Woensdag 28/07/2021

Het vermoeden van een slechte afloop

In 'Logies in een landhuis' portretteert de in 2001 overleden Duitse auteur W.G. Sebald vijf auteurs die dwangmatig schreven. In het belang van hun eigen geluk hadden ze hun pen beter na één meesterwerk opgeborgen, oordeelt hij.

Johann Peter Hebel, Eduard Mörike, Gottfried Keller, Robert Walser en Jean-Jacques Rousseau: allemaal gingen ze gebukt onder een schrijfdwang die hen meer pijn dan genot verschafte. Dat schrijven als een vorm van gedragsstoornis maakt dat al die auteurs met verbazende precisie langs het leven heen schoten, meent W.G. Sebald (1944-2001) in zijn voorwoord bij de vijf schrijvers die hij in Logies in een landhuis (1991) portretteert.

Rousseau blijft doorschrijven tot zijn dood, Keller geeft op zijn 56ste zijn ambt van Zürichse staatsschrijver op om zich op zijn literaire werk toe te leggen, Mörike zit nodeloos lang aan de afwerking van zijn oeuvre te priegelen en Walser kan zich alleen van zijn schrijfdwang bevrijden door zich onder curatele te plaatsen. Maar ook nadat Walser zich van de literatuur had afgekeerd en meer dan twintig jaar in de psychiatrische afdeling van het Zwitserse Herisau had verbleven, had hij volgens zijn oppasser altijd een potloodstompje en papiersnippers bij zich waarop hij iets noteerde: "Wel had Walser [...] die papiertjes altijd weer gauw weggestopt als hij dacht dat er iemand naar hem keek, alsof hij was betrapt bij iets verkeerds of zelfs iets schandelijks."

Op de spits gedreven zou je kunnen zeggen dat Sebald, die een boog van tweehonderd jaar spant, auteurs behandelt die een al te groot tribuut voor hun schrijversobsessie hebben betaald: hun enorme literaire inspanningen leverden minimale levensvreugde op, zodat ze zich volgens Sebald wellicht beter tot slechts één meesterwerk hadden beperkt. In het belang van hun eigen geluk hadden ze daarna hun pen wellicht beter opgeborgen, "maar dan zouden de lezers veel moeten missen, want die arme schrijvers die in hun woordenwereld gevangen zitten openen voor hen toch soms perspectieven van een schoonheid en een intensiteit zoals het leven zelf die nauwelijks kan bieden".

Arme schrijvers? Ja, want ze waren doorgaans niet alleen krap bij kas, maar ook eenzaam, en vaak niet in staat de hersenschimmen af te weren die door het schild van hun klerken- en predikantenbestaan probeerden heen te dringen. Sebald, die zich met zijn 'arme schrijvers' solidariseert, buigt zich in een mengsel van bewondering en deernis over hen. Net als hun portrettist zijn deze auteurs melancholici, mensen die al te ontvankelijk zijn voor een groot verlies, waarop de essayist de vinger probeert te leggen: ze lijden allemaal aan de domesticatie van de natuur. De systematische exploitatie ervan staat in het teken van een verschijnsel dat Hebel (1760-1826) en Mörike (1804-1875) nog als nieuw ervaren, maar dat sindsdien ons aller leven beheerst: de ongeremde economische groei. Sebald situeert een man als Eduard Mörike, die zijn beroep van predikant halfslachtig uitoefende, als volgt: "Als de jonge Mörike met schrijven begint, heeft hij de omwentelingen van de eeuwwisseling achter zich, terwijl vóór hem aan de horizon de verschrikkingen van de industrialisatie zich al aftekenen, de door accumulatie van kapitaal veroorzaakte turbulenties en de manoeuvres om een nieuwe gietijzeren staatsmacht te centraliseren."

Mörike was een vertegenwoordiger van de Duitse biedermeierkunst, die Sebald omschrijft als de bijzondere kunst van de onopvallendheid, namelijk de reflex om zich dood te houden, "veroorzaakt door het vermoeden van een slechte afloop". De Oostenrijkse biedermeierschrijver Adalbert Stifter (1805-1868) pareerde het verwijt dat hij in zijn teksten de wereld tot onbeduidendheid verkleinde met het argument dat de kracht die de melk in het potje van de arme vrouw doet overkoken dezelfde is die de lava in de vuurspuwende berg opstuwt en van de bergflanken doet glijden. Onder Stifters potje kun je ook al de vlammen van de industriële ijzergieterijen zien oplaaien.

Microgrammen

De aandacht voor het detail en de obsessie voor het allerkleinste zijn een rode draad in deze opstellen, waarin Sebald contouren probeert te geven aan wat op het punt staat te verdwijnen. En dus schrijft hij spannende bladzijden over het muizengekrabbel van Robert Walser, wiens mininotities eruitzien "als een vooroefening van een ondergronds leven". Het zijn microgrammen van een mens die in zijn innerlijke leven is geëmigreerd en zich in niet-ontcijferbare tekens tracht te verbergen, om zo "onder het niveau van de taal te duiken en zichzelf uit te wissen".

Dat zo'n uitspraak niet arbitrair is, wordt onderstreept door het fysieke einde van Walser. Op Kerstmis 1956 keerde hij van een lange wandeling niet terug naar zijn instelling. Hij werd dood teruggevonden in de sneeuw. Op een foto is ook zijn zwarte hoed te zien, die bij zijn val is weggerold. Het tafereel van een dode in de sneeuwvlakte had Walser zelf al beschreven in Geschwister Tanner (1907), zijn debuutroman.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234