Zaterdag 17/04/2021

'Het zuivere denken is de weg vooruit gebleken'

In Het meten van de wereld gaat Daniel Kehlmann op zoek naar de oorsprong van de Duitse wetenschap. Daartoe beschreef hij de exploten van de grote onderzoekers Gauss en Von Humboldt, twee antagonisten, wat een komisch-filosofische avonturenroman opleverde.

In 1828 vond in Berlijn een groot wetenschappelijk congres plaats. Twee intellectuele draken ontmoetten er elkaar voor het eerst en begonnen meteen te bekvechten. Ze hadden immers elk op hun manier de voorbije halve eeuw de wereld in kaart willen brengen en ze vonden allebei dat de ander er een potje van had gemaakt.

De een was Alexander von Humboldt, later ook wel de Duitse Darwin genoemd, die naar Zuid-Amerika reisde en er zowat alles wat los of vast zat probeerde te meten of te wegen. Hij beschreef de kleuren van de hemel, mat de temperatuur van de bliksem en woog de nachtelijke rijp. Hij proefde vogelstront, onderzocht aardschokken, telde de luizen op het hoofd van een lokale vrouw, bewees dat je curare best kunt drinken en at - die verdomde kannibalen hadden hem wijsgemaakt dat het een aapje was - zelfs een kinderhandje op.

Zijn grote rivaal was Carl Friedrich Gauss, een man van een heel ander kaliber. Hij kwam nooit zijn stadje uit, bedacht op zijn eentje de grondbeginselen van de hedendaagse wiskunde en presteerde het om tijdens zijn huwelijksnacht zijn blakende Johanna in de steek te laten om vlug een notitie te maken over de manier waarop meetfouten bij het bepalen van planeetbanen bij benadering te corrigeren zijn.

Daniel Kehlmann schreef over dit tweetal Het meten van de wereld, een dolkomische filosofische avonturenroman die op zoek gaat naar de oorsprong van de Duitse wetenschap. "Hoe meer ik over het leven en de exploten van Gauss en Von Humboldt las, hoe sterker ik me begon af te vragen waarom niemand eerder op het idee gekomen was om er een komisch boek over te schrijven", lacht hij. Vooral Von Humboldt blijkt een uitermate intrigerende figuur geweest te zijn: een cliché van een echte Pruis, een toonbeeld van Gründlichkeit en daardoor ook een absoluut wereldvreemde snater. Hij pretendeert wel geïnteresseerd te zijn in de werkelijkheid, maar zijn meten is in feite niet meer dan een manier om niet echt met die wereld te moeten omgaan. Hij creëert er afstand door, als was hij bang. Seks is hem bijvoorbeeld volkomen vreemd.

"Ik heb daar natuurlijk nogal de nadruk op gelegd omdat dit zaken zijn die een roman boeiend maken," verduidelijkt Kehlmann, "maar ook in het echt was Von Humboldt volgens mij iemand die het moeilijk had met contact. Zijn neiging om alles te willen meten was ongehoord obsessioneel. In zijn verslagen over de reis die hij samen met zijn assistent van Parijs naar Madrid maakte beschrijft hij hoe hij zowat van alles langs de weg de maat nam. Hij mat de stenen waar hij bijna over struikelde en de bomen die hem schaduw gaven, en hoe meer je leest, hoe duidelijker het wordt dat hij in feite niet geïnteresseerd was in de wereld. Hij mat voor zichzelf en zonder meten kon hij zich niet voortbewegen. Hij was volgens mij een echte dwangneuroot. Hij was een slaaf van zijn angsten, maar waar hij nu precies bang voor was hebben we het raden naar. Van de historische Von Humboldt weten we in feite niet veel. Wanneer je zijn enorme aantal natuurhistorische boeken leest - over Zuid-Amerika alleen al schreef hij bijvoorbeeld 34 banden bij elkaar - krijg je het gevoel dat er geen mens achter steekt. Niet dat hij zichzelf krampachtig wil verstoppen, maar veeleer dat hij zelf niet weet wie hij is.

"Hij was een heel verstandig mens, een leraarstype, en ook wel een hoogbegaafde, cultureel hoog opgeleide robot. Het lag binnen zijn mogelijkheden om een groot prozastilist te worden. Zijn natuurbeschrijvingen moeten zeker niet voor die van Goethe onderdoen, maar waar zij voor deze laatste op zich voldoende waren, voelde Von Humboldt altijd de nood om een prachtige passage vlug dood te meppen met vijf pagina's meetgegevens. In zijn laatste grote werk, Der Kosmos, dat hij schreef toen hij bejaard was en niet meer kon lopen, komt zijn obsessie tot een climax. Daar steekt de echte feitenverzamelaar de kop op. Uit alle boeken die hij vinden kon verzamelde hij de feiten en meetgegevens, plofte die samen in een volstrekt onleesbaar boek en geloofde dat hij daarmee een volledige beschrijving van de aarde had gegeven. Je zou het zijn ongewild absurde testament kunnen noemen."

Gauss was een heel ander mens, veel beter aangepast aan de wereld.

"Maar ook hij had zijn gekke trekken. Zo heeft hij bijvoorbeeld nooit gereisd. Hij bleef altijd in zijn kleine provinciestadje, ook al was hij wel degelijk echt geïnteresseerd in de wereld om zich heen. Hij had een veel vrijere geest dan Von Humboldt en stel dat hij naar Zuid-Amerika getrokken zou zijn, dan zou hij er ongetwijfeld veel meer van gesnapt hebben."

Leefde Gauss wetenschapshistorisch gezien gewoon niet in een ander tijdperk dan Von Humboldt?

"Zeker. Von Humboldt was een achttiende-eeuwse natuuronderzoeker, terwijl Gauss een twintigste-eeuwse wetenschapper was. Gauss was de grondlegger van de niet-Euclidische meetkunde. Hij was degene die aantoonde dat wat in de realiteit vanzelfsprekend lijkt, namelijk dat twee evenwijdige lijnen elkaar nooit kruisen, wiskundig niet klopt. Hij bewees dat wij niet in de Euclidische ruimte leven, wat Bernhard Riemann later in staat stelde zijn niet-Euclidische elliptische meetkunde te ontwerpen, die uiteindelijk aan de basis van de relativiteitstheorie lag. Von Humboldt was een heel andere figuur, een premoderne natuurfilosoof, de laatste wellicht, die geloofde in een statisch wereldbeeld waar alles zijn plaats heeft, dieren niet veranderen, planeten een eeuwigdurende baan volgen en de mens voor altijd aan de top staat van het leven. Darwin ging als jongeman ooit bij hem op bezoek en de twee praatten een hele namiddag naast elkaar door. Von Humboldt snapte niets van de evolutietheorie en zag er ook het nut niet van in. De grootste belediging die je een mens ooit kunt aandoen, stelde hij nadien, is zeggen dat hij afstamt van een aap. Wat zou hij wel niet gedacht hebben van Freud, die zei dat de mens geen meester is in zijn eigen huishouden, van Einstein die beweerde dat we de loop van de wereld nooit naadloos kunnen voorspellen of van de kwantumfysica die de causaliteit herleidde tot een statistisch gegeven? Gauss had daar best mee kunnen leven, Von Humboldt niet. Daar was hij te veel een dichter voor en te weinig een wetenschapper."

En daardoor ook niet zo belangrijk voor de geschiedenis van de wetenschap?

"Spijtig genoeg niet, nee. Hij was een belangrijk avonturier en een onovertroffen verzamelaar, maar daar bleef het zowat bij. Hij hield van lange lijsten met gegevens en had in feite op wetenschappelijk vlak maar één grote intuïtie: dat hij zijn metingen verricht op verschillende plaatsen met elkaar moest vergelijken en dat hij zo tot opzienbarende gelijkenissen en verschillen kon komen. Op die manier ontdekte hij het bestaan van oceaanstromingen. Zijn grote gebrek was echter dat hij niet abstract kon denken en daardoor heel wat ontdekkingen aan zijn neus voorbij zag gaan. Zo liet hij zich onder meer in met elektriciteit, maar op het begrip spanning kwam hij niet, in tegenstelling tot Volta, die nadien met de eer ging lopen. In feite was hij dus veeleer een tragische figuur."

Maar wel een gerespecteerd mijningenieur.

"Inderdaad en dat heeft hem wellicht ook in staat gesteld als eerste buitenlander onderzoek te doen in een Spaanse kolonie. In mijn roman laat ik hem minister Manuel de Urquijo overtuigen hem een visum te geven door deze een totaal absurd recept tegen impotentie voor te schrijven, waar hij aan toevoegt dat de ingrediënten ervoor alleen in Zuid-Amerika te vinden zijn en dat hij die best wel wil gaan halen. In de realiteit ging het er iets prozaïscher aan toe: de minister dacht dat de beroemde Duitse mijningenieur in staat zou zijn goud te vinden. In zijn boeken beschrijft hij tientallen keren hoe Spaanse kolonisten en gelukzoekers hem steenbrokken onder de neus duwden met de vraag of het goud was, en dat was het nooit."

De een blijft thuis en ontdekt de wereld. De ander maakt grote reizen en ziet niets. Wat zegt dat over onze wereld en over onszelf?

"Het zegt veel over de twee basismanieren waarop we met onze menselijke vrijheid kunnen omgaan: denken of bewegen, en de beperkingen waar beide aan onderhevig zijn. Von Humboldt en Gauss bewogen zich op een scharniermoment binnen de geschiedenis van de wetenschap, het moment waarop men begon te tellen en te rekenen. Bij Goethe, een vriend van Von Humboldt, zien we dat bijvoorbeeld ook terugkomen wanneer hij Newtons experimenten met lichtbreking in een spectrum niet op wetenschappelijke, maar wel op morele gronden afkeurde. Zo behandel je licht niet, vond hij en meteen illustreerde hij daarmee ook zijn archaïsche kijk op de natuur als een bezield wezen. Gauss daarentegen was een van de eersten die wist te abstraheren en zich via het zuivere denken een weg naar de kennis baande. En dat is uiteindelijk ook de weg vooruit gebleken, want sinds het midden van de negentiende eeuw is alle wetenschap mathematisch geworden. Goethe en Von Humboldt konden best wetenschapper worden zonder wiskundige te zijn. Dat is vandaag ondenkbaar."

En misschien is dat wel een beetje jammer.

"Inderdaad, op het einde van zijn leven bedenkt Gauss in mijn roman dat een opgemeten landschap nooit meer hetzelfde zal zijn als voorheen. Het is zijn magie en poëzie kwijt. Door wetenschap en technologie heeft de mens zijn stempel op de wereld gedrukt en heeft hij hem veranderd en zelfs lang nadat hij uitgestorven zal zijn, over 40.000 jaar of zo, zal de radioactieve straling die hij opgewekt heeft nog steeds aanwezig zijn. Maar dat betekent nog niet meteen dat we in een wetenschapsvrije wereld zouden willen leven. Wie tandpijn heeft beseft meteen wat dat zou betekenen."

Voorwaar, een schrijver die voor de wetenschappelijke vooruitgang is!

"(lacht) Ja, ook al is dat niet echt populair in de geesteswetenschappen. Ik kreeg meer dan eens de opmerking dat mijn boek mooi en goed is, maar toch te wetenschappelijk. Wetenschap ziet men in die kringen nog al te vaak als iets onbelangrijks. Het is ongehoord dat je Hamlet niet kent, terwijl je niet zonder gezichtsverlies kunt bekennen dat je de stelling van Pythagoras weet te bewijzen. Literatuur is belangrijk voor mij, natuurlijk, maar ik vind het ook fascinerend te ontdekken hoe de mens zijn wereld onderzoekt en vorm geeft."

In uw boek zijn we niet alleen getuige van een wetenschappelijke omwenteling, maar ook van een politieke: de opkomst van het nationalisme en dat allemaal door de machinaties van een turnleraar.

"Inderdaad, Friedrich Ludwig Jahn, schrijver van Die Deutsche Turnkunst, is voor Duitsland heel belangrijk gebleken. Voor mij is hij de karikatuur van een Duitse filosoof. Op het moment dat Kant een oude, seniele man geworden was, deed Jahn zijn intrede en gaf hij het kosmopolitisch gerichte denken een nefaste nationalistische knik. Zijn turnbeweging was een van de eerste openlijk antisemitische organisaties. Het nationalisme dat er gepredikt werd stond bol van het ressentiment en er is zonder enige moeite een lijn te trekken van Jahn naar Hitler. Men zegt wel eens dat Herder aan de oorsprong lag van het Duitse nationalisme, en daar zit wel iets in, maar je kunt hem niet verantwoordelijk stellen voor het nazisme. Jahn wel. Heel typisch was de combinatie van nationalisme en de verheerlijking van het menselijk lichaam, met een fixatie op de onderwerping van dat lichaam. Hedonisme was uit den boze, net als seks. Het kwam eropaan een goede Duitse krijger te worden. De toestellen die op school in de turnles gebruikt worden, zoals de bok en het rek, zijn ontwikkelingen van Jahn en ik heb altijd het gevoel gehad dat het prefascistische gereedschappen waren. Leni Riefenstahls Triumph des Willens en Olympia vinden bij Jahn hun oorsprong. En ook in zijn eigen tijd al wist men dat er iets mis was met zijn ideeën. Heinrich Heine, een democraat in hart en nieren, wou bijvoorbeeld niets met Jahn te maken hebben. Voor mij stopt de gezonde Duitse geschiedenis met Jahns opgang en daarom laat ik Eugen, de zoon van Gauss, op het einde van het boek afvaren naar Amerika. In Duitsland is er voor hem geen toekomst meer."

Marnix Verplancke

Daniel Kehlmann

Het meten van de wereld

Oorspronkelijke titel: Die Vermessung der Welt, vertaald door Jacq Vogelaar, Querido, Amsterdam, 291 p., 19,95 euro.

'Von Humboldt pretendeert wel geïnteresseerd te zijn in de werkelijkheid, maar zijn meten is in feite niet meer dan een manier om niet echt met die wereld te moeten omgaan'

Het meten van de wereld van Daniel Kehlman is een van de drie boeken die volgende dinsdag op tafel liggen in Uitgelezen, het maandelijkse boekenprogramma van Vooruit & De Morgen. Thema van de avond is Science AND Fiction. De andere boeken die worden besproken zijn De Engelenmaker van Stefan Brijs en Globalia van Jean-Christophe Rufin. Panel: Anna Luyten, Koen Fillet, Bart Vanegeren en Jos Geysels. Moderator: Fien Sabbe (20.00 uur, Balzaal Vooruit Gent).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234