Zondag 13/06/2021

Het zijn zotten die schilderen

Een korte amicale hommage in de catalogus van de tentoonstelling René Magritte in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel is ondertekend door Harry Torczyner. Aan het einde ervan staat de zin 'er is mij meegedeeld dat mijn heengaan nabij is', gedateerd oktober 1997. Op paasmaandag raakte bekend dat Torczyner in New York was overleden. Wie was deze man, wiens portret in 1958 door Magritte geschilderd werd en die Magritte in de VS introduceerde?

Ludo Bekkers

In 1910 werd hij in Antwerpen geboren als tweede zoon van een Oostenrijks-joodse vader en een Belgische moeder. Hij doorliep eerst een stedelijke lagere school, daarna het Koninklijk Atheneum, studeerde af als doctor in de rechten aan de ULB en begon een carrière als advocaat aan de balie van Antwerpen. Na de Belgische capitulatie in 1940 week hij met zijn vrouw uit naar de Verenigde Staten, waar hij zijn rechtenstudies overdeed aan Columbia University. Later vestigde hij zich als Attorney at Law in New York. Om tijdens zijn studies brood op de plank te krijgen zocht hij, tegen het universiteitsreglement in, allerlei klussen.

Torczyner: "Het grappige was dat dat stiekem gebeurde in hetzelfde gebouw waar ik nu kantoor houd, want na vijf uur 's avonds werkte ik voor een advocaat die hier zijn kantoor had. Maar ik heb ook allerlei gekke banen gehad: vertaler en doubleur voor films, waarbij ik onder meer de rollen van een bekend Frans acteur in het Engels speelde; ik heb radio-ervaring opgedaan omdat dat 's nachts kon. Ik was van middernacht tot 's ochtends zeven uur aan een zender verbonden en om negen uur verscheen ik met een air de Tartuffe op de universiteit."

Torczyner werkte zich op tot een topspecialist in internationaal recht, die meer dan 35, vooral Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen juridisch adviseerde in bilaterale en internationale vraagstukken, problemen van staat tot staat, staat versus multinationale maatschappijen of verdragen die via de VN een oplossing moesten krijgen. Het meest frappante voorbeeld van dat laatste was zijn medewerking aan een bespreking in 1947 op de bijzondere algemene vergadering van de Verenigde Naties, waarop het Palestina-probleem behandeld werd en waarbij hij optrad als juridisch adviseur van de joodse delegatie, het Jewish Agency for Palestine. "Ik was in Flushing Meadows en had een zekere ervaring met de VN. Op de bijzondere algemene vergadering van 1947 werden de voorbereidingen getroffen om tot een redelijke oplossing te komen. Er was unaniem aanvaard dat het Brits mandaat beëindigd zou worden en dat de onafhankelijkheid van Palestina zonder verwijl erkend zou worden. Binnen de joodse delegatie waren er echter meningsverschillen tussen maximalisten en minimalisten. De eersten opteerden voor een opdeling in een joodse en een Arabische staat, die verbonden zouden blijven in een economische unie. Jeruzalem en een gebied errond, Betlehem inbegrepen, moest een internationale enclave worden, werd gedemilitariseerd en kwam onder voogdij van de Verenigde Naties te staan. De minimalisten wilden dan weer dat Palestina een federale staat zou worden waarin joden en Arabieren autonomie zouden krijgen in hun respectieve gebieden, met Jeruzalem als hoofdstad. De algemene vergadering van 29 november 1947 aanvaardde het voorstel van de maximalisten met 33 stemmen tegen dertien, én tien onthoudingen. De Arabieren verwierpen het plan en vrijwel onmiddellijk braken er onlusten uit. Het vervolg van de geschiedenis kennen we. Maar dat belet niet dat ik, die al sinds mijn jeugd deelneem aan de zionistische beweging, ervoor geijverd heb om de joodse delegatie op één lijn te krijgen."

Torczyner heeft zijn joodse achtergrond nooit onder stoelen of banken gestoken, ondanks het feit dat hij noch orthodox noch religieus was. Voor hem waren en zijn de joden een volk, een natie. Sinds hij voor Afrikaanse opdrachtgevers werkte en het continent talloze keren bezocht, had hij begrepen wat het begrip tribaal betekende. Zijn verklaring: "Precies zoals een Vlaming zich Vlaming voelt - en dat geldt evenzeer voor een lid van de Mendes-stam in Sierra Leone of voor de Baulés op de Ivoorkust - zo tribaal ben ik een jood. Waar het over geloof gaat, heb ik altijd beseft dat naties en volkeren een tribale God hebben. De universele God waarover iedereen spreekt heb ik nooit ontmoet."

De Antwerpenaar Torczyner is, nadat hij zijn juristendiploma aan de Columbia University behaald had, Amerikaans staatsburger geworden. Vrij snel daarna wierp hij zich actief in de politiek. In 1952 werkte hij mee aan de campagne voor presidentskandidaat Dwight Eisenhower en later werd hij adviseur van de beroemde New Yorkse senator Jacob Javitz. In 1978 stelde hij zich kandidaat voor de verkiezingen van het Congres. Hij verklaarde die belangstelling voor de Amerikaanse politiek vanuit het feit dat hij zich zijn hele leven lang activist gevoeld had.

Torczyner: "Je kunt de grootste jurist zijn en in je kamer zitten, maar wat gebeurt er dan? Je kunt ideeën hebben over politiek, maar als je ze niet uitspreekt of je wordt niet gehoord, waar gaat het dan om? Eerst was ik dus raadgever, want ik vond dat ik een grotere invloed kon hebben door iemand anders te laten spreken. Ik zal natuurlijk niet zo onbeleefd zijn om een groot staatsman of senator te vergelijken met een puppet, maar wat je zelf niet zegt kan door een luidspreker gezegd worden. Die luidspreker is de man aan wie je politieke raad geeft. Maar opdat hij belangrijk wordt moet je hem helpen om verkozen te worden. Op die manier werd ik actief in Republikeinse kringen, tot ik in de jaren zestig besloot om me helemaal op mijn beroep te concentreren."

Dat heeft hem echter niet belet om zich in 1978 kandidaat te stellen voor het Congres, en dat had dan weer te maken met een persoonlijke geschiedenis. De aanleiding was een incident. Torczyner: "Mijn gouvernante destijds was een Nederlandse en die had me een brief geschreven die hier door de postdiensten was opengemaakt. Hun excuus was dat post uit Amsterdam onder verdenking stond omdat ze pornografie, loterijbiljetten of drugs kon bevatten, en er is een reglement dat controle toelaat. Ik vond dat censuur zodat ik met de toldiensten en het postbestuur ging ruziën. Ik vond het een schending van mijn privacy. Niemand durfde dat reglement aan te vallen, de meesten waren er trouwens niet in geïnteresseerd. Ik ga het deze keer potverdomme niet in een brief aan de krant schrijven, dacht ik, ik word kandidaat. Drie motieven lagen me daarbij na aan het hart: eerst de tirannie van de Amerikaanse pers - er bestaat in de VS geen recht van antwoord zoals in België. Ik wou gaan vechten onder het motto Freedom from the Press, want ik meende dat Nixon door de pers was vermoord. Ten tweede was er dat openen van die brief. En ten derde was er de schandalige politiek van de administratie in verband met de nationale verdediging." Torczyner kwam dus op in het 20ste district, voerde een straatcampagne, sprak in radiouitzendingen, verscheen op de lokale televisie, huurde op Times Square een lichtreclame, Free speech means speech for free, maar haalde het ten slotte niet.

Behalve zijn omvangrijke professionele activiteiten was er de kunst. Die had hij van kindsbeen af leren kennen, want zijn geboortehuis in Antwerpen was voordien de woning geweest van de kunstschilders Edward en Gerard Portielje, beiden beoefenaars van anekdotische genretaferelen, die de kamers met allerlei motieven hadden versierd. Naast het ouderlijke huis woonde zijn grootvader, bij wie schilder baron Henri Leys zijn sporen had nagelaten. Literair had hij zich kenbaar gemaakt met twee in het Frans geschreven dichtbundels, Miettes (Egmont Press, New York, 1952) en Un coin de désert (Vynckier, Kortrijk, 1958 met illustraties van Octave Landuyt). Een literator die Torczyner zeer bewonderde en die een vriend werd was Georges Simenon, wiens belangen hij een tijd lang behartigde en met wie hij grote affiniteiten had. Dat gold ook voor René Magritte, met wie hij van 1957 tot het overlijden van de schilder in 1967 een zakelijke en vriendschappelijke relatie onderhield.

Torczyner: "Er is één boek geweest dat een onuitwisbare indruk op me heeft gemaakt, Les Chants de Maldoror van Lautréamont, Isidore Ducasse. Ik kan zeggen dat ik evenzeer gevormd ben door Ducasse als door welke leraar, gouvernante of professor ook. En dan een man mogen ontmoeten als Magritte, met wie ik zoveel gemeen had, ja dat is verbazend. Ik heb met niemand zo'n intellectuele relatie gehad als met hem. Ze heeft vele jaren geduurd, we hebben bijna wekelijks met elkaar gecorrespondeerd en dankzij mijn beroep kon ik hem vaak in Brussel ontmoeten. Het is heel gek een Wahlverwandtschaft te vinden tussen twee mensen waarvan de achtergrond zo verschillend, maar de geestelijke wereld bijna dezelfde was. Het was een passie."

Torczyner heeft Magritte in de VS geïntroduceerd zowel bij befaamde galeriehouders als in de musea. Zijn demarches zijn na te lezen in het boek L'Ami Magritte, brieven en herinneringen (Mercatorfonds, Antwerpen, 1992). Maar lang voor de ontdekking van Magritte had Torczyner zich al ingespannen om de Belgische kunst in de VS bekend te maken. Octave Landuyt was een van de eersten die hij in de jaren vijftig promootte, omdat hij het "zo'n fantastische verrassing" gevonden had "in een wereld van abstractie weer een realist aan te treffen, en dan met dat talent dat men in Vlaanderen vindt".

Ook anderen genoten zijn belangstelling en hebben zijn steun gekregen. De levende internationale kunst wist Torczyner zeer te appreciëren. Zowel in zijn privé-appartement als op kantoor was de beeldende kunst prominent aanwezig. Torczyner hield van kunstenaars omdat "kunstenaars allemaal zot zijn. Als ze niet zot waren, dan zouden het geen kunstenaars zijn. Ik hou van zotten, want ik ben zelf een zot."

Door zijn persoonlijke contacten met de groten der aarde en zijn rol van éminence grise tijdens talrijke internationale onderhandelingen, kan men zich afvragen of Torczyner er niet toe verleid werd om zijn macht te misbruiken of er ontzettend ijdel door te worden. Het antwoord is ontwapenend: "Ik geloof dat de meeste mensen die een beetje intelligent zijn weten dat een man die zichzelf ernstig neemt niet ernstig is. Het is daarbij altijd mijn streven geweest onafhankelijk te blijven. Je bent natuurlijk altijd in zekere zin afhankelijk. Onafhankelijk zijn betekent ook niet rijk worden, maar genoeg middelen bezitten om op niemand te hoeven rekenen, politiek datgene te doen waarin je gelooft. Ik wou een vrij man zijn en ben vrij gebleven. Mijn doel? Heel eenvoudig of heel brutaal aan wie dan ook, wanneer of waar ter wereld, één woord te kunnen zeggen als ik vond dat ik het zeggen moest: merde."

'Ik heb met niemand zo'n intellectuele relatie gehad als met Magritte'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234