Vrijdag 06/12/2019

Het verzet: broeihaard van links?

Met verknochtheid aan de democratie had het allemaal niet veel te maken

Acht mei 1995. Op vraag van het Gentse stadsbestuur houd ik een gelegenheidstoespraak op de vijftigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog. In het prachtige stadhuis luisteren de 'gestelde lichamen' en de vertegenwoordigers van de 'vaderlandslievende verenigingen' naar mijn pleidooi voor een kritische analyse van de geschiedenis van collaboratie en verzet als noodzakelijke voorwaarde van een maatschappelijk verwerkingsproces. Dure woorden waarnaar - dat is althans mijn indruk - maar met een half oor wordt geluisterd. Na het referaat sta ik tussen de heren en dames van de 'vaderlandslievende verenigingen' op het balkon te kijken naar de Gentse schooljeugd die in een lange stoet voorbijloopt. Het jonge volk stapt op achter slogans voor wereldvrede en verdraagzaamheid in eigen land, op spandoeken die opvallend gedragen worden door allochtone kinderen. Een duidelijk statement van de leerkrachten die het evenement mee hebben georganiseerd. Op het balkon blijft het ijzig stil. Pas als helemaal aan het eind van de stoet een groep passeert met gele, rode en zwarte ballonnen, klatert een spontaan applaus naar beneden. Niet verdraagzaamheid maar het Belgische vaderland raakt een emotionele snaar bij degenen die hun leven op het spel hebben gezet toen ze zich een halve eeuw geleden verzetten tegen de nationaal-socialistische bezetter.

Maar ging het toen niet precies om de verdediging van een open, verdraagzame, antiracistische samenleving tegen een regime dat de emanatie was van het volkomen tegendeel? Neen, dat speelde voor een deel van de verzetslui nauwelijks een rol. Wie de geschiedenis van het verzet kritisch onder de loep neemt, constateert dat de uiterst rechtse ideeën er welig tierden. Een belangrijke motivatie om zich teweer te stellen tegen de vijand waren de gekrenkte vaderlandse gevoelens. 'Les boches' vergrepen zich per slot van rekening al de tweede keer aan België en die schande sneed het scherpst door het hart van Belgische patriotten. De eerste haarden van verzet ontstonden in kringen van oud-strijders uit de Eerste Wereldoorlog. Belgische oud-strijders welteverstaan, want nogal wat Vlaamse oud-strijders waren veel minder enthousiast om de eer van een vaderland hoog te houden dat er maar niet in leek te slagen de taalrechten van de Vlamingen te regelen. Zij herinnerden zich de schande van de 'Vlamingenhaat' aan het IJzerfront en het feit dat de Duitse bezetter de Universiteit van Gent had vernederlandst en waren benieuwd wat de bezetter deze keer in petto had. Een deel meende het erop te kunnen wagen en collaboreerde. Zo deden deze 'flaminboches' precies wat hun Belgisch-partiottische tegenvoeters in het verzet verwachtten dat ze zouden doen: het Belgische vaderland verraden. Met verknochtheid aan de democratie had dat allemaal niet veel te maken. Het ideale vaderland waarvoor nogal wat verzetslui van het eerste uur hun leven veil hadden, was niet alleen Franstalig, het was ook rechts-autoritair zonder partijen en parlement die alleen maar macht gaven aan die verfoeide flaminganten en socialisten die 'la Belgique éternelle' naar de verdommenis hielpen.

Toch waren er ook al heel vroeg verzetslui voor wie de verdediging van het democratische bestel wél een essentieel onderdeel uitmaakte van hun engagement. Dat kwam in de eerste plaats uit de liberale hoek. Ook hier was Belgische vaderlandsliefde een belangrijke drijfveer, maar België werd ook uitdrukkelijk verdedigd als bakermat van een democratische rechtsstaat. Afkeer van het fascisme speelde een belangrijke rol, maar tegelijk waren deze verzetslui vaak welgestelde burgers uit maatschappelijke regionen die we niet onmiddellijk met links zouden associëren.

De traditionele partijpolitieke linkerzijde zat in het begin van de bezetting in een heel dubbelzinnige positie. De socialistische Belgische Werkliedenpartij werd door haar voorzitter Hendrik De Man in de zomer van 1940 ontbonden, terwijl De Man bereid bleek mee te werken aan een Belgisch regime onder Duitse paraplu. De Communistische Partij van België liep aan de leiband van Moskou, dat in september 1939 een niet-aanvalspact had gesloten met Berlijn. De Belgische communisten bestreden in woord de 'imperialisten' van Londen, totdat op 22 juni 1941 met Operatie Barbarossa' - de Duitse inval in de Sovjet-Unie - een einde kwam aan het 'duivelspact' tussen nazi's en communisten. De Sovjet-Unie vormde voortaan een bondgenootschap met de geallieerden. De Belgische communisten namen meteen de spits van het verzet door als Gewapende Partizanen de bezetter en zijn medestanders metterdaad te bestrijden. Daarnaast stichtten zij het Onafhankelijkheidsfront als een mantelorganisatie bedoeld om aansluiting te vinden bij linkse antifascistische milieus. Zo konden de door de Duitse repressie getroffen communistische kaders worden opgevuld. Het Onafhankelijkheidsfront betokkelde daarvoor ook de patriottische snaar en evolueerde 'du rouge au tricolore'. De poging om de uiterst linkse cocon open te breken, lukte nochtans maar zeer gedeeltelijk en in ieder geval behield het Onafhankelijkheidsfront een stevig links imago.

Aan de rechterzijde groepeerden de verschillende groepjes en bewegingen zich in het Geheim Leger. De organisatie had een militaire structuur en rekruteerde vooral bij oud-strijders, militairen, rijkswacht en politie. Het Geheime Leger richtte zijn strategie vooral op het spelen van een actieve rol bij de bevrijding van België. De meeste leden van het Geheim Leger waren ook besliste voorstanders van koning Leopold III, die in het land was gebleven en die ondanks zijn bereidheid om te onderhandelen met de bezetter en zijn impliciete afwijzing van het verzet door hen beschouwd werd als hun leider.

Zo was vooral het gewapende verzet bij de bevrijding van België opgedeeld in een links en een rechts kamp. Andere takken van het verzet, zoals de inlichtingendienst, de clandestiene pers, de ontsnappingsroutes voor geallieerde piloten, de hulp aan joden en werkweigeraars waren politiek veel gevarieerder. Toch waren het vooral de verdeelde gewapende verzetsgroeperingen die gewogen hebben op de naoorlogse geschiedenis van het verzet.

In de koningskwestie stonden het linkse en het rechtse verzet lijnrecht tegenover elkaar. De achterliggende ideologieën verdeelden niet alleen het Belgische verzet, ze lagen ook ten grondslag aan hun verdwijning als relevante politieke factor. De Belgische Communistische Partij die zich met recht en reden kon opwerpen als dé partij van het verzet, werd platgemalen door de Koude Oorlog, niet tot ontevredenheid van de Belgische socialisten, die zich verlost zagen van een concurrent ter linkerzijde. Het rechtse verzet kwam verweesd uit de Koningskwestie en schaarde zich als een laatste 'carré' rond de tricolore Belgische 'drapeau'. Met de regionalisering van België verloren ze elke politieke relevantie.

Bruno De Wever

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234