Zondag 15/12/2019

Het wonderlijke beroep van vertaler

Het werk van Annelies Verbeke is vertaald in 22 talen. Vertalers dienen het belang van hun werk te beseffen, stelt ze. 'Ze moeten zichzelf ook als een auteur durven te zien.' Annelies Verbeke

In een Londense boekwinkel stuitte ik onlangs op Is That a Fish in Your Ear? The Amazing Adventure of Translation van David Bellos. Misschien zou ik het boek niet hebben gekocht als ik niet net een vierdaags vertaalseminarie achter de rug had. In de UCL hadden literair vertalers zich over enkele van mijn korte verhalen gebogen. Tijdens dat proces had ik vaak teruggedacht aan alle vorige keren dat ik met vertalers in aanraking was gekomen en was mijn interesse voor dit wonderlijke beroep verdiept.

Het boek van Bellos bleek mooi bij deze nieuwsgierigheid aan te sluiten. De auteur doceert Frans en vergelijkende literatuurwetenschap in Princeton en is vertaler van onder anderen Georges Perec en Ismail Kadare. In zijn zin voor helderheid en precisie herken je de begaafde vertaler (en de goede docent). Op onduidelijkheid kun je Bellos nergens betrappen, op een fout wel. Bijna hield ik het boek voor bekeken nadat ik in het tweede hoofdstuk had gelezen: "Vandaag de dag is Engels bijvoorbeeld de enige gemeenschappelijke taal tussen sprekers van verschillende moedertalen in België." Dat is op zijn minst sterk overdreven.

Toch slaagde Bellos erin mij in de volgende hoofdstukken weer voor zich te winnen. Omdat hij een leerzaam, geschiedkundig onderbouwd betoog met humor weet te verpakken, maar vooral omdat het aanstekelijk is iemand gepassioneerd over zijn werk te horen vertellen.

Waar Bellos het nauwelijks over heeft - en dat verbaasde me enigszins - is het directe contact tussen de vertaler en de auteur van het oorspronkelijke werk. Ergens vermeldt hij de eenmalige samenwerking met een volgens hem krankzinnige auteur die zijn interpunctie op precies dezelfde manier in de vertaling wilde terugvinden. Ook schrijft hij kort iets over de wijze waarop hij met Kadare werkt. Toch bleef ik op dit gebied wat op mijn honger. Toen mijn eigen werk werd vertaald, begreep ik pas dat de mate waarin een auteur bij een vertaling wordt betrokken, van de vertaler afhangt. Van de Italiaanse vertaalster van Slaap! hoorde ik nooit iets. Ook is het een surrealistische beleving om van de postbode een pakket te krijgen waarin je vijf exemplaren van een onbekend boek vindt, waar jouw naam op staat. Op de cover prijkt een gans achter een hek, onder een titel die veel langer is dan elke titel die je zelf ooit hebt bedacht. Enig speurwerk deed me beseffen dat Komşunun tavuğu, komşuya... mijn Groener gras in het Turks was. Pas later ontmoette ik de vertaalster, die de titel verklaarde als het eerste deel van de Turkse uitdrukking 'de kippen van de buren lijken ganzen voor de overburen'. Een goede keuze, tot mijn opluchting.

'Dat is uw taak'

Toch kan ik me niet voorstellen dat er een boek lang geen enkele vraag opkomt bij de vertaler. Dat sommigen zich beschroomd voelen om contact op te nemen met een auteur, kan ook aan enkele auteurs liggen. De Roemeense vertaler Gheorghe Nicolaescu vertelde me dat zijn vragen aan een Nederlandse literaire coryfee werden beantwoord met het zuinige zinnetje: 'Dat is uw taak.' Desondanks lijken de meeste vertalers, Nicolaescu incluis, in het raadplegen van de auteur te geloven. De keren dat ik enkelen onder hen in levenden lijve kon ontmoeten, leverden vruchtbare sessies op, waarbij ik telkens inzag hoe moeilijk hun taak is en erg blij was dat de vaak onverwachte onduidelijkheden die ze aanhaalden, werden opgehelderd. De Deense Naja Møllmann-Ibsen, die twee van mijn romans vertaalde, spant de kroon als het op het betrekken van de auteur aankomt; van haar ontving ik telkens vele bladzijden met vragen of twijfels en enkele keren moest ik zelfs toegeven dat ze me op een inhoudelijke eigenaardigheid of spellingslapsus had betrapt.

Ik vind het heel speciaal, intiem bijna, om te weten dat iemand zich urenlang geconcentreerd aan mijn werk wijdt, en hoop dan altijd maar dat die persoon ook van mijn werk houdt, want die affiniteit lijkt me een voorwaarde, of op zijn minst een sterke motivatie, voor een goede vertaling. Niet veel literair vertalers hebben echter de vrijheid alleen de werken te vertalen waar ze veel zin in hebben. Het trof me toen bleek hoe teleurgesteld Heike Baryga was toen de Duitse uitgever van Vissen redden een andere vertaler had ingezet - met wie het overigens fijn samenwerken was en die voor zijn vertaling, net als Baryga voor de vertaling van Slaap!, werd geprezen in de Duitse pers. Baryga reageerde emotioneel omdat ze oprecht van Vissen redden hield, en dan is het voor een auteur ook een vreemde vaststelling er niet voor te kunnen zorgen dat een begaafde liefhebber van je werk je niet op zo'n intense manier mag blijven vergezellen.

Toch wordt de literair vertaler in het Duitse boekenlandschap behoorlijk gerespecteerd in vergelijking met collega's in buurlanden. Duitse recensenten laten niet na iets positiefs over de vertaling te vermelden, terwijl vertalers elders vaak enkel ter sprake komen als ze terecht of onterecht ontevredenheid hebben opgewekt. Bellos beweert dat Duitse en Franse vertalers meer worden betaald dan in de meeste andere landen. In de Angelsaksische wereld hangt literair vertalen volgens hem grotendeels af van idealistische amateurs die er nog een andere baan op na houden. Dat laatste geldt in veel gevallen ook voor 'mijn' vertalers, en is de situatie voor de literair vertalers in Vlaanderen, zo toonde een studie van de Vlaamse Auteurs Vereniging eind vorig jaar aan. Zonder subsidies - die werk per werk worden toegekend, of niet - verdienen vertalers gemiddeld 4.630 euro per jaar, 7.000 euro voor literair vertalers in hoofdberoep, wat betekent dat een aanvullend beroep of bijverdienste - vaak na een voltijds werkschema - voor hen een noodzaak is. Het kan anders, leert Bellos ons: nergens is het aanzien van vertalers zo hoog als in Japan. Er is zelfs een gespecialiseerd roddelblad gewijd aan hun levenswandel: Honyakuka Retsuden 101 (De Levens van Vertalers 101).

Toen ik met Sanneke van Hassel de bloemlezing Naar de stad samenstelde, waarbij wij een 21-eeuwse, internationale selectie van korte verhalen beoogden, viel het ons al gauw op dat er heel veel literatuur bestaat waar je simpelweg niet bij kunt, omdat die niet vertaald is naar het Engels, Frans of Duits, de enige talen die Sanneke en ik, naast het Nederlands, kunnen lezen. De hulp die we van vertalers kregen, was dan ook onontbeerlijk. Zij zorgden ervoor dat een aantal verhalen in onze bloemlezing lezers toegang verschaffen tot auteurs en hun werelden die anders verborgen zouden blijven.

De rol van het Engels is van cruciaal belang. Dat het ook in de literaire wereld de belangrijkste taal is geworden, was me uiteraard niet ontgaan, maar de cijfers die Bellos daarover geeft, zijn onthutsend. Tachtig procent van alle vertalingen naar de zeven meest prominente talen, gebeurt úit het Engels. Slechts acht procent van de vertalingen uit deze talen gebeurt náár het Engels. Deze acht procent bepalen in hoge mate of de deur naar een bepaald taalgebied of een individuele auteur geopend wordt of gesloten blijft voor de rest van de wereld. Geen wonder dat auteurs en hun uitgevers Engelse vertalingen zo fel begeren. Ondanks de tweeëntwintig talen waarin mijn werk werd vertaald, is er, op een kort verhaal na, nog niets in het Engels verschenen. Gelukkig zijn Duitse en Franse vertalingen ook goed om aan buitenlandse uitgeverijen te slijten. Achtenzeventig procent van de vertalingen gebeurt naar die twee talen.

Eigen stempel

Je kunt maar hopen dat die onderbetaalde en onderschatte vertalers de moed behouden om het belang van hun werk in te zien. Ze dienen niet enkel hun rol als sleutel serieus op te vatten, maar moeten zichzelf ook als een auteur durven te zien. Een 'letterlijke vertaling' is immers een illusie, net als 'onvertaalbaarheid', zo beweert Bellos. Dat persoonlijke voornaamwoorden geen geslachten hebben in het Fins, wist de Finse vertaalster Mari Janatuinen bijvoorbeeld mooi te omzeilen door de elkaar snel afwisselde 'hij' en 'zij' in het middendeel van Vissen redden, te vervangen door 'de man' en 'de vrouw'. Dat is een eigen stempel die een eigen effect sorteert, en dat is maar goed ook.

Wat niet betekent dat ik het altijd eens ben met de keuzes van vertalers. Dat mijn dwerg genaamd Rutger Hauer in de Engelse vertaling van mijn verhaal 'Liefde, hoop en dwergen' George Clooney heet, omdat die laatste wel en die eerste niet bekend genoeg zou zijn bij een Angelsaksisch publiek, vond ik schokkend. Dat het hoofdpersonage van mijn eerste roman in een bus in plaats van in een trein zit omdat 'er heel weinig treinen rijden in Argentinië', kon ik niet aanvaarden. Toch passen deze voorbeelden alle in een bredere discussie, die ook door Bellos wordt belicht: moet de vertaling de nieuwe lezers aanzetten zich aan te passen aan de cultuur van het oorspronkelijke werk of moet die andere cultuur zich aanpassen aan die lezers? Wat mij betreft: zo veel mogelijk dat eerste.

Bellos gaat dieper in op het vertalen van stijl en humor. Hij komt tot de conclusie dat het er altijd om gaat een uitstekende 'match' te vinden. Ook vraagt hij zich af of een computerprogramma binnenkort zou kunnen vaststellen dat elk boek van Perec in een vertaling van hemzelf, ook stilistisch als een boek van Bellos kan worden herkend, hoezeer hij ook zijn best heeft gestaan om Perecs stijl(en) getrouw weer te geven. Mijn eigen indrukken zijn natuurlijk minder objectief dan de bevindingen van een computerprogramma, maar na het lezen van vertalingen van Luk Van Haute (uit het Japans) en Hanneke vander Heijden (uit het Turks) meen ik hun eigen stijl in de door hen vertaalde boeken te herkennen, terwijl die boeken tevens per vertaalde auteur van elkaar blijven verschillen. Dat vind ik heel bijzonder. Het boek van de auteur zal altijd ook het boek van de vertaler worden. Als die vertaler op zijn beurt een goede auteur is, hoeft niemand daar rouwig om te zijn.

Is That a Fish in Your Ear? - de titel verwijst naar een vertaalhulpmiddel in The Hitchhiker's Guide to the Galaxy - is een rijk boek. Bellos weerlegt een hoop onzin die over vertalen wordt verteld en slaagt er zelfs in je van zijn op het eerste gezicht nogal overdreven conclusie te overtuigen: "Translation is another name for the human condition." Want de vertaalpraktijk berust op twee vooronderstellingen: we zijn allemaal verschillend en we zijn allemaal gelijk. Wie dat niet gelooft, moet Bellos boek maar lezen.

David Bellos, Is That a Fish in Your Ear?, Penguin Books, 400 p., 19,95 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234