Woensdag 17/07/2019

Terreur

‘Het was de eerste keer dat ik op vakantie ging, en het heeft mijn leven kapotgemaakt’

Tunesië werd vorige week opgeschrikt door twee zelfmoordaanslagen. Bij de aanslagen kwam één agent om, en raakten negen mensen gewond. De afgelopen jaren vonden regelmatig aanslagen plaats in Tunesië. Op 26 juni 2015, gisteren vier jaar geleden, maakt een IS-terrorist op het stand van de Tunesische badplaats Sousse 38 doden, onder wie één Belgisch slachtoffer, Lana Novoselska (53). Haar beste vriendin Anita (54) bleef getraumatiseerd achter. 

Bijna was Anita Zordanello niet meegereisd naar Sousse, omdat ze treurde om haar zoon, die enkele maanden ervoor was gestorven. Maar haar beste vriendin Lana praatte haar om. De zon en haar beste vrienden zouden haar goed doen; even op adem komen na de zware maanden van verlies. En dus ging ze. Op het witte zandstrand van Sousse verloor ze vervolgens haar beste vriendin in één van de bloedigste IS-aanslagen in Tunesië.

Een jonge man in zwarte short en T-shirt wandelde die vrijdagmiddag over het strand met een grote parasol in de hand. Toen hij voorbij het vijfsterrenhotel Imperial Marhaba kwam, om 11.45 uur, haalde de 22-jarige Seifeddine Rezgui een kalasjnikov uit zijn parasol en opende het vuur op de zonnende badgasten. Hij mikte op de buitenlandse toeristen en spaarde het Tunesische personeel, liep lachend het hotel binnen, wierp granaten en doodde nog meer hotelgasten. Toen hij pas na dertig moorddadige minuten door de politie werd neergeschoten, had hij 38 badgasten gedood, onder wie 30 Britten, een paar Fransen en Duitsers, en één Belgische vrouw.

“Iedereen kent de aanslagen van 22 maart 2016, maar de aanslag in Sousse is in België vergeten”, zegt Anita, die in een afgelegen dorpje bij Namen woont, tussen schapenweiden en boomgaarden. “We zijn maar met een handvol Belgische slachtoffers, en daar ligt de overheid niet wakker van.” De afgelopen vier jaar durfde ze nauwelijks haar huis uit te komen. Twee keer werd ze opgenomen in het ziekenhuis met een paniekaanval. Ook nu nog schrikt ze van elk geluid, is ze bang van de mensen op de bus, in de straat, in de winkels. Altijd en overal op haar hoede voor een nieuwe terreuraanslag.

Anita Zordanello: “Na de nachtmerrie in Sousse heb ik me maandenlang in mijn kamer opgesloten in het donker, het hoofd vol zwarte gedachten. Pas sinds kort durf ik opnieuw te gaan winkelen in grootwarenhuizen, en af en toe waag ik me nu naar Brussel om er de mensen van V-Europe te ontmoeten, een vereniging die de belangen behartigt van terreurslachtoffers. Na de aanslagen van 22 maart 2016 – bijna een jaar na Sousse – beloofden de ministers dat slachtoffers van terreuraanslagen hulp zouden krijgen, maar daar heb ik nog maar weinig van gemerkt.”

België is enkele maanden geleden op de vingers getikt in een VN-rapport, omdat ze terreurslachtoffers te weinig medische, financiële en psychologische hulp hebben geboden.

“Voor mij is dat in ieder geval zo. Ik heb eerst jarenlang niets gehoord en moest alles in mijn eentje verwerken. Pas in juni 2018, drie jaar na de feiten, ben ik door de Commissie voor Hulp aan Slachtoffers officieel erkend als slachtoffer van een terreurdaad. Ik zat toen al drie jaar thuis en was een wrak, worstelend met een trauma. Nu loopt er een procedure om te kijken of ik in aanmerking kom voor een klein bijstandspensioen als oorlogsslachtoffer. Ik heb net de beslissing binnengekregen: volgens de Commissie heb ik recht op een jaarlijkse bijstand van 1.304 euro. Dat is iets meer dan 100 euro per maand. Moet ik het daarmee redden?

“Ik ben 54 jaar. Ik zat boordevol plannen, maar die zijn allemaal weg. Ik kan niet meer werken. Ik zie geen vrienden meer. Ik waag me in mijn eentje nooit verder dan tien kilometer buiten huis. Mijn kleinkinderen willen dolgraag met mij naar Parijs, maar ik durf het gewoon niet. Ik heb nog altijd angstdromen en paniekaanvallen, ik voel me gedeprimeerd. Ik ben mijn levensvreugde kwijt. Maar in België beteken je als terreurslachtoffer niets. Dat hoor ik ook van de slachtoffers van de aanslagen van 22 maart. O ja, ik heb wel recht op een gratis abonnement op het openbaar vervoer. Héél goed voor iemand die bang is van de mensen. Voor mijn man en mijn kinderen is het erg zwaar, want ik ben altijd een opgewekte, zelfverzekerde vrouw geweest. Ik hoop dat dat ooit nog terugkomt.”

'In België beteken je als terreurslachtoffer niets. Dat hoor ik ook van de slachtoffers van 22 maart'

Droomvakantie

Vertel eens over je reis naar Sousse. Was het echt de eerste keer in je leven dat je op vakantie ging?

(lachje) “Ja, ik ben altijd een huismus geweest. Ik ben geboren in het dorp hiernaast, trouwde 36 jaar geleden met een jongen uit de buurt en vond hier op het platteland mijn geluk. Maar omdat ik net 50 geworden was, wilde ik weleens weg. Lana en haar man Jean-Michel hadden een luxehotel geboekt in Tunesië, all-inclusive, en vroegen me mee. Ook Lana’s vriendin Odette zou meegaan. Ik keek er erg naar uit, we waren opgewonden als kleine meisjes.

“In februari 2015 is mijn zoon Michael onverwacht gestorven. De maanden nadien waren moeilijk, ik twijfelde of ik wel zou vertrekken. Lana, die een grote steun voor me was, overhaalde me. ‘Het is niet omdat je op reis vertrekt dat je hem vergeet of onrecht aandoet.

“En dus stapten we die dinsdag in juni met z’n vieren op het vliegtuig. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik vloog. We dronken champagne op het vliegtuig en Jean-Michel nam een foto van de piloot in de cockpit. Het hotel in Sousse was adembenemend, met marmeren vloeren en gouden lusters, en vier glazen liften waarin je de hotelgasten op en neer zag gaan. Op een ronde tafel in het midden van de hal stond een imposante vaas met een enorm boeket, een pronkstuk. Voor het hotel lag een prachtig park met palmbomen, achteraan keken we uit op de zee en het strand. Een droomdecor.

“Er waren veel Britse gasten in het hotel, oudere mensen die net als wij vóór de zomerdrukte kwamen, en ook Fransen, Duitsers en een vijftigtal Belgen. De eerste dagen waren perfect. Lana en ik gingen ’s ochtends joggen en nadien genoten we met z’n vieren een hele dag van de zon op het strand. Ik leerde gin-tonic drinken en keek mijn ogen uit naar de verkopertjes die je aanklampten met prullen en juwelen. We hadden vier strandstoelen op de eerste rij, vlak bij de waterlijn – naast het pad dat de dader zou nemen om het hotel binnen te lopen. We lachten om een Britse dame die wat verderop hele dagen lag te zonnen zonder een vin te verroeren; ’s morgens op haar rug, ’s namiddags op haar buik. We noemden haar ‘het tapijt’.

“Donderdagavond werd een vrolijke dansavond, maar vrijdagochtend overviel me plots een grote droefheid. Het gemis van mijn zoon Michael schrijnde, ik had behoefte om alleen te zijn. Terwijl mijn vrienden na het ontbijt naar het strand gingen, keerde ik terug naar mijn kamer en huilde mezelf in slaap.”

En dan gebeurt het.

“Even voor de middag word ik bruusk gewekt door luide knallen. Tac-tac-tac-tac, ik denk eerst aan een vrachtwagen met een sputterende uitlaat. Ik loop naar het raam, zie de mensen van het hotel aan de overkant vanop hun balkons kijken naar het strand, waar rumoer is. Vanop de derde verdieping kan ik niet zien wat er onder de strooien parasols gebeurt, maar ik herken de mensen van het hotel in hun rode T-shirts, die in paniek naar binnen vluchten en roepen: ‘Go, go,go!’ Dit is niet normaal, ik schiet in mijn strandkledij om mijn vrienden te gaan zoeken. Op weg naar de lift stoot ik op een bewaker met een walkietalkie die teken doet dat ik me moest verstoppen. ‘Geen geluid, we worden aangevallen.’ Ik wil absoluut naar beneden, naar mijn vrienden, maar hij houdt me tegen, duwt me tegen de muur, en redt wellicht zo mijn leven.

“Op dat ogenblik is de dader het hotel al binnengedrongen. Beneden hoor ik luide knallen, brekend glas en geschreeuw van toeristen. De dader gooit met handgranaten en terwijl de toeristen wegstuiven gaat hij kalm de trap op naar de eerste verdieping, het geluid van de angstkreten achterna. Hotelgasten verstoppen zich in hun kamer en barricaderen de deur met matrassen en meubels. Ik zal er later foto’s van terugvinden op sociale media. Een koppel uit Antwerpen is in de kleerkast gekropen. Een Britse gast heeft zijn tweepersoonsbed op zijn zij gezet en het tegen de deur geschoven. ‘Ik hoop dat het genoeg is,’ heeft hij erbij geschreven.

“Op de eerste verdieping kruist de dader een Tunesische poetsvrouw. Hij spaart haar, zegt dat hij alleen westerse toeristen wil raken. ‘Hier op de kamers zijn geen gasten’, zegt de poetsvrouw, en daarmee heeft ze ongetwijfeld veel levens gered. Daarop keert de schutter terug naar beneden. Enkele knallen nog, dan een overweldigende stilte. Alleen de bewaker praat af en toe in zijn walkietalkie, met gedempte stem, en voor de rest hoor je niets. De stilte duurt eindeloos.

“‘We kunnen gaan’, zegt hij ten slotte. Terwijl de lift naar beneden glijdt, zie ik beneden in de lobby de enorme vaas aan scherven liggen, de bloemen overal verspreid. Als de liftdeuren opengaan, zie ik het bloed op de marmeren vloer, de glasscherven, het lichaam van een dode vrouw. Half verscholen achter een grote vaas in een zijportaal ligt een hotelgast met zijn armen rond zijn hoofd. Ook hij is dood. We volgen het bloedspoor naar buiten, waar nog altijd een loodzware stilte hangt en het licht van de middagzon verblindt. Overal liggen doden, nog onbedekt. Op de trap naar het strand ligt een vrouw languit over de treden met haar arm naar voren gestrekt, alsof ze om hulp smeekt. ‘Meneer, we moeten die vrouw helpen’, zeg ik. – ‘Nee, het is te laat’, antwoordt de bewaker. – ‘Jawel!’ gil ik. – ‘Ze is dood, mevrouw.’ Tot vandaag denk ik nog vaak aan dat beeld van die om hulp smekende vrouw voor wie we niets meer konden doen. Het bloedspoor loopt tot aan het zand. Ik wandel verder tussen de strandstoelen met achtergelaten badhanddoeken, en hier en daar een lichaam. De gewonden zijn al weggehaald, ik ben alleen met de doden. Ik herken de vrouw die de voorbije dagen achter mij op de tweede rij lag te zonnen, en wat verder de Britse dame die we ‘het tapijt’ noemden, nu écht roerloos, geraakt in de buik. Vooraan in onze hoek zie ik Lana liggen in het zand. Ze heeft een groot gat in haar borstkas op de plaats van haar hart. Ergens ben ik opgelucht dat ik Odette en Jean-Michel nergens zie, want dat betekent dat zij aan de dood zijn ontsnapt. Ik zak neer in het zand en blijf naast mijn vriendin zitten, wezenloos. Ik huil niet, ik raak haar niet aan, ik weet alleen dat ik bij haar moet blijven.

“Intussen verschijnt het personeel op het strand. Ze leggen witte handdoeken over de doden en verplaatsen hen naar het restaurant. Er komt een dokter naar me toe, hij zegt dat ik daar niet kan blijven. ‘Ik móét hier blijven’, zeg ik. ‘Ze was mijn beste vriendin, de enige die ik ooit gehad heb.’ Ze geven me te drinken en wanneer ik mijn ogen opsla, zie ik voor mij een rij hotelbedienden die een menselijke muur van rode T-shirts vormen om de fotografen weg te houden. Ik zie flitsende camera’s en armen met smartphones in de lucht steken. ‘U moet echt weg’, zegt een bewaker. Ik verzamel de bebloede spullen van Lana in een strandtas, ik zet haar hoed op, neem haar e-book. Lana was 53 jaar. De zus die ik nooit gehad heb.

“In het buitenrestaurant liggen de lijken op een rij, onder witte badlakens. Vier hulpverleners proberen een gewonde vrouw op een draagbaar te reanimeren. Het heeft geen zin, denk ik, want ik zie het bloed langs de draagbaar naar beneden stromen.

“De hotellobby vult zich met steeds meer hotelgasten. Ik zie angst op de gezichten, sommigen in tranen. Toeristen met verzwikte enkels, schrammen en sneetjes. De ergere gewonden zijn afgevoerd naar de ziekenhuizen. Ik vind Jean-Michel nergens. Dan duikt het gezicht van Odette op, in shock. ‘Lana is dood’, zegt ze. ‘Ik weet het ma chérie, ik heb ze gezien’, antwoord ik dof. Ze vertelt wat er op het strand is gebeurd.

“Dat die jongen met zijn parasol er zo gewoon uitzag. Ze zag hem komen, hij deed haar denken aan haar zoon, die ongeveer even oud was. Toen hij begon te schieten, eerst naar de grond, dacht ze nog even dat hij een paintballgeweer vasthad.

“Dan richtte hij op de eerste rij strandstoelen en schoot hij zijn kalasjnikov leeg op de zonnekloppers. Odette gleed van de schrik van haar strandbed en kroop er onder. Jean-Michel kreeg een kogel in de arm. Lana had geen schijn van kans. Nog voor ze zich kon oprichten om te vluchten, was ze al dodelijk geraakt. De dader zag Odette niet en stapte in de richting van het hotel. Zodra hij voorbij was, spurtten veel badgasten naar de zee, om zich te laten oppikken door één van de vele toeristenbootjes in de buurt. Ook Odette vluchtte het water in en werd opgevist door een Duits koppel met een motorboot. Ze was compleet in shock en heeft na die ene keer nooit meer over de moordpartij verteld. Vandaag hebben we geen contact meer, ze wil Tunesië vergeten, en dat lukt niet met mij in de buurt.”

'Ik wandel verder tussen de strandstoelen met achter­gelaten hand­doeken en hier en daar een lichaam. De gewonden zijn al weg­gehaald, ik ben alleen met de doden.'

Politiefilm

“De hotelgasten verzamelen in het restaurant, overal is militaire politie in zwarte uniformen, er hangt een boze sfeer onder de mensen, omdat ze geen informatie krijgen, niet weten waar hun geliefden zijn, niet weten wanneer ze daar weg kunnen. We voelen ons verloren en onbeschermd. Het hele hotel heeft glazen wanden; we kunnen zo weer beschoten worden. Ik heb het gevoel alsof ik in een politiefilm ben beland. Een dame merkt plots een gewapende man met een bivakmuts op en raakt in paniek. ‘Er is nog een terrorist!’ roept ze, en de mensen worden hysterisch, stuiven alle kanten op, kruipen onder tafels, vluchten naar de hotelkeuken. Ik verberg me achter de receptietoog, verlamd door schrik. Het blijkt vals alarm; de man is van de militaire politie. Twee mannen plukken me van achter de toog en begeleiden me naar een tafel, en het wachten herbegint. Odette heeft barstende hoofdpijn. Ze zit onder het zand en het zout van het zeewater en rilt van de kou. Mensen vertrekken, de eetzaal loopt stilaan leeg, en we wachten nog steeds.

“We krijgen nieuws van Jean-Michel, die in een ziekenhuis ligt. Terwijl de uren voorbijgaan, begin ik te hopen dat ook Lana ergens gewond in een ziekenhuis ligt. Dat klinkt misschien raar, omdat ik die middag nog naast haar lijk zat, maar nu kan ik niet meer geloven dat ze dood is. Ik begin te hopen dat ze op de lijst van de gewonden staat, en dat we zo dadelijk nieuws krijgen van haar.

“Intussen komen er nieuwe hotelgasten aan. Ik zie een familie met kinderen eten in het restaurant, alsof er niets gebeurd is. Ze weten dan ook van niets, want het hotelpersoneel heeft alles in een recordtijd schoongemaakt. Het bloed is weggeboend, de scherven en de lijken opgeruimd. Het enige verschil in de lobby is dat de plek van de ronde tafel met de bloemenvaas nu leeg is. Er is geen spoor meer van de moordende raid van enkele uren eerder.

“Dan komen ze ons vragen of we naar het forensisch instituut in Tunis willen meekomen, waar de doden naartoe zijn gebracht voor identificatie. Iemand moet onze vriendin formeel herkennen. Ik krijg de zoon van Lana uit België aan de lijn, ongerust omdat het nieuws van de aanslag hen bereikt heeft. Ik krijg niet over mijn lippen dat zijn moeder dood is omdat ik het zelf niet wil geloven. ‘Zodra we weten waar ze is, bel ik je’, beloof ik hem.

“Dan vertrekken we met de bus naar Tunis. Rond het hotel is een ongelooflijke drukte van journalisten, we moeten de ramen bedekken. Met een politiewagen voor en achter onze bus rijden we naar de hoofdstad. In de bus valt geen woord. Iedereen zit verslagen voor zich uit te kijken of probeert te slapen. Het is bijna middernacht, maar in Tunis is het verkeer erger dan een mierenhoop. Onze begeleidende politieman hangt uit zijn raampje en forceert fluitend en toeterend een doorgang door de mensenmassa die het breken van de ramadan viert. Ik denk nog steeds dat ik in een politiefilm zit.

“In het forensisch instituut vragen ze ons om onze vriendin op foto te identificeren. Geen probleem, denk ik, want ik ken haar, ik haal haar direct uit het rijtje. Ik kan me niet inbeelden wat we zouden te zien krijgen. In een kamer staan twee tafels: de foto’s van de vrouwen links, de mannen rechts. Ik buig me over de linkse tafel en schrik: de dode gezichten zijn onherkenbaar. Twaalf uur na hun dood op de middag, in de volle zon, zijn ze paars en zwart, opgezwollen, vertrokken in grimassen. Een gruwelijke aanblik. Ik probeer op details te letten, maar ik vind Lana niet tussen al die vreemde gezichten. Uiteindelijk is het Odette die een foto aanwijst: ‘Ik denk dat zij het is.’ We lopen terug naar de wachtzaal, maar ik blijf twijfelen, en vraag of ik de foto nog eens mag zien. Ze tonen me de foto opnieuw, en ik herken haar alleen aan haar ogen. Voor de rest is dit Lana niet meer. Dit is niet de vrouw die ik op het strand heb achtergelaten.

“Dan vragen ze ons om haar lichaam ook in het echt te identificeren. Dat gaat zoals in een film: we zitten samen met andere nabestaanden in een auditorium, één voor één worden de doden binnengerold op een tafel, en gaat telkens een andere familie naar voren. Dan is het aan ons. Ze trekken het laken weg tot net onder het gezicht, hetzelfde als op de foto, en in een reflex trek ik het laken weg, want ik wil haar bikini zien. Naast het gat in haar borstkas herken ik een stukje stof, en ik herken ook de nagellak aan haar voeten. Er is geen ontkomen aan. Lana is wel degelijk dood.

“Die nacht in het hotel zit ik nog een uur met de telefoon in mijn handen en verzamel ik al mijn moed om haar zoon Arthur te bellen. ‘We hebben je moeder gevonden.’ Opluchting aan de andere kant van de lijn. ‘Dan is ze ongedeerd?’ – ‘Ze ligt in het forensisch instituut. Ze heeft het niet gehaald.’”

Hoe zijn jullie naar huis teruggekeerd?

“We konden ’s anderendaags gelukkig al mee met een vliegtuig terug. Ik kon niet meer praten van de shock. We waren aangekomen met vier, en gingen nu terug met z’n tweeën. Iemand van de Belgische ambassade wachtte ons in de luchthaven op en we dronken samen een koffie. Een vrouw van het Rode Kruis gaf me een visitekaartje met een telefoonnummer, ‘voor als het echt niet meer ging’. Dat was het wat slachtofferhulp betrof. Nadien hoorde ik niets meer, niet van de overheid, niet van het Rode Kruis.”

'Lana had geen schijn van kans. Nog voor ze zich kon oprichten om te vluchten, was ze al dodelijk geraakt.’

Zwarte periode

Kon je de draad van je leven thuis weer oppikken?

“Eerst nog wel. Ik ging zo snel mogelijk terug aan de slag als verzorgster in het ziekenhuis, waar ik werkte op een afdeling voor kankerpatiënten. Drie maanden heb ik het volgehouden, maar ik voelde hoe alle energie geleidelijk aan uit mijn lijf vloeide. Ik kreeg het extra moeilijk als er een patiënt overleed. Na de dood van mijn zoon was het al moeilijk om al die rouwende families te zien, maar na de dood van Lana werd het onmogelijk. Ik zat te veel opgesloten in mijn eigen verdriet. Ik sliep niet meer, was uitgeput en deed alles op automatische piloot. Op weg naar het werk keek ik naar een boom langs de kant van de weg en dacht: misschien is het beter dat ik me straks op de terugweg te pletter rijd tegen die beuk.

“Toen ben ik ingestort en een eerste keer opgenomen in het ziekenhuis. Het was duidelijk dat ik niet meer kon gaan werken. Ik bleef thuis en sloot me steeds meer op. Je voelt je zo alleen, er is niemand die je begrijpt. Als ik zei dat ik niet kon werken door de aanslag, voelde ik het ongeloof van de mensen in hun reactie: ‘Ben je daar nu nog altijd mee bezig? Laat het achter je.’

“Ik ben bijna een jaar lang in mijn kamer gebleven. Ik sliep, ik huilde, ik verdoofde mezelf met medicijnen, ik dronk. Veel. Ik wilde uit het leven vertrekken. Pas heel geleidelijk aan, met de hulp van een psychiater, heb ik die zwarte periode achter me kunnen laten. Ik heb zelfs even geprobeerd om terug te gaan werken, tegen het advies van mijn psychiater in, maar dat heb ik geen drie weken volgehouden. Ik kreeg paniekaanvallen op het werk.

“Met de steun van de slachtoffervereniging V-Europe probeer ik nu recht te krabbelen, stapje voor stapje. Mijn nachtmerries zijn er niet meer elke nacht, maar ze zijn er nog. Dan zit ik weer in die gruwelijke politiefilm en voel ik een overweldigende angst. Ik word nog altijd snel kwaad en heb veel gaten in mijn geheugen. Ik ben niet meer de vrouw die ik vroeger was. Onlangs werd ik op straat uitgescholden door twee mannen omdat ik verkeerd geparkeerd stond. Ik was echt in shock. Vroeger had ik ze gewoon op hun nummer gezet, maar nu heeft het me een week gekost om dat te boven te komen. Ik ben mijn zelfvertrouwen kwijt. Ik excuseer me voortdurend tegen iedereen, ik laat over me heen lopen in de winkel. Ik voel me schuldig dat ik niet ga werken, dat ik niet gewond ben, dat ik het overleefd heb.”

Begin dit jaar stonden de daders van de aanslag in Sousse terecht in Tunis. De schutter zelf werd door de politie neergeschoten, maar er werden een dertigtal anderen vervolgd wegens medeplichtigheid. Heb je dat proces gevolgd?

“Dat proces viel samen met het proces over de aanslag op het Bardo-museum in Tunis, waar drie maanden eerder ook 22 toeristen waren omgekomen. Er was een advocaat ter plaatse voor de Belgische slachtoffers, maar die heeft eigenlijk niets voor ons gedaan. We konden alleen de laatste dag van het proces live in Brussel op een scherm gaan volgen. Je zag de ene verdachte na de andere de revue passeren, en allemaal waren ze onschuldig, goede huisvaders, eerlijke mannen. Vier van hen hebben levenslang gekregen. Veel wijzer ben ik er niet van geworden. Ik weet alleen dat achter de aanslagen van Sousse en Tunis hetzelfde brein zit, Chamseddine Sandi, een IS’er die westerse toeristen wilde treffen en intussen in Libië is gesneuveld.”

Net als de slachtoffers van 22 maart ben je onlangs onderzocht door een medisch expert van de overheid om na te gaan in welke mate je getraumatiseerd bent. Hoe ging dat?

“Je moet je melden bij de controleartsen van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst (GGD) van het overheidsorgaan Medex. Zij bepalen je invaliditeitsgraad. Ligt die boven de 10 procent, dan kan je aanspraak maken op een – klein – vergoedingspensioen. Ik moest al mijn medische dossiers meebrengen en mijn leven uit de doeken doen. Uiteraard ging dat ook over mijn zoon die vijf maanden voor de aanslag gestorven was.

“Ik heb net de resultaten van het onderzoek gekregen. Volgens die dokters ben ik slechts ‘minimaal getraumatiseerd’, met een invaliditeitsgraad van 10 procent. Volgens het rapport lijd ik aan ‘een zeer lichte vorm van posttraumatische stress die geen impact heeft op mijn sociale leven.’ Ze verwijzen ook uitdrukkelijk naar de dood van mijn zoon, suggererend dat de gevolgen die ik nu ondervind daar aan te wijten zijn.

“Kijk, het verlies van mijn zoon zal altijd blijven wegen, maar dat ik vandaag zo fragiel en angstig ben, is geen gevolg van zijn dood, maar van de aanslag. Na de dood van Michael had ik het moeilijk, maar ik kon wel gewoon blijven werken, zag vrienden en familie en kon normaal functioneren. Vandaag ben ik niet meer dezelfde. Zelfs mijn kinderen verliezen soms hun geduld. Er komt nooit meer iemand op bezoek. Vrienden en familie vinden dat ik me eroverheen moet zetten. En dat probeer ik, maar het is heel moeilijk.

“Dat de overheid me daarin niet erkent, maakt me woedend. Wat hebben ze al voor mij gedaan? Denken ze dat 100 euro per maand het verschil zal maken? Als ik van in het begin psychologische hulp had gekregen, had ik misschien nu weer een min of meer normaal leven. Maar ik had geen enkele steun.

“Ik ga in beroep tegen de beslissing van de Commissie voor Hulp aan Slachtoffers. Niet om er rijk van te worden, maar omdat ik een waardige beslissing wil. Ik wil erkend worden als een echt slachtoffer van terreur, want dat ben ik. Als het volgend jaar beter met me gaat, wil ik terugkeren naar het hotel in Tunesië, als een soort bedevaart. Het is dan vijf jaar geleden. Ik hoop dat ik mezelf kan overwinnen en terugkeren naar die plek die mijn leven heeft kapotgemaakt, als eerbetoon aan de slachtoffers, en aan Lana.”

www.v-europe.org

©Humo 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden