Woensdag 16/10/2019

Het verhaal van de gestigmatiseerde Louise Lateau

Twaalf jaar niet eten, drinken of slapen: kan dat? En elke vrijdag stigma's ontvangen? Schrijver Koen Peeters bezocht onlangs in Henegouwen het geboortehuis van Louise Lateau. Hij bracht rozenblaadjes mee, en een vreemd, wat grimmig verhaal over deze bijna vergeten gestigmatiseerde vrouw.

Koen Peeters

Foto's Stephan Vanfleteren

Aangebeld aan het kleine, friswit geschilderde Maison Natale van Louise Lateau met even frisse gordijntjes in de rue Saint-Hubert in Bois-d'Haine. Het Henegouwse dorp, niet ver van het postindustriële La Louvière en het Canal du Centre, ligt verloren tussen onoverzichtelijke snelwegen. Ondanks de landelijkheid klinkt hier overal geraas van verkeer. Door het raampje zie ik aan de muren computerprints over amour, souffrance en dat soort vroomheid. Een oudere dame doet open.

- Bonjour Madame. - Bonjour Monsieur.

Madame wrijft de hele tijd in haar handen en laat me rondkijken. Rechts hangt een groot schilderij van Louise Lateau in haar bed: een jonge, erg bleke vrouw met een rood-bruin geruite plaid en een hoofdkapje, ondersteund door een zwaar kussen in haar rug en met bloedende handen. Links staat een sculptuur van diezelfde Louise: nu met een hongerig vertrokken gezicht, een onverzorgd gebit, slecht haar en opnieuw die gewonde handen. Een en al pijnlijkheid. Er is ook nog een naïef schilderijtje waarop Lateau haar hand boven het dorp houdt.

Louise Lateau is de enige Belgische gestigmatiseerde. Ze leefde van 1850 tot 1883, en vanaf 1868 ontving ze stigma's, de wondtekens van Christus. In het tv-journaal ging het onlangs over de heiligverklaring van die andere gestigmatiseerde, Padre Pio. De populairste heilige van het moment werd hij genoemd, alsof er lijsten bestaan met noteringen en toptienen. Tv-beelden toonden de lege kerkstoelen die klaarstonden in Sint-Pieter voor de gelovigen. Een vreemd, niets bewijzend beeld. Maar toen toonden ze foto's van Padre Pio, een baardige, lachende man, en kaders met bebloede zwachtels, kousen en doeken met bloed. Het zou moderne kunst van de Oostenrijker Nitsch kunnen zijn. Een mens kan zich verwonderen over de primitieve rauwheid van dit soort katholieke iconen. Denk ook aan het overal aanwezige kruis als symbool voor het bloederige einde van Christus, of zelfs het 'eten van het lichaam van Christus'. Wie schrikt er dan op als op National Geographic Channel ergens in animistisch Afrika een kip geofferd wordt? Ik noteer die overweging in mijn notaboekje, in de ontvangstkamer. Bij het vervangen van het inktpatroon van mijn vulpen maak ik grote, mooie, blauwe vlekken.

Madame toont me in het huis wat er overgebleven is van toen: Louises naaimachine, een gerestaureerde bidstoel. Aan de muur hangen een Grande Notre Dame de Lourdes en kleine prentjes van het Heilig Hart. Nog zo'n miraculeus bloedend, katholiek orgaan. Er hangt een grijzige foto van Louise Lateau in een medaillon aan de wand: een getourmenteerde, uitgeputte vrouw. Madame spreekt over 'nô Louise', onze Louise, alsof het haar nichtje is. Ze noemt namen van andere gestigmatiseerden. Het lijkt alsof er een grote wereldwijde familie bestaat van dergelijke mystica's en zieneressen. "Je kent ongetwijfeld Rosalie Put", zegt ze en ze begint een verward verhaal: "Die vrouw had ook verschijningen, in het bijzonder van de laatste levensjaren van Maria in Efeze, weet je wel, en op de arm van die vrouw verscheen de plaats van het laatste huis van Maria." Ze vertelt het vreemde verhaal zonder blikken of blozen. Opnieuw, een mens kan zich hierover blijvend verwonderen: wat betekenen heilig- en zaligverklaring? Hoe vergroot de kerk sommige van haar helden uit? En zijn deze verhalen niet te gek om los te lopen?

Louise Lateau was de jongste dochter van een boerin en een metaalarbeider. Vader stierf kort na Louises geboorte. Het was een bijzonder armoedig gezin met drie kinderen, waar veel honger en koude werd geleden. Louise ging slechts vijf maanden naar school. Vanaf haar tiende gaat ze helpen als dienstmeisje op boerderijen, tot ze vijftien is. Ze naaide en ze verzorgde cholerapatiënten. Toen begon plots het grote lijden voor haar. Eerst onzichtbare stigma's aan haar hart, voeten en handen. Ze kreeg visioenen: ze zag haar dode vader, engelen, verschillende heiligen, Jezus en Maria. Elke vrijdag kreeg ze inwendige bloeduitstortingen, gevolgd door uitwendige bloedingen. Braken, stikken, flauwvallen. Ze zag voor haar ogen de film van het lijdensverhaal van Christus. Gedurende twaalf jaar, vanaf 1871, at ze niet én dronk ze niet. Alleen kreeg ze elke dag de communie, gevolgd door religieuze extase. Ze sliep ook niet meer. De duivel bezocht haar. Honderden dokters uit binnen- en buitenland kwamen haar bezoeken en onderzoeken. Zij bevestigden het wonder.

Voor alle zekerheid vraag ik het nog eens zeer nadrukkelijk. "Jawel", zegt Madame. "Louise Lateau at niet, dronk niet en sliep niet gedurende twaalf jaar. En elke vrijdag bloedden de stigma's."

Het is zeer stil in het huis. Ik durf haar woorden niet eens in twijfel te trekken.

Madame opent rechts een dunne deur met venstertjes. Het is het kamertje waarin Louise verbleef. Aan de muur hangt een lang smal kruisje, twee gravures van Christus met doornen en tranen, een boodschap van Pius XI. Achter haar een paternoster. Hier stond het bed, daar de zetel waarin ze zat toen ze niet meer kon slapen. Door het raam, achter een kamerplant en witte tralies, is het dorp te zien. Op het bed ligt een geborduurd laken en op een hoog kussen staat een onscherpe zwartwitfoto: Louise weer met haar witte kapje. Ze kijkt verschrikt, geschokt, geterroriseerd, uitgedroogd door het lijden. "Och, ze was op het einde un petit cadavre, een levend kruisbeeld", zegt Madame.

"Dit is toch allemaal erg lang geleden", zeg ik.

Madame spreekt dat tegen: "Er komen hier nog mensen wier grootvader misdienaar was bij het thuisbezorgen van de hostie. Als ze de communie kreeg, verscheen er licht rond Louises hoofd, ze kreeg weer kleur, en parfait communion avec Jésus-Christ. De mensen kwamen naar haar kijken, twintigduizend waren het er. Ze wilden haar zien in die toestand, ze krabden stukjes van de muren als relikwieën. Het vensterglas was grijs geschilderd, want er hingen mensen voor, en soms braken ze de zolder open om haar te zien in extase. Soms ook werd ze uitgescholden voor heks door ongeletterde boeren. Weet u dat hier kankerpatiënten zijn geweest bij wie de kanker gewoon gestopt is?"

In een kast staan de geschenkjes uitgestald die ze kreeg. Madame wijst devote gadgets aan in goud en ivoor. Ze toont een doos met briefjes van een rijke Engelse dame, Buckfast genaamd, en weggeplooid daartussen Flowers picked by Louise Lateau. Het zijn fris gekleurde rozenblaadjes, viooltjes en andere bloempjes.

Ze zegt dat ze al deze uitleg graag geeft aan de pelgrims, waarop ik besef dat ze mij als een pelgrim beschouwt. "Ik zeg dat altijd aan de bedevaarders: ze is geen grote heilige, maar ze is toch iemand van bij ons. Louise leefde verborgen, bescheiden en onderging het lijden. We moeten misschien niet te veel nadruk leggen op dat bloed, maar wel op het feit dat er bescherming is in de hemel." Ze dicteert me een naam van een vrouw uit Bazel-Waas. "Misschien kunt u met haar terugkomen. Misschien komt u op 25 augustus met de pèlerinage flamand en kunt u dan nog andere mensen meebrengen."

Ik koop alle mogelijke publicaties die ze heeft en sta nog wat te lezen in het bezoekersboek. Het zijn herkenbare, naïeve, zeer menselijke verzoeken die je in alle bedevaartsoorden vindt: 'Bescherm onze familie, genees mijn zuster.' 'Voor een lief.' 'Voor mijn gezondheid.' 'Voor de vrede.' 'Bescherm mijn kind.' 'Ngai Wakati naye na mise nay Louise biso nyoso tosali lisumu (Zaïre, Kin.)' 'Voor de verzoening van G. met J.' 'Help mij me niet te vergissen.' 'Dat mijn dochter stopt met roken.'

Er staat ook heidens geroep tussen: 'BA ILLAH IL LA ILLAH IL ALLAH L.'

"Is dat een moslim?", vraag ik.

"Dat is een zwarte die hier geregeld terugkomt."

Ze wijst me 7 november 1994 aan, toen er volgens haar een klein wonder gebeurde. "Er was hier een eenvoudige, halfblinde ongelovige die toevallig meeging naar het kerkhof, vlak bij het graf van Louise. Het was winter, er lag sneeuw. De man lachte met de verslenste rozen, die daarop onmiddellijk begonnen te bloeien. Er waren getuigen bij, en kijk hoe moeizaam hij dat hier heeft neergeschreven." Er staat letterlijk: "Merci davoir ete recue chez Louise et un miracle sur la tombe du curé acotée des fleures qui ce sont mise à fleurire mercie Louise, DAUDIN Jean".

Buiten is het zacht beginnen te regenen. In de proletarische wijk vlakbij hangen overal Italiaanse vlaggen. Wanneer ik erdoor rijd, schieten plots overal mensen naar buiten om te zwaaien met de Italiaanse driekleur. Jonge gastjes in hun auto's toeteren, vaders voeren hun kinderen rond op hun schouders. Iedereen zwaait mij toe. Auto's veranderen wild van baanvak, gooien passagiers eruit en andere auto's nemen ze weer mee. Ergens in de wereld heeft Italië gewonnen, begrijp ik.

Ik drink iets in café Le Bois-d'Haigne. Mannen met bandana's roepen 'Italia, Italia!' en kussen elkaar. Een volwassen man met een pet roept 'putain' tegen het tv-scherm. Als ik even later de kerk ga opzoeken, staat een oude Italiaan alleen voor zijn open deur met een vlag over zijn schouders te wenen van geluk. Hij staat erop mij een rode roos te geven. Fluwelen blaadjes, robijnrood.

De kerk van Bois-d'Haine is in verval: de kerkspits werd in 1990 weggehaald na een storm. Op het kerkhof groeit veel neergeslagen gras met rozige pluimen. Er staan de obligate cipressen, uitgegroeide taxus en buxus. Ooit waren die struiken gesnoeid tot vrome kaarsen of toegangspoortjes. Achter het kerkhof staan vlezige witblauwe koeien te grazen.

Tegen de achterkant van de kerk leunt het graf van Louise. Ook haar vader, moeder en de zussen Adeline en Rosine liggen bij haar. Louise Lateau, geboren 29 januari 1850, gestorven 25 augustus 1883. 'Son corps fut déposé dans le caveau le 29 août.' Een oud veldboeket, rode plastic bloemen, distels. Een beeld van een wit-blauwe maagd Maria Onbevlekte Ontvangenis. Er staat een groot uitgevallen kapel met een Stabat Mater-scène. Ik pluk enkele bloedrode rozenblaadjes af en leg ze tussen de blaadjes van mijn notaboek. Grote, rode, vurige spatten. Binnen in de kerk bladdert de verf af. Een poetsvrouw laat me tien minuten toe. Zij loopt driftig met dweilen rond terwijl uit een gettoblaster populaire muziek schalt. Onder een banale neogotische kruisweg hebben ze een Zuid-Amerikaanse kruiswegversie gehangen: tekeningen van een bloedende Christus in slums nabij snelwegen, in rode betogingen, gemarteld in militaire kazernes. Achter gesloten, grijze gordijnen staat een schenking van een Italiaans dorp aan 'het dorp van Louise Lateau': het is een immense zelfgeknutselde kerststal. Ik steek mijn hoofd binnen achter het gordijn en ik schrik. Onder een sterrenhemel ligt een ongelooflijk uitgestrekt landschap van bijbelse taferelen met exotische huisjes, palmbomen, heuvels, steden in de verte, en een feeërieke kerststal. Een Eftelingensprookje, een wonderlijk warenhuis van kerstsentiment, tot ik merk dat er rechts en links grote spiegels staan. Het ding is helemaal niet zo groot. "Faites attention, pèlerin", zegt de poetsvrouw en ze gooit haar natte dweil voor mijn voeten.

Thuis blader ik in het boek dat Madame me verkocht heeft: een recente herdruk uit 1993, van een boek uit het begin van de jaren dertig. Voorin staat een imprimatur van de bisschop van Doornik, ook uit 1993. Het is de hagiografie van Lateau, met veel valse retoriek, verslaggeving van katholieke commissies, een onwetenschappelijk en klef betoog van katholieke dokters. Het handelt uitvoerig over Louises stigmata, haar extase op vrijdag, de twaalf jaren zonder eten, drinken en slapen. In alle ernst wordt beweerd dat deze jonge vrouw niet at, dronk of sliep gedurende twaalf jaar. Het bloedverlies werd geschat op 250 gram per week, ze was telkens twee uur in extase en doorstond helse pijnen. De details zijn luguber. Louise verstond ook vreemde talen en had zelfs de gave van de hiërognosis, lees ik: ze kon gezegende objecten herkennen. Een gewijde hostie haalde ze uit ongewijde exemplaren. Ze kon echte relikwieën van het Kruis herkennen. Honderden geneesheren stelden de stigmata vast, het niet-eten, en zelfs de hiërognosis. Het staat allemaal voor waar in het boek. Er wordt verwezen naar vroegere tijdschriften over wonderen, L'Echo du merveilleux, ook al uit dat Lourdes-tijdperk.

In twee andere, recentere brochures wordt niet meer gesproken van het twaalf jaar niet meer slapen. Dat klonk blijkbaar al te gek. Men onderzoekt trouwens vandaag weer de mogelijkheid tot heiligverklaring, maar de nadruk ligt nu op haar nederigheid, opoffering en spiritualiteit en niet langer op haar magische prestaties à la Guinness Book of Records.

Eén publicatie raadde Madame mij af, want dat was geen gelovig boekje. "Je krijgt het zelfs gratis van me", zei ze, bij wijze van harde depreciatie. In het boekje staan mogelijke verklaringen voor Lateaus onmogelijke verhaal. Louise werd amper gevoed door haar doodzieke moeder, ze werd ernstig verwaarloosd, zelfs in haar eerste levensjaren. Vanaf haar tiende werd ze uitbesteed om te gaan werken. Gedurende zes maanden werkte ze op een boerderij, waar ze 's nachts vaak geterroriseerd werd, en dan zat ze te waken op een stoel die de deur blokkeerde. Ze trad toe tot de lekenorde van Sint-Franciscus en kreeg daarop prompt stigma's, zoals ook Franciscus die had gekregen. Ze liet zich nooit in een ziekenhuis onderzoeken. Destijds was er sprake van een dokter Boëns van Charleroi, die stelde dat ze natuurlijk wél at. "We kunnen geloven dat mensen weinig eten en dat er bloedingen optreden, maar zo lang niet eten en drinken is uiteraard onmenselijk." Er was zelfs sprake van een kast met fruit en brood, van 's nachts in de tuin naar het toilet gaan. Dit verhaal komt uit een tijd waarin geloof zichzelf wilde bewijzen met de onwerkelijkste verhalen. Wat een wonder-lijke tijd. Het is natuurlijk ook gewoon een verhaal van anorexie, neurose, hallucinatie en autosuggestie, hysterie en bloedarmoede.

Of ik met Madame onmiddellijk had moeten discussiëren en zeggen dat zoiets toch niet kon? Dat geen zinnig mens zoiets vandaag nog kan geloven? Er valt altijd eerst een interessante stilte als dergelijke gesprekken beginnen. Op dat ene moment vraag ik me af waarom ik mensen zou moeten overtuigen van mijn gelijk. "Misschien kan het waar zijn, misschien is er meer tussen hemel en aarde", zeggen ze dan. "Nee, tussen hemel en aarde is er absoluut niets, niet eens ufo's", zeg ik dan weer. Enzovoort, enzovoort. Misschien is het ook maar een metafoor. Misschien bedoelen ze het, omdat ze het woord 'metafoor' niet bezigen, als een beeld van wereldhonger, van menselijke ellende en historische verdrukking. Of misschien zelfs van ieders eigen stervensuur. Dat is meteen ook de bezwerende functie van dit soort constructies. Hoeveel verbeelding moet je dan hebben om van Bois-d'Haine een verhaal mee te brengen over mededogen, zelfs een of ander boeddhistisch medelijden?

En ten slotte, wat ik ook nog mee heb van Bois-d'Haine: het ritueeltje om onderweg rozenblaadjes te plukken, in het bijzonder op kerkhoven, in kloostertuinen. Thuis droog ik de katholieke rozenblaadjes in het telefoonboek en kleef ze daarna in een schrift. Gewoon met Pritt. Het is intussen een gevoelige, poëtische collectie geworden. Rozenblaadjes waarin donker bloed oplicht. Opgespelde vlinders. Restjes van wat ik ergens kwijt ben gespeeld. Wat ik vandaag vaststelde als de blaadjes ouder worden, in het bijzonder de karmijnrode: het beeld van geronnen bloed, sterfelijkheid. Opgeplakt in mijn schrijfboek wordt het fluwelen karmijnrood hier en daar bruin, er verschijnen vlekjes van verval.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234