Donderdag 05/08/2021

Het vergeefse verlangen naar volmaaktheid

De ontwikkeling van de mens is het verhaal van de overwinning op het noodlot: kennis in plaats van bijgeloof, sturing in plaats van chaos, beheersing in plaats van willekeur

Een essay van Michael Ignatieff

Agressie, gewelddadigheid, wellust en primitiviteit beheersen de mensen nog altijd. Ondanks eeuwenlang geloof in de vooruitgang. De oude Adam, denkt de schrijver en historicus Michael Ignatieff, zal nooit beschaafd worden, alleen beteugeld. Hoogstens richt hij zijn agressie wat meer naar binnen. Heeft de mensheid de afgelopen eeuw dan niets geleerd door schade en schande?

Op 11 augustus tuurden honderden miljoenen mensen, van het Caribische gebied tot de Golf van Bengalen, naar de hemel om de zonsverduistering te zien. Het was een ogenblik voor weidse gedachten. Over het enorme verschil met onze voorouders, die bij zo'n verduisterde hemel angstig wegvluchtten. Over de verandering van ons gevoel voor de natuur onder invloed van de wetenschap: paniek ging over in verwondering of die typisch moderne emotie: ontnuchtering.

Er lonkt een moment voor nog weidsere gedachten. Op 31 december zal het merendeel van de mensheid lijken op kinderen die op de achterbank van de auto bij hun ouders over de schouder gluren tot alle negens van de kilometerteller op nul springen en we de weg van een nieuw millennium op snellen. Geleid door deze associaties met millennium en hemel kiest de BBC de Ascent of Man (de 'opkomst' of 'ontwikkeling' van de mens) tot thema van de laatste prom van het millennium. Dankzij dit thema kunnen wij bijvoorbeeld zien dat de Negende symfonie van Beethoven, de Tweede van Mahler en The Mask of Time van Tippett eenzelfde afkomst hebben. Deze werken zijn een grote bevestiging van de menselijke waardigheid; ze bevestigen een idee van menselijke vooruitgang, van een mens die zichzelf en de wereld om zich heen meester wordt.

De vooruitgang werd in het Europese denken een thema omstreeks 1750. De denkers van de Verlichting willen de bijbelse tijdrekening (genesis, schepping, zondeval, verlossing) vervangen door een verhaal waarin de mens, niet God, centraal stond. Het relaas van de menselijke vooruitgang werd opgevat als een materieel én moreel proces; niet alleen onze techniek wijzigde zich, maar ook onze driften veranderden, en wel ten goede.

We leven inmiddels in sceptische, antiheroïsche tijden. Geloven we nog steeds in het verhaal van de vooruitgang? Het ligt op onze geestelijke zolder als een roemrijk stuk Victoriaans antiek, indrukwekkend als een opgezette elandkop en even nutteloos. Erger nog dan nutteloos misschien. Het politiek correcte heden heeft enige argwaan bij ons gewekt jegens de Ascent of Man. Hoezo Man? En de Woman dan? En welke Man dan wel? Toch niet de Europese veroveraar? En Ascent? Je wou toch niet zeggen dat de Europese beschaving verheven is boven alles wat eraan is voorafgegaan? Enzovoort. De Ascent of Man is misschien een denkbeeld dat we maar moeten laten rusten.

Nog maar twintig jaar geleden zag het daar niet naar uit. Toen was het de titel van de befaamde BBC-documentaire van de grote leraar en geleerde Jacob Bronowski. Voor Bronowski was de Ascent of Man - met een knipoog naar Darwins Descent of Man - het verhaal van de menselijke evolutie. Die begon ruim vier miljoen jaar geleden met het ontstaan van een mensachtige soort in Afrika, behaarde, aapachtige wezens die omstreeks een miljoen jaar later aan de ontwikkeling van de mens begonnen door op hun achterpoten te gaan staan. Daardoor kregen ze hun handen vrij om werktuigen te gebruiken en groeide hun vermogen tot voedselproductie, hun hersenomvang en hun overmacht ten opzichte van concurrerende apen en andere dieren. Er was een onbekend aantal mensachtige concurrenten die gaandeweg afnamen tot twee en toen, honderdduizend jaar geleden, tot één: de homo sapiens. Alleen dat wezen verwierf zich taal en werd daardoor meester over zichzelf en de natuur.

Als homo sapiens zijn wij niet het product van één millennium, maar van minstens duizend. We mogen naar de hemel kijken terwijl we in ons hoofd een wetenschappelijk wereldbeeld hebben, maar het brein dat de signalen krijgt, is een organisme waarin miljoenen jaren evolutionaire doodsangsten staan gegrift: voor dieren, voor vreemde tekenen aan de hemel, voor de alomtegenwoordigheid van de dreigende dood. Voor Bronowski ging de Ascent of Man over de vrijheid van de mens, diens geleidelijke bevrijding van de natuur. Maar dat is niet de boodschap die de hedendaagse cultuur heeft gehoord. Die heeft de bevindingen van de voorhistorische antropologie en archeologie als een bevestiging gezien dat wij meer dan we hadden gedacht door ons oerverleden worden bepaald. Hoe langer onze prehistorie blijkt te zijn, hoe primitiever we ons voelen.

Deze visie op de menselijke ontwikkeling wordt gesterkt door de genetica. De explosie van genetisch onderzoek in de afgelopen vijfentwintig jaar - waarin het menselijk genoom in kaart is gebracht en de genetische oorsprong van bepaalde ziekten is ontdekt - heeft geleid tot een enorm aantal drieste conclusies over de genetische oorsprong van alles, van de geslachtelijke arbeidsindeling tot het incesttaboe. Sinds de decennia nadat in 1859 On the origin of species van Darwin verscheen, is de maatschappelijke discussie niet meer zo overheerst door het genetisch en evolutionair determinisme.

Aan dat determinisme kleeft een groot probleem. Wie zegt dat de mannelijke agressie vastligt in onze chromosomen, trapt een open deur in maar haalt ook de cultuur, geschiedenis en persoonlijke verantwoordelijkheid uit het verhaal. Waarom geeft deze man wel en die niet toe aan zijn driften?, dat is de vraag. Genetisch determinisme zegt niets over de specifiek menselijke uitvinding die vrijheid heet. Het geeft in de verste verte geen verklaring voor de reeks dwaze en wijze dingen die we ermee doen.

In de moderne cultuur is van de menselijke ontwikkeling een verhaal gemaakt over het koppig voortbestaan van de oude Adam, de gevangene van de oerdrift. Maar het uitgangspunt is altijd geweest dat de opkomst van de mens twee stadia kende. In het eerste stadium, van de eerste mensachtigen tot de komst van de homo sapiens, werd de evolutie gedreven door de darwinistische natuurlijke selectie. De mens was de speelbal van de natuur. Het determinisme maakte de dienst uit. Maar sinds de komst van de homo sapiens is de menselijke ontwikkeling steeds meer in handen van de mens zelf gekomen. Dat is het tweede stadium: de mensheid verlaat het domein van de onafwendbaarheid en betreedt het domein van de vrijheid. Met het overwinnen van ziekte en schaarste - het is nog niet zover, maar het ligt wel in het verschiet - schuiven wij de survival of the fittest terzijde. Nu de manipulatie van het menselijk genoom aanstaande is, kunnen we ons een toekomst voorstellen waarin de mens zijn ontwikkeling zelf beheerst. Dat is geen ijzingwekkend nieuw verhaal, maar gewoon het oude verhaal op de toekomst geprojecteerd. Want de ontwikkeling van de mens is het verhaal van de overwinning op het noodlot: kennis in plaats van bijgeloof, sturing in plaats van chaos, beheersing in plaats van willekeur.

De mensen die dit nieuwe verhaal van de vrijheid voor het eerst verwoordden, waren denkers van de Verlichting als Montesquieu, Hume, Adam Smith en Voltaire. Het was het verhaal van de vooruitgang dat zij vertelden om zin te geven aan alles wat ze zagen om zich heen: de vorming van een kapitalistische marktsamenleving die zich uitstrekte over de hele wereld. Ze wilden begrijpen hoe de 'commerciële maatschappij' was ontstaan en bedachten een historische theorie om die te verklaren. Dat was een theorie van de menselijke vooruitgang in vier stadia: eerst de gemeenschap van jagers-verzamelaars, dan de herderssamenleving die op haar beurt overging in de gevestigde landbouwgemeenschap, en ten slotte als hoogtepunt de commerciële maatschappij op marktbasis. De motor van de verandering, zo stelde Smith, was een nieuwe arbeidsdeling waarop deze maatschappijen van het ene stadium naar het volgende konden overgaan. De stadia waren ook politiek: in het eerste stadium was de regeereenheid de jagersgroep, in het vierde stadium was het inmiddels de nationale staat.

De filosofen wilden niet alleen verklaren hoe de kapitalistische maatschappij was ontstaan, maar ook waarom moderne individuen moreel zo verschilden van hun primitieve voorouders. Voor hen was de ontwikkeling van de mens de beschavingsgeschiedenis van de menselijke driften. De oude Adam wordt de nieuwe Adam: kapitalist - sociaal, materialistisch, individualistisch, maar ook vreedzaam en niet-gewelddadig. De menselijke aard is historisch bepaald, hij verandert in de loop der tijd; vooruitgang wordt afgemeten aan vrijheid en vrijheid wil zeggen: rationele beheersing van de driften. De mensen gedragen zich niet meer als kinderen, ze ontdekken dat altruïsme beter is dan gewelddadigheid. Dat komt doordat de instellingen die ze creëren (gezin, kerk en staat) hun driften temmen. Het gaat om een moreel verhaal, vol keuzen: verstand is beter dan emotie, beheersing is beter dan chaos, enzovoort. Ik zeg dat niet ter verontschuldiging. Mij bevalt het verhaal wel. Ik deel de morele voorkeuren.

Het beviel ook de negentiende-eeuwse Victoriaanse erfgenamen van de Schotse Verlichting. Mijn overgrootvader was een Victoriaanse gereformeerde dominee die in Canada woonde; bij hem op de plank stond een boek getiteld History of European Morals van William Hartpole Lecky, een protestants Iers parlementslid en amateur-historicus die nagenoeg een tijdgenoot van Darwin was. Terwijl Darwin ons de eerste versie van de Ascent of Man gaf, het ontstaan van de homo sapiens door natuurlijke selectie, bood Lecky zijn Victoriaanse lezers de tweede versie: de beschaving van de menselijke driften dankzij godsdienst, staat en gezin.

Lecky's beeld van de morele vooruitgang zou door zijn publiek nooit zijn afgedaan als een bevlogen verzinsel. Het stemde overeen met hun ervaring. Ze zagen dat de Engelse koopvaart werd gevolgd door de vlag van het wereldrijk en dat de wetteloze inboorlingen daarmee godsdienst, orde en goed bestuur kregen. De Victorianen wilden dat hun overheersing hoogstaand was en mede dankzij Lecky konden ze denken dat dit ook het geval was.

Maar de Victorianen geloofden niet alleen door hun wereldrijk in morele vooruitgang. Dankzij de afschaffing van de kinderarbeid en de slavernij meenden de Victorianen dat ze de grootste morele vooruitgang aller tijden beleefden. En misschien rust er daardoor tegenwoordig wel geen zegen op de gedachte van de Ascent of Man, door de associatie met de Victoriaanse eigendunk. Het is de taal van mijn overgrootvader, niet die van mij.

Wij luisteren tegenwoordig veeleer naar de laat-Victoriaanse critici van de morele-vooruitgangsgedachte. Nietzsche minachtte oppervlakkige Engelse psychologen als Lecky, die niet inzagen dat 'beschaafde' driften alleen maar 'onderdrukte' driften waren, dat beleefdheid bedrog was en christelijke liefdadigheid gewoon een vorm van dédain. Freud deelde die mening, en al die hysterische Weense vrouwen die hij tegen de eeuwwisseling in zijn spreekkamer kreeg, leken geen baat te hebben bij de beschaving maar er de dupe van te zijn, met hun vernietigde seksuele persoonlijkheid als gevolg van de eisen van het fatsoen. Wij zijn veel meer de erfgenamen van Nietzsche en Freud dan van Lecky, Mill, Buckle en de Victorianen. We geloven hoogstens nog dat de beschaving een ambivalente invloed op onze morele driften heeft: ja, we worden minder agressief tegen anderen, maar de prijs is wel dat we onze agressie naar binnen richten. Beschaving berust op schuldgevoel. Agressie, gewelddadigheid, wellust en primitiviteit zijn er niet door verdwenen, ze zijn alleen gesublimeerd. De oude Adam, vanbinnen bang en angstig, de grondslag van ons evolutieverhaal, zal nooit beschaafd worden, alleen beteugeld. Wat onderdrukt wordt, komt terug.

Dezelfde laat-Victoriaanse optimisten die in morele vooruitgang geloofden, dachten ook dat oorlog onmogelijk was. De handel had tot zo'n wederzijdse afhankelijkheid geleid dat een conflict ondenkbaar was. Het beroemde pamflet uit 1910 van Norman Angell, waarin werd gesteld dat er in Europa geen oorlog meer mogelijk was, gaf een samenvatting van de illusies van een continent.

Vraag iemand die na 1914 is geboren waarom het niet meevalt in de ontwikkeling van de mens te geloven en je zult vaak gewoon een lijst namen krijgen, van Ieper, de Somme en Verdun in de Eerste Wereldoorlog tot Auschwitz, Katyn en Hiroshima in de tweede. Op al die plaatsen werd met volmaakt moderne techniek de volmaakte vernietiging aangericht. In plaats van de brede weide van de vooruitgang die de Victorianen voor zich omhoog zagen lopen, schiepen we het braakland. Voor het eerst sinds 1750 ervoeren miljoenen mensen dat de geschiedenis niet vooruitging, van primitiviteit naar beschaving, maar achteruit, naar barbarij. Zoals Paul Fussell heeft betoogd, is door de Eerste Wereldoorlog een blijvend sceptische gemoedstoestand ontstaan over de betrekking tot bepaalde Victoriaanse zekerheden: zelfopoffering, volk, eer... en vooruitgang. Wie dat woord nog gebruikte na een bezoek aan de gifgaszaal van een veldhospitaal kon niet verwachten geloofd te worden. Maar de Victoriaanse vooruitgangsgedachten mochten door de oorlog worden bezoedeld, het gevolg was wel een honger naar nieuwe denkbeelden: het communisme en nazisme kwamen daar maar al te graag aan tegemoet. Het kapitalisme was uitgedraaid op imperialisme en oorlog, maar deze twee nieuwe utopia's beloofden elk een wereld zonder schaarste en conflicten. Ze hadden nog iets gemeen. Het waren visioenen van een betere wereld, mits bepaalde groepen verwijderd konden worden. In het geval van het nazisme: zigeuners, homoseksuelen, communisten, joden. In het geval van het communisme: de klassenvijand. We hadden de vooruitgang binnen handbereik mits bepaalde klassen mensen verwijderd konden worden. En dat werden ze.

In de vijftig jaar sinds 1945 heeft het serieuze morele denken zich gewijd aan de diepe wond die de twintigste-eeuwse slachting aan onze eigenwaarde als soort heeft toegebracht. Die wond is niet door de tijd geheeld. De jodenvernietiging is in de loop der jaren eerder een nog grotere obsessie geworden, zodat nu iedereen, niet alleen joden en andere volkeren die het slachtoffer waren, zich afvraagt of hij ooit nog andere mensen kan vertrouwen.

Want vertrouwen was een van de onderbewuste boodschappen van de Ascent of Man geweest. Vanaf de Verlichting was ons geleerd dat we één soort waren; we volgden dezelfde ontwikkeling, dezelfde weg omhoog naar het licht. Onder de verschillen waren we eender, deelden we een historisch beschavingsproces en hadden we dus goede redenen om elkaar te vertrouwen op ogenblikken van het grootste morele risico. Maar wat viel er nu nog te vertrouwen als mensen elkaar zoveel erger behandelden dan dieren?

In de vijftig jaar sinds 1945 hebben we dan ook geleefd met een diepe ambivalentie tegenover de vooruitgang. Enerzijds zien we haar overal, technisch, wetenschappelijk, economisch, in de grootste verspreiding van materiële welstand uit de geschiedenis van de mens, en niet alleen in onze veilige, bevoorrechte wereld, maar ook in delen van Azië, Zuid-Amerika en Zuid-Europa. De cijfers die tellen (levensverwachting, kindersterfte, inkomen per hoofd), vertellen allemaal het verhaal van de vooruitgang. Toch geloven we er niet in, en niet alleen doordat die materiële vooruitgang verontrustende bijverschijnselen heeft: vervuiling, files, nieuwe ongelijkheid. Nee, het ware probleem is dat we niet meer zoals onze Victoriaanse voorouders geloven dat materiële vooruitgang morele vooruitgang met zich meebrengt of mogelijk maakt. We eisen volmaaktheid van onze auto's, onze medicijnen, onze computers, maar van ons morele leven eisen we hoogstens dat het voldoet. We eten goed, we drinken goed, we leven goed, maar onze dromen zijn niet goed. De jodenvernietiging blijft ons feest bederven. Telkens als we er even niet aan denken, duikt dat vreselijke spookbeeld weer op: Cambodja, Rwanda, Bosnië, Kosovo.

In dit klimaat van onzekerheid is genetisch en antropologisch determinisme in de mode geraakt. Dat vertelt ons wat we maar al te graag geloven: dat de oude Adam altijd bij ons is en dat we, al boeken we technisch nog zoveel vooruitgang, er vanbinnen niet op vooruitgaan. We blijven de homo sapiens, het vervaarlijkste wezen in de natuur, een bedreiging voor onszelf en voor ieder binnen ons bereik.

Maar misantropie is een morele verleiding als elke andere: net waar genoeg om aannemelijk te zijn, niet waar genoeg om meer te zijn dan een reëel gevaar voor het morele leven. Een wereld zonder de mythe van een fundamenteel menselijk vertrouwen is geen wereld waarin we willen leven. Een wereld waarin we geen vreemden vertrouwen, waarin we geen moreel risico durven te nemen met mensen die we niet kennen, is een wereld van poorten, hekken, bewakingssystemen, elektronische afluisterapparatuur, gesloten cameracircuits. Dat is een gevangenis, geen wereld van vrije mensen. Maar er zijn nog meer morele verleidingen. Bijvoorbeeld om af te stappen van het omstreden universalisme dat de Ascent of Man vertegenwoordigt en ons morele vertrouwen alleen te stellen in de mensen die op ons lijken. Onze eigen stam. De zucht naar etnisch homogene staten heeft veel oorzaken, maar één daarvan is dat het universele op zijn retour is, dat er twijfel bestaat of er wel orde valt te scheppen onder mensen die niet van hetzelfde ras of geloof zijn.

Moreel universalisme is als zodanig niet verheven boven moreel particularisme. Iemand die niet meer om zichzelf gaf dan om de abstracte mensheid, zou een moreel monster zijn. Persoonlijke banden gaan voor algemene. Maar iemand die geen notie heeft van algemene banden is net zo goed een moreel monster; wie iemand van een ander ras of volk begroet alsof hij tot een andere soort behoort, is door niemand te vertrouwen. Het universalisme wordt belegerd, maar het is niet echt op zijn retour of in verval. We hebben sinds 1945 zelfs meer gedaan om universele beginselen in internationale verdragen vast te leggen dan op enig ander moment in de geschiedenis. Van het VN-handvest tot de conventies van Genève over het oorlogsrecht zijn er tal van morele en juridische bepalingen universeel vastgelegd. Die documenten hebben gevolgen: ze worden door alle landen ondertekend, en ook al worden ze niet altijd evenzeer gerespecteerd, ze maken het staten wel degelijk moeilijker om hun burgers kwaad te doen. De morele eensgezindheid die ze belichamen, is een andere dan die waarin de Victorianen geloofden, die berustte op een definitie van de menselijke mogelijkheden, het denkbeeld dat op een dag iedereen beschaving kon verwerven. Zij huldigden het universalisme van de hoop, wij van de angst. Wij zijn het er misschien niet over eens wat het goede leven is, maar we weten wel wat het slechte leven is. Wij zijn het er misschien niet over eens, over de grenzen van cultuur en beginselen heen, wat beschaving inhoudt, maar we weten allemaal wat barbarij is. Een universeel waardenstelsel gebaseerd op ontkenningen: geen marteling, geen moord, geen uithongering. Verder valt over alles te praten, maar hierover niet.

We hebben dit door schade en schande geleerd. We hadden het beter leuk en aardig kunnen leren, maar zo ging het niet. Toch betekent het een pijnlijk soort vooruitgang: de Ascent of Man kan na ons barbaarse intermezzo weer doorgaan.

We kunnen dus niet zonder universalisme, maar hebben we ook een vooruitgangsidee nodig? Het een hoeft het ander niet met zich mee te brengen. Maar ik weet niet zeker of een actief geloof in universalisme stand kan houden zonder de overtuiging dat dit steeds meer greep op mensen krijgt. Zoals de filosofen hebben ingezien: op wie anders dan onszelf moeten we vertrouwen in een wereld zonder God, en hoe moeten we in onszelf geloven als we niet ook menen dat we vooruitgang boeken? Zonder vooruitgang, zonder de hoop en het geloof van dien, zijn wij de oude Adam, opgesloten in de eeuwige geweldscyclus. Met vooruitgang, de mythe dat we kunnen veranderen, dat we niet de gevangene van onze driften zijn, kunnen we onze weg naar de toekomst uitstippelen. Dan kunnen we zeggen dat de geschiedenis betekenis heeft, het verhaal is van hoe we onszelf meester werden, onze soort minder levensgevaarlijk maakten voor onszelf en ieder ander wezen. Ik geef toe dat ik de gedachte van morele vooruitgang moeilijk te bewijzen vind. Maar ik kan me ook moeilijk een zinnig leven indenken zonder de hoop en de belofte die ze ons voorhoudt.

© Prospect 1999

Een wereld zonder de mythe van een fundamenteel menselijk vertrouwen is geen wereld waarin we willen leven

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234