Dinsdag 19/01/2021

Het verste,snelste, hoogste en vooral hetmooiste in de mens

Europese of wereldkampioenschappen voetbal promoten zich graag als 'een feest', of, erger, als 'een hoogmis'. De Olympische Spelen hebben zo'n extra eretitel niet nodig. Kwaliteit prijst zichzelf aan, minder is meer, en dus volstaat alleen: 'De Spelen'. De Spelen zijn en blijven de Olympos van de topsport, het belangrijkste, meest mythische en bovenal eervolste sportevenement ter wereld. Ja zeker, er is doping op de Spelen, en commercialisering, en een veiligheidsprobleem, en ook wel corruptie. Maar de Spelen zijn bovenal mooi, en af en toe zelfs magisch.Walter Pauli

Tranen, of op zijn minst een krop in de keel. Dat is het grote verschil tussen enerzijds het podium op de Olympische Spelen en anderzijds de bekeruitreiking van een WK voetbal of het Tour-podium op de Champs-Elysées. Een WK voetbal is in het beste geval een deftige variant op een trouwfeest, met spelers van de winnende ploeg die rondhossen, soms gehuld in het truitje van de tegenstanders, vaak in bloot bovenlijf, trots de tattoo tonend. Bij de finale van de Champions League spuiten soms zelfs confettikanonnen in het rond, om het helemaal carnavalesk te maken. Op de Champs-Elysées maken de gele, groene en bolletjestrui er gewoon een informeel familiefeest van. Het publiek kan de gezinsontwikkeling van de podiumwinnaars op de voet volgen: hun huwelijken, de uitbreiding van hun kroost, hun echtscheidingen en nieuwe liefdes.

Op de Spelen is dat anders. Daar komen winnaars, mooi in trainingspak, op een rijtje naar het podium gestapt en vraagt de omroeper het publiek om stilte en respect. Alle aandacht naar de sporters, punt uit. Vervolgens wordt het stil, klinkt het volkslied en gaat de vlag omhoog. En dan, ineens, komt de krop in de keel, verschijnen de tranen in de ooghoeken. Bij voetbal zie je alleen verliezers wenen. Op de Olympische Spelen zijn de winnaars niet gewoon blij of dolgelukkig. Ze zijn vooral ontroerd, trots - op zichzelf wellicht, maar ook blij voor anderen, hun familie, hun trainer, sommigen zelfs voor hun land. Hoe dan ook tonen velen zich 'gepakt'. Neen, niet 'emotioneel', dat begrip is te hol geworden, te fake, te uitbundig ook. Hou het maar ouderwets bij 'ontroerd'. Hoeveel stoere Oost-Duitse vrouwmensen zouden geen traan hebben weggevaagd? Dat doen de Spelen met een mens, zelfs met de snelste exemplaren van onze soort.

Dat de Olympische Spelen zo anders zijn, komt door stichter Pierre de Coubertin. Zijn echte nalatenschap is niet zozeer dat hij een groots, populair en zeer lucratief sportevenement opzette. Dat deden Jules Rimet (WK voetbal) en Henri Desgrange (Tour de France) uiteindelijk ook. Het waarlijk exceptionele aan De Coubertin is dat hij met de Olympische Spelen de sport heeft geplaatst op het niveau van 'het mooie in de mens'. Sport als deel van 'wat onze beschaving optilt'. Als negentiende-eeuwer koesterde De Coubertin veel idealen en ideeën die nu naïef zijn, of voorbijgestreefd, of gewoon fout (zogenaamde 'inboorlingen' uit Afrika deden in het begin niet mee). Maar door het genie van De Coubertin verhouden de Olympische Spelen zich vandaag nog altijd tot wereldkampioenschappen zoals de Nobelprijs literatuur staat tot de Booker Prize of de Prix Goncourt, of bij ons de Prijs van de Nederlandse Letteren. Goncourt en co. zijn literatuurprijzen. Zij bekronen een hoogstaand boek of een belangwekkende literaire loopbaan. De Nobelprijs voegt daar iets aan toe. De Nobelprijs drukt uit dat het literaire oeuvre van de gelauwerde auteur heeft bijgedragen, hoe bescheiden ook, tot 'de verheffing van de mensheid'. Eigenlijk doen de Olympische Spelen dat evenzeer, voor zover sport deel uitmaakt van de menselijke cultuur (en dat doet ze).

Net zoals goede muziek of literatuur kan topsport ons ontroeren, kippenvel bezorgen. De vierde opeenvolgende gouden medaille in het verspringen voor Carl Lewis in Atlanta 1996: pure ontroering. Of, om heel andere redenen, helemaal aan het begin van diezelfde Olympische Spelen: Mohammed Ali, die de olympische vlam aansteekt. De oude, zwarte Ali, in zijn hagelwitte pakje, zichtbaar trillend wegens de alzheimer in zijn lijf, en het stadion dat applaudisseerde voor een van de mooiste iconen van waardig ouder worden. Of bewondering, verstomming zelfs: Michael Johnson, die in Sydney 2000 zijn fabuleuze wereldrecord op de 200 meter loopt, na de bocht zo onweerstaanbaar weglopend van de rest, vliegend bijna. Met open mond keek de wereld toe. Genieten van schoonheid. Ulrike Meyfahrt bij het hoogspringen, Greg Louganis bij het torenspringen, of gewoon, het speerwerpen. De beweging van de atleet, de vlucht van het projectiel. Of de bewegingen van sovjetturner Nikolai Adrianov. Zijn combinatie van kracht en lichaamsbeheersing, zijn precisie en elegantie. Prachtig gewoon, en hoogstaand. Of de Amerikaan Dick Fosbury, die bij de olympische finale hoogspringen in Mexico 1968 voor het eerst de 'flop' demonstreert. Tot dan had nooit iemand kunnen vermoeden dat je, door je op je rug te draaien, nog hoger kon springen. Tot Fosbury in een perfecte curve over de lat ging. Niet wufterig mooi, maar vooral hoogst efficiënt - olympische sport als prachtige uiting van het menselijke kunnen.

Geen spelen zo universeel als de Olympische Spelen. Op een WK voetbal weet je perfect wat je kunt verwachten: voetbal. Tijdens de Olympische Spelen maak je kennis met de hele wereld. Ineens kijkt het wereldpubliek ook naar turnen. Anders interesseert dat haast niemand. Tot de Spelen beginnen, waar turnen vaak de absolute vedetten levert. Ooit was het een zaak van parmantige dames, zoals de Sovjetrussische Laryssa Latinina en haar Tsjecho-Slowaakse opvolgster Vera Caslavska. Vervolgens steeg de populariteit van het turnen tot ongekende hoogten. De dames kregen aflossing van prille pubers: de Sovjetrussische Olga Korbut, schoolmeisjesstaartjes incluis, in München 1972, en de Roemeense Nadia Comaneci in Montréal 1976. 'Publiekslievelingen', zei men, en dat kwam vooral door hun jeugd. Iedereen kent nu nog Korbut en Comaneci, al was in die jaren de Sovjetrussische Nelli Kim zeker even goed als gymnaste. Maar charmante Comaneci haalde op de brug met ongelijke leggers zelfs het nooit geziene en zeer absolute maximum van 20 punten. Ineens praatte iedereen over turnen, terwijl de namen van alle hierboven opgesomde protagonisten aantonen dat die sport vaak een interne Oost-Europese strijd is.

Oost-Europeanen hebben wel meer 'apartjes'. Gewichtheffen of worstelen bijvoorbeeld. Het verdient een cultuurhistorische studie, waarom landen met een Grieks-orthodoxe traditie in verhouding zo oververtegenwoordigd zijn in de krachtpatserij. Hier speelt de orthodoxie in al haar varianten en strekkingen mee: Bulgaren, Roemenen, Grieken, Witrussen, gewone Russen, noem maar op, en via Turkije naar Iran en Noord-Korea (ook die laatste twee landen zijn op hun manier erg orthodox). In Turkije is Naïm Suleymanoglu een nationale held, omdat hij als eerste gewichtheffer ooit driemaal goud op rij won. Hebt u al mannen van de klasse van Suleymanoglu gezien, de 'vedergewichten', dat wil zeggen tussen 56 en 60 kilo? Zeer gespierde heren dan nog? Kort, klein, bijzonder gedrongen van postuur. In Turkije zijn ze wég van hem. Als hij een winkel binnenkomt, mag hij niet betalen. Als hij te snel rijdt, moet hij geen boete betalen, maar wenst de politie hem een prettige reis verder.

Maar gewichtheffen spreekt hier meer aan dan worstelen. Dat boeit zelfs tijdens de Olympische Spelen het westerse publiek maar matig. Dat is eveneens het lot van synchroon zwemmen. Komt het omdat het in die sport zozeer te doen is om de absolute perfectie dat het steriel wordt, en daarom niet meer mooi is? Pistool- en geweerschieten kregen hier te lande enkel aandacht in Seoel 1988, toen Frans - gemeenzaam Franske - Peeters brons won bij het 'kleiduifschieten (trap)'. Franske Peeters! De meest onolympische naam ooit, in een sport die hier weinigen kan bekoren. Net zoals het zeilen. Goed, Sebastien Godefroid 'pakt' beter op tv dan Peeters, maar van zeilen kennen we het reglement niet of nauwelijks. Daarom smaken we de finesses niet, schatten we de tegenstanders niet in, voelen we de spanning niet aan, en negeren we het. Hetzelfde lot is het schermen beschoren, of het nu met floret, sabel of degen is: een sierlijke, stijlrijke sport, maar zo verschrikkelijk snel uitgevoerd dat de leek nauwelijks kan volgen.

Snel en ingewikkeld zijn natuurlijk relatief. Eigenlijk geldt dat ook voor judo. Alleen hebben Robert Van de Walle en Ingrid Berghmans ervoor gezorgd dat de Belg wat vertrouwd werd met de specifieke en erg Japanse reglementering en puntentelling. Nu weten we iets af van koka, yuko, waza-ari of ippon. We móésten wel, wilden we supporteren voor Ulla en Gella. Kortom, sportliefhebbers ervaren wel vaker dat sport ook te maken heeft met opvoeding, met leren en kennen, en pas daarna met smaken en genieten. Ook in deze is het met sport niet echt veel anders dan met cultuur. En, hoe vreemd ook, op de Olympische Spelen is judo stilaan een van de weinige sporten die tot onze 'cultuur' behoort. Alleen in het wielrennen valt er voor Belgen met enige regelmaat ook wel een medaille te rapen. Maar verder is er niets wat 'we' kunnen claimen, helaas. Ooit waren de Belgen behoorlijk goed in de loopnummers in atletiek, zeker op (half)lange afstand. Het laatste topjaar was 1976. Ivo Van Damme behaalde toen zilver op 800 en 1.500 meter, Karel Lismont brons op de marathon, en Fons Brydenbach miste met een vierde plaats op de 400 meter net het podium. Daarna was er niets meer.

U leest het goed: 1976! Al bijna dertig jaar telt België in de atletiek nauwelijks mee voor de zege. Terwijl in 1976 niet alleen de top medailles behaalde maar ook de tweede lijn fraaie finales liep. Willy Polleunis werd zesde op de 5.000 meter te Montréal. Weinig bekend, maar nog merkwaardiger was de finale van de 10.000 meter in 1976. Daar liepen toen maar liefst drie Belgen mee. Marc Smet werd zevende, Karel Lismont elfde, Miel Puttemans ontgoochelde met een vijftiende plaats. Lismont was tevreden. Hij liep de 10.000 meter immers... als training voor de marathon die nog moest komen. Olympische finale als training! Toegegeven, dat jaar was het wat gemakkelijker om de finale te halen, omdat er geen Ethiopiërs of Kenianen bij waren. Maar toch. Sprintster Kim Gevaert heeft dit jaar dan ook een historische opdracht.

W e zullen de vergelijking met Nederland maar niet maken. Een vergelijkbare omvang en welvaart als België, maar telkens hopen medailles, van atletiek over zaalsporten tot veldhockey en zwemmen, waar Nederland zelfs 'de kleine grootmacht' heet. Fanny Blankers-Koen (vier gouden atletiekmedailles in Londen 1948) behoort tot de iconen van de Spelen. Let wel: in dit overzichtje beperken we ons tot de zomerspelen, wat wij hier in België gemakshalve 'de Olympische Spelen' noemen. Wij vergeten daarbij dat er ook winterspelen bestaan, en dat de Nederlanders dan vlotjes een massa medailles bijeenschaatsen. In België zegt 'Sapporo 1972' niets, Nederland praat dan over schaatser Ard Schenk en zijn drie gouden plakken.

Of komt het omdat topsport niet elitair maar soms juist verschrikkelijk democratisch kan zijn? Talenten als diplomatie, scherpe kantjes afvijlen, er met veel overleg toch komen, het zijn aspecten van het leven waarin Belgen zo behendig zijn maar die absoluut niet meetellen in topsport. Ja, wel op bobo-niveau, en dus leverde dit land met Alexandre de Mérode en nu zeker met Jacques Rogge de laatste jaren toppers af in het bestuur van de olympische beweging. Maar op de piste, in de ring, in het bad, op de mat, daar gaat het gewoon om wie de beste is.

En dan zie je vaak, via individuele prestaties op sportvlak, hoe sociale groepen het doen, en hoe bepaalde landen in opkomst zijn. Dat Japan een nieuwe supermacht werd, was al duidelijk bij de opeenvolgende Olympische Spelen in de jaren dertig. De zwemmer Yasuji Miyazaki verbeterde in Los Angeles 1932 het historische wereldrecord op de 100 meter vrije slag van Johnny Weismüller, zijn landgenoot Keito Son won in Berlijn 1936 de marathon. Eigenlijk was Son een Koreaan, kort voordien door Japan geannexeerd. Het land van de rijzende zon werd het land van de rijzende ambitie, en dat uitte zich al snel in de sport.

Later was dat eveneens het geval met de prille Afrikaanse bewustwording, de optimistische sfeer van 'Jeune Afrique'. In 1960 liep de Ethiopiër Abebe Bikila iedereen naar huis op blote voeten. Het blijven fabuleuze beelden. Omdat het in Rome al te warm was om overdag te lopen, vertrok de marathon 's avonds, dwars door het historische stadscentrum, steeds donkerder, verlicht met fakkels. Uitgerekend in dat imperiale decor liep een lid van de keizerlijke garde uit Addis Abeba naar de overwinning. De streep lag niet op de atletiekpiste, maar onder een keizerlijke triomfboog aan het Forum Romanum. Abebe Bikila, zijn naam zou verplichte leerstof moeten zijn in iedere middelbare school. Net als die van Jesse Owens en 'Babe' Didrickson en Jim Thorpe. Iedereen zou Emil Zatopek, Vladimir Kuts, Lasse Viren en Miruts Yifter moeten kennen, mannen die zowel de 5.000 als de 10.000 meter wonnen op dezelfde Spelen. Kennis over Laszlo Papp, de grappige maar steengoede Hongaarse bokser, is even gewenst als die over zijn muzikale landgenoot Liszt. Men zou moeten weten dat Teofilo Stevenson, ook een bokser, essentieel is om het Cuba van Castro te doorgronden. Of gewoon, als deel van de cultuur: Edwin Moses, Dawn Fraser, Sebastian Coe, Saïd Awita, All Oerter, Matt Biondi, Daniel Morelon. Bij een gemiddeld geschiedenisexamen zou ook eens naar hun namen gepeild mogen worden. Pas als dat gebeurt, zal er interesse komen voor mannen als Vasile Diba (een Roemeen, een van de allerbeste kanovaarders ooit).

Misschien kan de dvd wat helpen bij het democratiseren. Misschien duiken tegen een spotprijs de beelden weer op van Wilma Rudolph, uit 1960. Smachtende Italianen hadden het zelfs over 'la gazzella nera', de zwarte gazelle. Rudolph was de dochter van een even kroostrijk als straatarm gezin uit de Deep South. Als kind kreeg ze polio, en paradoxaal genoeg dankte ze aan die ziekte haar ranke benen en haar gracieuze loopstijl. In Rome behaalde ze gouden medailles op de 100 en 200 meter, plus de aflossing. Tot ze stierf aan een hersentumor zette Wilma Rudolph zich in voor sociale projecten met zwarte kinderen uit de getto's. Een alom gelauwerde sportvedette, paraat voor mensen die in het gewone leven het olympische minimum niet halen.

Maar minima, daar gaat het niet om. Hoger, sneller, verder, sterker. Daar gaat het om, meer dan de officiële leuze 'Deelnemen is belangrijker dan winnen'. In de praktijk heeft dat nooit echt geklopt. (Alleen in een land als België, met vedetten als Kim Clijsters en Tom Boonen, moet iemand dat gezegde toch eens in herinnering brengen.) In die zin is de foto van Bob Beamon het icoon van de Olympische Spelen, en daarom een van de beelden van deze tijd. U kent hem wel, of u hoort hem te kennen: de Amerikaanse verspringer die 8,90 meter ver sprong in 1968, 55 centimeter verder dan het toenmalige wereldrecord, te ver zelfs voor de officiële meetapparatuur. Eenmaal hebben Carl Lewis en Mike Powell beter gedaan, niet op de Olympische Spelen maar op een WK atletiek. Met die sprong zou Beamon ook nu de zege op zak hebben. Op dat eigenste moment had een atleet 'citius, altius, fortius' zo letterlijk genomen, ging iemand zoveel 'verder dan ver'. Het was de sprong van een nieuwe tijd, een prestatie als van op een andere planeet. Pas nadien, in 1969, landden twee andere Amerikanen ook echt op de maan.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234