Vrijdag 23/08/2019

Het verdriet van de Wolf

De noordwestelijke regio Xinjiang is een vergelijkbaar lot beschoren als Tibet, zij het dat in het Westen weinigen wakker liggen van de kwellingen van de acht miljoen Turkstalige, islamitische Oeigoeren. Onder binnenlandse kolonisatie gaan ze gebukt, meedogenloze repressie en verplichte assimilatie.

door catherine vuylsteke

Een Brussels etablissement. Met thee en een van de acht miljoen Oeigoeren uit China's noordwestelijke regio Xinjiang. Een man van 44 die zijn toekomst kwijt is geraakt. Tijdens zijn reizen en politieke activisme in de onafhankelijk geworden ex-sojvetstaten van Centraal-Azië. Of misschien wel veel eerder. Speelde het verleden van zijn vader hem parten, en ondergroef het idealistische nationalisme van de vorige generatie ongewild de toekomst van de huidige? Ach, ik hoor niet op de feiten vooruit te lopen.

Er zijn dringender kwesties. Behalve zijn toekomst verloor mijn vriend immers ook zijn naam. Hij zegt dat het met Rebiya Kadeer (60) te maken heeft, Xinjiangs beroemdste 'pasionaria'. Ze behoorde tot eind jaren negentig tot de tien rijkste mensen van deze immense uithoek van China en zetelde zelfs in 's lands parlement. Maar toen ze in augustus 1999 met een rondreizende delegatie van Amerikaanse parlementariërs ging praten, werd ze aangehouden. Dat ze haar in de VS wonende, dissidente echtgenoot Sidik Rouzi krantenknipsels had toegestuurd, leverde de beschuldiging 'lekken van staatsgeheimen' op, en een veroordeling tot acht jaar cel.

Vijfenhalf jaar achter de tralies ruïneerde evenwel haar gezondheid en in maart 2005 werd de bekendste van alle Oeigoeren vrijgelaten. Niet zonder waarschuwingen. Dat ze alles zou verliezen, haar kinderen en haar fortuin, zo sisten haar beulen tijdens haar laatste dagen in hun gezelschap, als ze het waagde haar mond nog open te doen.

Als vrijgelaten politieke gevangene kon Kadeer vertrekken naar de VS, waar ze de uitnodigingen niet lang wist af te slaan, om over de relatief onbekende situatie van haar volk in China te praten. Kadeer vond dat ze het moest doen, en ging zelfs op de voorstellen van mensenrechtenorganisaties in, om Europese tournees te maken, en aan duizenden kond te doen van het leed der Oeigoeren.

Dat de gevangenis haar heeft veranderd, zou ze later zeggen. Was ze vroeger bovenal de economisch erg succesvolle moeder van haar kinderen, voortaan zou ze de stem van de verstomden zijn. Van de Oeigoeren die stierven in China's detentiecentra en de volksgenoten die er gemarteld en gebroken werden.

De beulen hebben ondertussen woord gehouden. Twee maanden na haar vrijlating moest haar oudste zoon onderduiken, en dik een jaar later werden twee van haar zonen voor de ogen van hun kinderen door de Chinese politie het ziekenhuis in geslagen, alvorens samen met hun derde broer te worden gearresteerd, terwijl hun zuster huisarrest kreeg. Op 31 mei 2006 gebeurde dat, een dag voor opnieuw een Amerikaanse parlementaire delegatie naar Urümqi reisde. De aanklacht tegen Kadeers kinderen luidt belastingontduiking en separatisme.

Mijn vriend is zijn naam bovenal verloren aan zijn angst voor het lot van zijn achtergebleven familieleden. Als zelfs internationale bekendheid Oeigoeren niet tegen China's toorn kan beschermen, wat kan een man zonder renommée dan verwachten als hij openlijk het lijden van de zijnen aanklaagt?

Hij heeft het recht om publiek te zwijgen. Het drama van de regio met een derde van China's oliereserves en het gros van zijn uranium is door minder kwetsbare instanties al uitvoerig onderzocht en gedocumenteerd. "Dat de Chinese autoriteiten vastberaden lijken", schrijft Human Rights Watch in zijn jaarrapport van 2006, "om de onafhankelijke culturele identiteit en de daarmee verweven religieuze overtuigingen van de Oeigoeren uit te roeien." Ze laten moskeeën afbreken, houden boekverbrandingen en hanteren de jaarlijkse Sla Hardcampagnes waarmee in de rest van China criminelen worden gevangen, in Xinjiang om alle dissidentie de kop in te drukken. "Het is duidelijk", meent Amnesty International, "dat China geen onderscheid maakt tussen culturele uitingen van identiteit en gewelddadige agitatie. Wie openlijk tegen de discriminatie van de Oeigoeren opkomt, belandt achter de tralies. En riskeert zelfs de doodstraf."

Xinjiang en Tibet, dixit mensenrechtenorganisaties, zijn de enige Chinese regio's waar politieke gevangenen nog worden geëxecuteerd. Tussen 1997 en 1999 alleen al waren dat er volgens Amnesty meer dan tweehonderd.

We hebben zelfs niet geprobeerd om ze vrij te schrijven, vrees ik. Omdat de informatie ontbrak, maar bovenal omdat de Oeigoeren niet de internationale zeehondenstatus hebben van hun landgenoten de Tibetanen. Ze kunnen niet bogen op een dalai lama die de Nobelprijs voor de vrede in de wacht sleepte en tienduizenden enthousiastelingen vindt in alle sportpaleizen die hij in het Westen aandoet.

De Oeigoeren zijn tot overmaat van ramp moslims. Gematigde kinderen van Allah, zo verzekeren wetenschappers ons, maar Peking greep hun geloof toch aan om zijn repressie te kunnen verpakken als onderdeel van de 'internationale strijd tegen het moslimterrorisme', en sinds 11 september 2001 nog driester te kunnen optreden dan voorheen.

Mijn vriend zonder naam en toekomst, we zouden hem Wolf kunnen noemen. Wegens de grote symbolische waarde van die dieren voor de van Mongoolse nomaden afstammende Oeigoeren. En meer nog, omdat hij zelf, in hoopvoller tijden, enkelbeentjes van wolven heeft uitgedeeld, zinnebeelden van moed en geluk die vroeger aan de wiegen van pasgeboren jongetjes werden gehangen. Hij hoopte dat de botjes talismannen zouden zijn, voor een volk dat wegzinkt in de collectieve depressie, nu het zijn trots en zijn ondernemingszin is ontnomen.

Wolf werd geboren in een intellectuele familie in Zuid-Xinjiang, in een van de oases ten noordenoosten van Kashgar, die door de karavanen van de Zijderoute werden bezongen. Hij is het kind van twee leraren, slechts matig godvruchtig maar overtuigd van de almacht van de kennis. Bovenal is Wolf de zoon van zijn vader, ondanks hen beiden. Dat hij wetenschappen moest studeren, zei de man altijd. Geen heikele dingen als sociologie, filosofie of literatuur. Daar werd een mens niet beter van.

Zijn vader was een zwijgzaam man, gezegend met een natuurlijke autoriteit en charisma. Een gerespecteerd figuur ook, die het niet nodig had zijn stem te verheffen of zich te verlagen tot fysiek geweld tegen zijn kinderen. "Hij zei dat ik het later zou begrijpen", mijmert Wolf, "die fanatieke aandrang om zijn kinderen voor fysica te laten kiezen. Ik heb er sinds mijn komst naar België in 2000 vaak over nagedacht. Onderhand ben ik ervan overtuigd dat hij ons wilde beschermen. Afschermen ook, van de kwalijke consequenties van een Oeigoers politiek bewustzijn." Het heeft niet geholpen, maar ik moet niet op de feiten vooruitlopen.

Zijn vader wikte zijn woorden, hij wist hoe gevaarlijk ze waren. Over zijn verleden sprak hij nooit. Over zijn jaren in het noordwestelijke Yining toch niet. Hij had er gewoond toen drie districten zich onder de naam Republiek Oost-Turkestan onafhankelijk hadden geweten, tijdens die laatste vijf jaar voor de stichting van de Volksrepubliek in 1949.

Voor Mao aan de macht kwam, schrijft Gardner Bovingdon van het East-West Center, dachten veel Oeigoeren dat de Republiek Oost-Turkestan maar een begin was en dat de hele regio onafhankelijk zou worden. Dat was hen tien jaar eerder zo gezegd door de Grote Roerganger.

Hij heeft zijn belofte niet gehouden. De Oeigoeren kregen Chinese soldaten in plaats van vrijheid, en zagen zich verplicht hun dromen in stilzwijgen te begraven. De duizenden manschappen die in 1949 aan de 'vreedzame bevrijding van Xinjiang' hadden deelgenomen, werden definitief gevestigd in paramilitaire Productie en Constructie Korpsen, autonome economisch-militaire entiteiten die tot op heden bestaan.

Zes jaar na Mao's machtsovername werd de Xinjiang Oeigoer Autonome Regio uitgeroepen, een opgelegde in plaats van onderhandelde autonomie. Dat China geen behoefte had aan een federaal systeem, zei premier Zhou Enlai korte tijd later, in een speech die pas in 1980 bekend raakte.

"Politiek gezien", schrijft Bovingdon, "was de creatie van een autonome regio een heel slimme zet. Die kwam erop neer dat alle dertien de minoriteiten in de regio hun zogenaamde autonomie kregen, soms al met een bevolkingsaandeel van iets meer dan een derde. En zo ontstond een patchwork van autonome gebieden en werd de politieke dominantie van de Oeigoeren gebroken. Officieel mochten ze nu het eigen huis bestieren, maar in de realiteit werd er vooral voor gezorgd dat ze in hun huis bleven."

De Chinezen vonden de Oeigoeren weinig betrouwbaar en gaven hen nauwelijks macht. Al wat lokaal werd beslist, moest nationaal worden bevestigd, zo niet ging het niet door. Van de vijf criteria, aldus nog Bovingdon, die internationaal worden vastgelegd als voorwaarde voor autonomie, geldt er in Xinjiang geen een.

Wolf groeide op in de Oeigoer Autonome Regio. Hij herinnert zich dat er vroeger nauwelijks Chinezen waren, maar de politieke campagnes van hun machthebbers woedden in Xinjiang haast nog heviger dan in de rest van het land. Met iets wat het midden houdt tussen gêne en geamuseerdheid vertelt hij over zijn activiteiten als pionier van een jaar of acht, negen. De Culturele Revolutie was op haar hoogtepunt en Wolf moest geschikte kandidaten voor vervolging helpen uitzoeken. Wie twee koeien of drie kippen had, kon als kapitalist aan de schandpaal worden genageld.

Ook ziet Wolf nog de beelden van zijn vaders vrienden. Op een podium, met vreemde papieren punthoeden op hun hoofden. "Thuis hadden we het daar nooit over. Mijn ouders wisten wel beter. Je kon niemand vertrouwen, vaders en moeders hielden zelfs afstand van hun kinderen, uit angst voor verklikking. Jaren later pas besefte ik hoezeer de taferelen van jongens die hun vaders sloegen in het openbaar, hen met afschuw moeten hebben vervuld."

De dag dat Mao stierf, 9 september 1976, staat Wolf eveneens helder voor de geest. "De meeste jongens huilden alsof ze hun eigen ouders hadden verloren, een hele dag lang, zoals dat in onze tradities past. Mannen scheerden zich veertig dagen niet, als teken van traditionele rouw. En de meisjes jammerden en riepen dat ze niet verder wilden leven nu de Grote Roerganger was heengegaan."

In de jaren die volgden heeft Wolf zijn herinneringen bijgewerkt, met het Photoshopprocédé van andermans verhalen. Dat velen gewoon speeksel aan hun ogen smeerden, weet hij nu, dat ze opgelucht waren dat een man die zoveel lijden had veroorzaakt, eindelijk was gestorven, maar ook bang dat ze als contrarevolutionair zouden worden ontmaskerd.

Wolf was een goede zoon, hij concentreerde zich op zijn studies. Hij moest de eerste van de klas worden en behoorde in 1980 zelfs tot de drie enige studenten van zijn stadje die in de hoofdstad Urümqi naar de universiteit kon, uitverkoren uit tweeduizend kandidaten.

Fysica ging hij studeren, aan een universiteit die toen nog in het Oeigoers doceerde, behalve dan voor sommige vakken, waarvoor alleen leerboeken in het Chinees bestonden. Haast zijn hele opleiding volgde Wolf in het Oeigoers, een voorrecht dat dit volk sinds 2000 geheel is ontnomen. Het begon met de universiteiten, die alleen nog Chineestaligen opnamen, en ondertussen is alleen nog hier en daar een lagere school overgebleven met Oeigoers onderricht, de middelbare schakelden ook al lang over op de taal van Peking. "Zelfs tijdens de speeltijd moeten de kinderen elkaar nu in het Chinees aanspreken. Oeigoerse conversaties worden prompt bestraft. Bovendien werd het Oeigoerse schrift door Peking in de voorbije halve eeuw drie keer gewijzigd. Tot 1965 werd het Arabische alfabet gebruikt, in de negentien jaar daarna werd het Oeigoers in het westers alfabet geschreven, en sinds 1984 geldt opnieuw het Arabisch schrift, hoezeer de intelligentsia ook tegen de nieuwe omschakeling was gekant. Zo roei je een cultuur uit, traag en geruisloos maar zeker."

Urümqi beviel Wolf heel erg. Hij hield van de intellectuele gesprekken aan de universiteit, van de studiegeest die er heerste en de schijnbaar onbeperkte mogelijkheden om aan je intellect en je toekomst te werken. Als hij in 1985 afstudeert, is het andermaal als beste van de klas, diegene ook die prompt een job krijgt als universiteitsassistent.

Wolf herinnert zich de verhalen van handelslui uit zijn geboortestad die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw naar Europa reisden en bij terugkeer hoog opgeven over de moderniteit en technologische voorsprong daar, de culturele wonderen en de kosmopolitische geest. Hij besluit avondlessen Engels te nemen en sluit met de twee eerste buitenlanders die als leraar in Urümqi komen werken, prompt vriendschap.

Nieuwe werelden ontdekt Wolf, en hij zet alles op alles om de mogelijkheden die er plots lijken te ontstaan, aan te grijpen. Maar zijn goede hersenen kunnen hem niet helpen. Tot drie keer toe scoort hij het best op de selectieproeven voor studiebeurzen in Japan, Canada en Australië maar uitverkoren wordt hij nooit. De ene keer speelt het Tian'anmenbloedbad (1989) hem parten, en de algehele bevriezing van uitwisselingen die er meteen op volgt, bij een volgende gelegenheid hoort hij de leider van zijn departement beweren dat Oeigoeren geen Engels kunnen. Hen naar het buitenland sturen zou gezichtsverlies opleveren voor de Chinese natie.

Toen is er iets gebroken, verbrijzeld. Het geloof alvast, in kennis als potentieel vehikel van persoonlijke emancipatie. Wolf veranderde van een uitzonderlijke, apolitieke en schijnbaar niet door etniciteit gehinderde kernfysicus in de doodgewone zoon van zijn vader en zijn volk. In een gediscrimineerde Oeigoer. "Had het met die onafhankelijkheidsgeschiedenis van mijn vader te maken? Was het alleen een kwestie van etnische achterstelling? Ik heb er vaak over gepiekerd."

Die weigeringen veranderden zijn hele leven. Nu kijkt Wolf er naar terug als naar een verdedigingslinie die werd doorbroken, waarna de frustratie en het lijden van de maatschappij om hem heen naar binnen stroomde. Genadeloos en overweldigend. Het had ongetwijfeld ook te maken met de verwachtingen te maken die de Opendeurpolitiek had geschapen, en met de oprechte hoop op een beter, vrijer leven, maar in tal van steden in Xinjiang braken sinds het midden van de jaren tachtig en in de jaren negentig massaprotesten uit. Om het einde te eisen van de Chinese kernproeven in de Taklamakanwoestijn, die de Oegoeiren alleen misvormde baby's opleverden. Of om de achterstelling van de Oeigoeren te hekelen, economisch evengoed als politiek. En om meer culturele en religieuze vrijheid te bepleiten en de onvrede te uiten over de massale migratie van Chinezen, die ervoor zorgde dat hun aandeel in de bevolking steeg van 6 procent in 1949 tot 40 procent nu.

De overheid reageerde zoals ze dat in China doorgaans doet bij protesten - met harde hand. Verschillende keren werd het vuur geopend op ongewapende demonstranten, en duizenden mensen werden gearresteerd en vervolgens tot lange celstraffen veroordeeld.

Het is tegen die achtergrond dat Wolf stiekem naar de BBC begint te luisteren en werelden ontdekt waarvan hij het bestaan voorheen niet vermoedde. Hij gaat ook enkelbeentjes van wolven uitdelen, tijdens ondergrondse bijeenkomsten van gelijkgezinden. Tegelijk voelt hij een onbedwingbaar verlangen om te vertrekken.

Eind 1994 gaat hij de grens met Kazachstan over, die niet lang daarvoor is geopend. "Ik wilde die nieuwe, onafhankelijke staten zien, ik moest weten welke mogelijkheden die zouden kunnen bieden voor onze zelfontplooiing." In 1996 krijgt hij van zijn departement de toestemming om in Kazachstan een doctoraalstudie van drie jaar aan te vatten. "Aanvankelijk was het klimaat daar veel vrijer dan in Xinjiang, maar dat duurde slechts tot de Shanghai 5 in 1996 in het leven werd geroepen, waarbinnen China, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Rusland zogenaamde terroristen aan elkaar uitleveren. Tal van Oeigoerse publicaties en organisaties gingen prompt dicht en wie politieke objectieven had, kon maar beter omzichtig te werk gaan, anders werd je meteen opgepakt en naar China gedeporteerd."

Als in 1997 twee bommen afgaan in stadsbussen in Urümqi wordt de controle nog strikter. Wolf besluit met zijn vrienden naar Wit-Rusland uit te wijken. Als hij in de zomer van 1999 naar Urümqi terugkeert, hoort hij dat Rebiya Kadeer net is aangehouden. In verschillende steden hebben tal van arrestaties van vooraanstaande Oeigoerse intellectuelen plaats.

"Toen hoorde ik dat een van mijn beste vrienden was gearresteerd, we hadden samen in Kazachstan gezeten. Diezelfde avond nog hebben andere vrienden een vrachtwagen voor me geregeld. Op 20 januari 2000 kwam ik in België aan. Waarom hier? Dit is toch het hart van Europa, ik was er altijd zeker van dat er twee grote machten waren in de wereld: de VS en de EU. Als die niets deden voor ons, dacht ik, dan was het wel omdat ze niet van ons lijden op de hoogte waren. Daarom heb ik een jaar later ook deelgenomen aan een conferentie in het Europees Parlement."

De EU en de VS liggen evenwel niet wakker van Xinjiang, dat beseft hij onderhand maar al te goed. De enkelbeentjes hebben niet geholpen. Hij is een gebroken Wolf nu, die sinds 2002 niet meer politiek actief is. "Het is nutteloos. Het is de economie die alles bepaalt, China is een wereldmacht geworden, waar elk land zaken mee wil doen", zegt hij gelaten, "ongeacht hoe het de politieke gevangenen daar vergaat. Zo is het nu eenmaal.

"Ik heb mezelf ervan overtuigd dat ik maar beter kan proberen om nog wat van mijn leven te maken, en om sterke banden op te bouwen met mijn kinderen. Toen ze vorig jaar samen met mijn vrouw kwamen, hadden ze me zolang niet gezien dat ze twijfelden of ik wel hun vader was."

Wolf heeft zich ondertussen aan de universiteit ingeschreven, hij heeft Frans geleerd en spreekt zelfs gebroken Nederlands. "Ik heb meer verloren dan gewonnen. Mijn halve leven liet ik achter, mijn moeder, wier gezicht ik wellicht nooit meer zal zien. We bellen, ja, maar de antwoorden van mijn familieleden zijn veelal eenlettergrepig. Het gaat goed, zeggen ze, ja, alles oké. Ik begrijp ze wel, ze zijn bang voor het afluisteren, voor moeilijkheden."

Terug naar Xinjiang, Wolf vraagt zich af of het ooit nog zal kunnen. De Belgische nationaliteit verwerven is alvast geen voldoende bescherming. Of ik van Huseyincan Celil heb gehoord, vraagt hij, een van die mensen voor wie nu brieven geschreven moeten worden. "Het lijkt wel alsof China ons nooit laat gaan, zelfs al moet dat land ons eigenlijk niet." Celil werd in 1996 in China gearresteerd wegens 'separatistische' activiteiten. Na enige maanden werd hij vrijgelaten maar in 1998 volgde een nieuwe detentie, dit keer in Kirgizië. In 2001 migreerde de man als politiek vluchteling naar Canada met zijn familie.

In het voorjaar van 2006 gaat het gezin voor het eerst naar Oezbekistan, waar de familie van Celils echtgenote woont. Ondanks hun Canadese paspoorten wordt Heyincan Celil gearresteerd. De Canadese overheid heeft al herhaaldelijk om zijn uitlevering gevraagd, maar tegen eind juni was de man al uitgeleverd aan China. Terug naar zijn oude beulen.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden