Donderdag 24/06/2021

‘Het was een kinderlijke en hoopvolle tijd’

Blakend van infantiel optimisme trokken miljoenen jonge mannen in 1914 de oorlog in om er te ontwaken in de naar mosterdgas ruikende realiteit. A.S. Byatt schreef een imposante roman over de twee decennia voor de oorlog, toen iedereen zich vergaapte aan de wondere pracht van Peter Pan en niemand de Kruppkanonnen opmerkte die stonden te blinken in het Duitse paviljoen van de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900.

A.S. Byatt schetst treffend beeld van het begin van de twintigste eeuw, een tijdperk waarin de wereld radicaal veranderde

`

Door Marnix Verplancke / Foto tim dirven

Sir Arthur Conan Doyle was niet alleen de geestelijke vader van Sherlock Holmes en een fervente verdediger van de gerechtigheid, wat hem aanzette tot het schrijven van een paar messcherpe pamfletten tegen de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog, hij geloofde ook in elfjes. Zo beweerde deze stuurse man met de priemende ogen en de grote snor in een boekje met de titel The Coming of the Fairies bij hoog en bij laag dat er achteraan in zijn tuin een klein volkje tussen de planten leefde dat van bloem tot bloem fladderde en daarbij kwistig sterrenstof in het rond strooide zoals Tinkerbel uit J.M. Barries Peter Pan.

Afvoeren die man, denken wij dan, maar daarbij zouden we een belangrijke historische fout maken. Conan Doyle stond immers niet alleen in zijn elfenmanie, zowat de hele laat-Victoriaanse maatschappij was in de ban van die wezentjes. Er verschenen artikels over, geïllustreerd met foto’s waarvan alleen een kniesoor de authenticiteit ter discussie durfde te stellen. “Het was een kinderlijke en hoopvolle tijd”, zegt de Britse A.S. Byatt, een van de grote ‘ladies of letters’ en de auteur van de imposante roman Het boek van de kinderen, en ze zegt het met gemengde gevoelens. In dit boek, dat speelt tussen 1895 en 1917, volgt ze een paar families op hun weg door de maatschappelijke geschiedenis. Vooreerst zijn er Olive en Humphry, zij een succesrijke kinderboekenschrijfster en hij een vroegere werknemer van de Bank of England die als publicist aan de kost probeert te komen. Ze hebben zeven kinderen en voor ieder van hen schrijft Olive een boek waaruit ze gretig put bij het componeren van haar werk. Een tweede gezin dat gevolgd wordt is dat van Prosper Cairn, een weduwnaar en ex-militair die het tot afdelingsdirecteur van het nog in aanbouw zijnde Victoria & Albert Museum heeft geschopt. En dan zijn er ook nog de Fludds, die niet ver van Dungeness op het platteland wonen en proberen te overleven van de opbrengsten van de artistieke Arts and Crafts pottenbakkerij van de depressieve vader des huizes, naast een hele reeks nevenpersonages zoals een Londense regisseur, een Russische anarchist en een Duitse poppenspeler.

Veel meer dan een verhaal vertellen lijkt Byatt een beeld te willen schetsen van een tijdperk waarin de wereld radicaal veranderde. De Fabian Society werd opgericht, die men de intellectuele voorloper van Labour zou kunnen noemen, anarchisten pleegden aanslagen, utopisten verkochten dromen en de suffragettes kwamen op voor de rechten van de vrouw. Byatt leert ons in het atelier van de pottenbakker keramische tegeltjes maken, neemt ons mee naar de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900, waar we de aan lager wal geraakte Oscar Wilde op een terrasje zien zitten, laat de Rosettikinderen hun Appeal to the Young drukken en kruipt zelfs in de huid van een feministische terroriste. “Het was een kinderlijke en hoopvolle tijd”, herhaalt Byatt nogmaals. “Opeens zag men dat kinderen geen minivolwassenen waren, maar dat ze een eigen persoonlijkheid hadden die in haar onschuld en geluk misschien wel hoogstaander was dan die van de volwassenen. Mannen en vrouwen gingen kinderboeken lezen en droomden van een betere wereld, en ze zagen niet hoe de kinderen van die kinderboekenschrijvers ten onder gingen aan het succes van hun ouders. Milne Christopher Robin voelde zich zijn hele leven psychisch belast door de Poohboeken, Kenneth Grahame, de schrijver van The Wind in the Willows, moest het meemaken dat zijn zoon onder een trein sprong en een van de door J.M. Barrie geadopteerde kinderen leed zo onder Peter Pan dat hij zichzelf verdronk. En toch wou iedere volwassene een kind zijn. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en de Britse soldaten de loopgraven vulden bedachten ze er hun eigen namen voor, zoals Peter Pan Trench en Captain Hook Copse.”

Het huwelijk tussen Olive en Humphry is heel open. Ze hebben beiden buitenechtelijke relaties en kinderen. Hoe uitzonderlijk was dat in die tijd?

“Laten we zeggen dat zoiets niet ongewoon was. Kijk bijvoorbeeld maar naar de Bloomsbury Group. Zowat iedereen deed het daar met iedereen. Ik heb me bij de constructie van Olive in grote mate laten leiden door het leven van Edith Nesbit, een schrijfster van kinderboeken uit die tijd die enorm populair was en wier The Railway Children vandaag nog steeds gelezen wordt. Edith Nesbit was getrouwd met Hubert Bland, een van de stichters van de Fabian Society. Hij had een maîtresse toen hij met haar trouwde en hij hield die ook nadien aan, toen die vrouw zwanger was van hem. Later maakte hij ook nog Ediths beste vriendin zwanger, de hoofdredactrice van het tijdschrift The Lady. Wat moet ik nu doen, huilde de vriendin en Nesbit troostte haar met het voorstel dat ze bij hen kon komen wonen en dat ze allemaal samen voor de baby zouden zorgen. Nesbit wist toen nog niet dat het kind van haar man was, maar toen ze dat te weten kwam was ze niet kwaad of zo, nee, de vriendin kon blijven, ook nadat ze opnieuw zwanger was geworden. We mogen niet vergeten dat er geen voorbehoedsmiddelen waren in die tijd. Slippertjes leidden tot buitenechtelijke kinderen en die werden dan opgevangen binnen het gezin. Dat was normaal. We moeten daar niet schijnheilig over doen. Toen Hubert stierf, kregen twee van zijn kinderen te horen dat Edith hun moeder niet was. Je moet daar niet mee zitten, zei de schrijfster, ik zal jullie behandelen zoals alle andere kinderen. En dat deed ze, tot ze stierf en die twee zonder erfenis achterbleven. Zo hard kon het er soms toegaan. Bij Vanessa en Clive Bell was het echt op het randje. Die waren getrouwd, maar op een bepaald moment wou Vanessa, de nicht van Virginia Woolf, een kind van Duncan Grant, een homoseksuele huisvriend. Deze stemde toe en Angelica was het resultaat. Toen het meisje een tiener was deelde haar moeder haar tussen neus en lippen mee dat haar vader niet Clive was, maar Duncan, en dat ruïneerde haar leven. Later trouwde Angelica met David Garnett, die een lange homoseksuele relatie had met haar vader, Duncan Grant. Hij kende Vanessa al toen Angelica geboren werd en toen hij voor het eerst het wiegje van de baby in keek zei hij: ‘Later zal ik met je trouwen’, wat hij dus ook deed en zo werd haar leven helemaal een puinhoop.”

In feite beschuldigt u de hoopvolle Fabians, anarchisten en de utopisten van naïviteit. Ze zagen de Eerste Wereldoorlog niet aankomen, en toen die uitbrak trokken ze allemaal dapper ten strijde, voor God en vaderland.

“Er waren een aantal gewetensbezwaarden, onder wie de Quakers, maar dat waren er inderdaad ontstellend weinig. Misschien ben ik wel een beetje te hard geweest voor de Fabians. Ze hadden wel degelijk een positieve invloed op de wereld. Ze maakten het leven van de arbeiders lichter en kwamen op voor vrouwenrechten, maar soms waren ze zo pietluttig. Veel acties van de suffragettes waren gewoonweg stom en inefficiënt. Het zijn zij niet die uiteindelijk het vrouwenstemrecht erdoor gekregen hebben maar wel de suffragisten, degenen die in stilte achter de schermen werkten en de levens van vrouwen daadwerkelijk veranderden. Mijn moeder ging als dochter van een arbeider uit het noorden van het land naar Cambridge omdat haar generatie vocht voor een opleiding. Zonder haar zou ik niet zijn wie ik ben. Zij hield ook niet van de utopisten die lekker gezond in het rond gingen dansen in zomerkampen voor de happy few. Dat vond ze onzin. Het is ook door haar dat ik uiteindelijk bij het Victoriaanse tijdperk ben terechtgekomen. Ik studeerde Engelse letteren en schreef een thesis over de zeventiende eeuw. Het was mijn moeder die me echter introduceerde in Victoriaanse poëzie en romans. Ik groeide op met Tennyson en Browning en ik ken hun gedichten nog steeds uit het hoofd. Zij hebben de structuur van mijn hersenen bepaald, denk ik.”

Hoe ingrijpend die oorlog wel was, wordt bijzonder duidelijk in uw boek. De helft van de personages overleeft hem niet en wie wel nog leeft weet dat niets meer zal worden als voorheen.

“We verloren er alleszins onze naïviteit door, en dat was een goede zaak. En ook de mannen waren weg, waardoor de vrouwen uit werken gingen en de maatschappij noodzakelijkerwijs veranderde. Opeens waren vrouwen onafhankelijk. Iedereen had een man, een vader of een broer verloren en de wereld was kil en vijandig geworden. Het sociale leven draaide rond andere vrouwen in plaats van jongemannen. Maar dat betekende niet dat iedereen opeens pessimistisch geworden was. Mijn vader was een Quaker en hij vertelde me altijd hoe de oorlog de Quakers nog vastberadener gemaakt had in hun voornemen om de wereld rechtvaardiger te maken. Alleen slaagde niemand daar echt in natuurlijk, dat zou pas na de Tweede Wereldoorlog gebeuren.”

Uw boek gaat ook over schrijven en de inefficiëntie ervan. Olive probeert haar gezin samen te houden door er verhalen voor te schrijven, maar dat blijkt uiteindelijk allemaal vergeefse moeite.

“Niets zo ergerlijk als mensen die overdreven veel waarde hechten aan literatuur. Doris Lessing merkte ooit op dat het dom is om te beweren dat je schrijver wil worden. Je kunt beter zeggen dat je wil schrijven. Ik vond dat bijzonder knap. Ik schrijf omdat ik moet. Ik maak kunst omdat het moet, niet omdat ik per se kunstenaar wil zijn. Ik groeide op tussen Quakers en die staan heel argwanend tegenover kunst. Het zijn moralisten die tijdens de oorlog fantastisch werk leverden bij het opvangen van de gewonden. Ik ging naar een Quakerschool en kreeg daar ingepeperd dat het er vooral op aankwam de wereld te begrijpen en goed te doen. Kunst kwam daar niet bij kijken. Ik denk dat het voor een schrijver goed is te beseffen dat schrijven niet het belangrijkste is wat er bestaat. Schrijven is voor mij een drang, en het ergste moment van mijn leven was dat waarop ik begon te vrezen dat ik nooit iets goeds op papier zou zetten, waardoor ik eraan dacht om als sociaal werker aan de slag te gaan. Wie was ik immers om mijn tijd te verspillen met schrijven terwijl er zoveel kroms recht te zetten was in de wereld? Gelukkig begonnen mijn boeken na verloop van tijd te verkopen, waardoor ik het gevoel kreeg dat ik het recht had om te schrijven. En toch heb ik het er soms nog moeilijk mee, en denk ik dat ik beter nuttige zaken zou maken, zoals aardewerken potten bijvoorbeeld. Ik hou van objecten, stouw er mijn huis vol mee, presse-papiers bijvoorbeeld, maar ook sculptuurtjes en schilderijen. Ik vind Le Corbusier en zijn idee dat een huis een machine is om in te wonen afschuwelijk. Zijn lege muren zijn onmenselijk. Tijdens je leven pik je her en der objecten op, en uiteindelijk zijn het die objecten die je identiteit bepalen. Vandaar dat ik zo van de Arts and Craftsbeweging houd. Morris en zijn makkers maakten fantastisch mooie zaken om in je huis te zetten, en niet in een kerk. In de jaren zestig doceerde ik literatuur in een kunstacademie. Men maakte toen alleen verschrikkelijk grote abstracte schilderijen die je alleen in een museum kwijt kon. Kunst diende immers voor iedereen te zijn en niet voor in je huis. Ik heb een vriend die toen bij me studeerde en nog steeds aan het voortploeteren is, alleen kan ik nooit iets van hem kopen omdat ik het mijn huis niet in krijg. Alles wat hij maakt is bestemd voor een galerie, maar daar hangt er al lang niets meer van hem, waardoor zijn flat helemaal vol doeken staat, het ene tegen het andere, en hij steeds minder plaats heeft om te leven.”

A.S. Byatt(1936, Sheffield)

> Werd geboren in een Quakergezin en kreeg met de paplepel mee dat het er in het leven om draaide de wereld te begrijpen en goed te doen. Kunst had een negatieve connotatie.

> Toch kwamen zowel zij als haar twee zussen in het artistieke milieu terecht. Margaret Drabble is net als Byatt schrijfster geworden, Helen Langdon kunsthistorica.

> Debuteerde in 1964 met The Shadow of the Sun en publiceerde nadien met de regelmaat van de klok romans, verhalen en essays.

> Echt populair werd Byatt pas in 1990, toen Possession de Booker Prize kreeg en de roman wereldwijd tot een succes uitgroeide. Met de opbrengst van de filmrechten liet ze een zwembad aanleggen in de tuin van haar Franse zomerverblijf, heeft ze weleens verteld.

> Werd in 1990 benoemd tot Commander en negen jaar later tot Dame Commander in de Most Excellent Order of the British Empire.

> Werd twee jaar geleden door The Times verkozen tot een van beste vijftig naoorlogse Britse schrijvers.

> Haar boeken worden gekenmerkt door een grote intellectuele eruditie en een scherpzinnig gevoel voor historische details, waarbij een voorliefde opvalt voor de hoog-Victoriaanse literatuur van George Eliot en Robert Browning.

> Het boek van de kinderen stond vorig jaar op de shortlist van de Man Booker Prize.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234