik bleef in de loop der jaren versteld staan van zo veel berusting in hun lot. Is het zelfbescherming, onwil of een generatie armoede te veel?

Maar soms lijkt het erop dat hoe dieper een mens in de stront zit, hoe meer warmte eruit dampt. Nooit ofte nimmer heb ik me niet welkom gevoeld bij de Carolo's. Zelfs wanneer ik me zacht provocerend voorstelde als een Flamoes, un sale Flamand.

Het was altijd fijn om die eerste lichte aarzeling te zien, dan een verlegen glimlach, en daarna hun verontschuldiging te aanhoren dat het allemaal maar politiek spel boven onze hoofden is. "On est tous égaux, seulement Johnny Hallyday est Dieu."

Nooit werd ik agressief behandeld wanneer ik met mijn fototoestel door de straten slenterde, zelfs niet in de straten waar de junks en prostituees ronddwaalden. Soms was het onwerkelijk hoe ik ongestoord kon fotograferen bij kwajongens, burgers of sukkelaars. Alsof het hen niet uitmaakte. Het was geen onverschilligheid, maar eerder een gebrek aan wantrouwen. Het is wat het is en we zijn wie we zijn. Arm maar warm.

Op carnavalsdag kreeg ik in de cafés altijd gratis bier toegestopt. Het was prachtig om zo veel plezier te zien op straat. En hoe later de avond, hoe surrealistischer de vertoning.

De gebulte ruggen, grote witte kragen, houten klompen en struisvogelpluimen op de hoofden van de Gilles bleven onophoudelijk bewegen om met hun bezwerende gedans de boze geesten uit te drijven. Het was Tomorrowland in het land van gisteren, Fellini in het Zwarte land.

Ontkenning van het verleden

Charleroi heeft naast het jaarlijkse carnaval ook de voetbal- en basketbalploeg, het fotografiemuseum met de grootste collectie in Europa, het mijnmuseum Bois du Cazier met zijn herinnering aan de vreselijke mijnramp, en natuurlijk Ryanair, waar een ticket voor een vlucht van Charleroi naar Perugia goedkoper is dan mijn brandstofbonnetje langs de autosnelweg van West-Vlaanderen naar Charleroi.

Ik hou van Charleroi. Ik kus haar op de mond, ondanks haar stinkende adem.

Soms begrijp ik de frustratie van de huidige burgemeester. Hij lust de bezoekende journalisten, fotografen en ramptoeristen soms rauw. Al steiger ik bij de gedachte dat hij van klassenhaat spreekt wanneer een Vlaming of buitenlander kritiek heeft op de stad en haar inwoners.

Hij wil de stad ombuigen - het verleden uit de stad halen om die zo naar een nieuwe toekomst te leiden. Maar het wegmaaien van die industriële geschiedenis is gewoon te drastisch. Schaamtegevoel over de leegstand van een glorieus industrieel patrimonium. Ik zou het zelfs een drang naar ontkenning van een bijzonder verleden durven te noemen.

De burgemeester beseft wel dat je de stad niet meteen zult verheffen door La Ville Basse om te bouwen tot een toekomstig winkelparadijs. Maar je moet ergens beginnen. En hij is begonnen.

De kade in de binnenstad langs de Samber mag er zijn. De hoerenstraat is omgevormd tot een soort plein, waardoor ze stilaan een dode arm van een zaadloze rivier wordt.

En is het een illusie dat ik denk minder junks in La Ville Haute te zien ronddwalen? Les colonnades van Boulevard Tirou zijn afgebroken voor iets nieuws, het Palais des Beaux Arts lijkt bevolkt met dynamisch personeel, en natuurlijk is er Le Rockerill. Twee jongemannen die voor een appel en een ei een industriepand aan La Providence gekocht hebben, er ateliers voor kunstenaars hebben geïnstalleerd, en er af en toe alternatieve optredens en party's geven.

Dat is de andere kant van Charleroi, de kant van jongeren bij wie levenslust triomfeert. Inzetten op kunstenaars moet de burgemeester doen. Charleroi kan een magneet worden voor jonge creatievelingen in plaats van de metaalmoeheid van een verbitterde vakbondsafgevaardigde. Melanie De Biasio, de Billie Holiday uit Charleroi, is alvast een mooi begin.

Vermoord door de regering

Un coup du lapin, een nekslag, dat gaf Charleroi me ook af en toe in de loop der jaren.

Zoals mijn korte ontmoeting met William in een café in La Ville Haute. Zijn vrouw was veertien jaar eerder overleden. "Ik denk nog elke dag aan haar... ik huil, iedere dag. Na haar dood wilde ik in de Samber springen. ik zat al met mijn broek in het water. De brandweer heeft me bij mijn kraag vastgegrepen en me eruit getrokken.

"Ik wil nog altijd dood. Ze was zo mooi. Ze was elf jaar ouder, maar dat was niet erg. Op café gingen we nooit. Nu doe ik dat wel. Uit eenzaamheid.

Ik drink mijn pintje, kijk wat voor me uit, sla een praatje en ga naar huis.

De meesten hier drinken veel, maar dat is oké. Iedereen heeft zijn verdriet, zijn verhaal, zijn litteken. Hier zijn we niet alleen. Dit is hier een familie, hier voelen we ons thuis."

Voor Yvan is de gevangenis zeven jaar lang zíjn thuis geweest. Ik ontmoet hem aan Charleroi-Ouest, ooit een van de belangrijkste stations van België. Het stationsgebouw is reeds lang geleden afgebroken, maar sedert 1952 staat er een ander belangrijk gebouw: Friterie Robert. Iedere dag van 11 tot 19 uur staat Yvan er met zijn blikken bedeldoosje de mensen vriendelijk te begroeten.

Als jonge kerel was hij matroos op de Mercator en later gespecialiseerd onderwaterlasser, tot die ene fatale dag waarop hij twee mensen vermoordde en een andere levenslang in een rolstoel sloeg. Een handgemeen met drie Algerijnse junks liep behoorlijk uit de hand. "Hier heb ik er twee over de reling gegooid.

"Toen mijn straf erop zat en ik buiten op het trottoir van de gevangenis van Doornik stond, wachtte de dochter van de eigenaar van dit frietkot me op. Sedert mijn vrijlating sta ik hier iedere dag; ik hou het hier wat in het oog, ruim de vuilnisbakken op en bewierook het vakmanschap van de uitbaters. Iedereen kent me, en ook de junks van de buurt weten dat ze hier niet meer moeten komen om problemen te zoeken. Er zijn geen auto-inbraken meer, geen diefstal of ander gedoe. Het is hier peis en vree."

Op een zonnige ochtend wandelde ik langs de Samber en liep een ex-arbeider van staalbedrijf Carsid tegen het lijf. Fabrice had gelukkig werk in een ander bedrijf gevonden, maar hij miste de kameraadschap van de grote fabriek in betere tijden. "Ik werk omdat het moet, voor mijn auto, mijn huis en de opvoeding van mijn kinderen. Maar mijn beroepseer en mijn levensvreugde zijn verdwenen. Ze hebben ons verraden, we zijn vermoord."

Wie is de moordenaar dan, vraag ik. "Le gouvernement", zegt hij gedecideerd. "Le gouvernement." Hij wijst me elke schoorsteen, pijpleiding en fabriekshal aan. Vaak in de vervoeging van de verleden tijd. In dit water stroomt geen toekomst meer voor de gewone arbeider. "C'est fini, c'est foutu."

Maar de grootste slag was natuurlijk aan de Route de Philippeville 128, waar een zieke man een kelder had gebouwd. Telkens als ik over de brug rijd langs het huis, krijg ik nog koude rillingen. Toen we daar met z'n allen onze telelenzen richtten op een banaal rijtjeshuis, was ik nog persfotograaf. De zaak-Dutroux was een deel van ons leven. Julie en Mélissa zullen we nooit vergeten. Deze twee meisjesnamen staan samen met An en Eefje in ons geheugen getatoeëerd.

Vergevingsgezind

Hoe zou het zijn met de man die ik aan de andere kant van het land meer dan dertig jaar geleden een vuistslag heb gegeven? Zou hij gelukkig zijn?

Is hij werkloos? Ben ik zonder het te weten langs zijn huis gepasseerd? Misschien heb ik hem wel gekruist tijdens mijn tochten door de straten?

Ik heb altijd gedacht dat ik op een dag tijdens deze opdracht mijn straf zou krijgen. Ik hield rekening met een antwoord in de vorm van een vuist. Een boemerang, die meer dan dertig jaar onderweg was. Ik had hem zonder zelfmedelijden aanvaard, er misschien zelfs wel op gehoopt. Het had mijn geweten gesust.

Maar Charleroi is niet wraakzuchtig, ze is vergevingsgezind.

Langs de oever van de Samber zie ik, echt waar, een dodenkrans drijven. Hoeveel symbolischer kan het zijn? Ik voel dat dit het einde is van mijn op-dracht. Ik besluit voor een laatste keer naar de top van de terril te klimmen.

De lente is in aantocht. Voor Char-leroi zal dat ook ooit zo zijn. Vandaag nog niet, morgen ook niet. Maar ooit wel. Het diepste dal in het land van de weduwen van de stoflong is bereikt.

La nuit deviendra claire. Le noir deviendra blanc. Et ce ne sera pas de la neige. Tenez le coup, mon amour.

Charleroi, Il est clair que le gris est noir, Hannibal, 256 p., 35 euro. Het boek wordt voorgesteld op 22/5, bij de start van de expositie Stephan Vanfleteren, Charleroi in het Fotomuseum in Charleroi. De expo loopt tot en met 6/12.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234