Vrijdag 18/06/2021

Het vel van Valéry

Omdat Paul Valéry elk voltooid gedicht beschouwde als een afgestroopte huid, richtte zijn aandacht zich niet op het vel maar op de slang

Door Dirk Van Hulle

Er ligt een vel van Valéry in het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen, een document dat de handtekening draagt van de Franse dichter Paul Valéry (1871-1945). Het gaat om een brief aan kunstliefhebber en uitgesproken kosmopoliet André de Ridder (1888-1961). Het handschrift laat vermoeden dat de brief wellicht geschreven is door een secretaris of secretaresse van Valéry, maar hij is wel door de dichter zelf ondertekend.

Op 22 januari 1926 zit Valéry, laten we zeggen, in zijn fauteuil, of hij loopt ijsberend door de kamer en dicteert enkele beleefde woorden om zijn collega hartelijk te bedanken voor een aantal toegestuurde boeken - wellicht La littérature flamande contemporaine (1923), Le génie du Nord (1925) en mogelijk Anthologie des auteurs flamands (1926). Dit soort boeken, aldus Valéry, zal de uitbouw van de 'Coopération intellectuelle' in hoge mate bevorderen. Hetzelfde geldt voor het tijdschrift over moderne kunst, Sélection: Chronique de la vie artistique, dat André de Ridder op dat moment uitgeeft. Hij kon misschien eens contact opnemen met secretaris-generaal Dupierreux van het 'Institut International' om eventueel een bijdrage te leveren aan een geplande boekenreeks over buitenlandse literatuur. Waarop Valéry zijn waarde confrater met aandrang vraagt zijn meest gedistingeerde sentimenten te willen aanvaarden.

Het 'Institut International de Coopération Intellectuelle' was een soort voorloper van de Unesco, waar ook Albert Einstein en Marie Curie deel van uitmaakten. Het gaf onder meer een briefwisseling tussen Einstein en Freud uit over de vraag 'Warum Krieg?' De doelstelling van het instituut was immers de bevordering van internationale intellectuele samenwerking met het oog op de wereldvrede. Die zou helaas nog maar anderhalf decennium standhouden toen het instituut in 1925 werd opgericht. Op dat moment was Valéry voorzitter van de Franse Pen Club en volgde hij Anatole France op als lid van de Académie française. Dit was de man naar wie André de Ridder in januari 1926 zijn boeken opstuurde.

Maar achter het burgerlijke uiterlijk van de met titels overladen dichter gaat ook een heel andere Valéry schuil, die van de Cahiers. In die papieren werkplek creëerde Valéry voor zijn gedachten een gigantisch atelier van ongeveer dertigduizend bladzijden. De aanleiding om zijn brein elke dag wat ochtendgymnastiek te laten doen, was een onbeantwoorde liefde, die in de nacht van 4 op 5 oktober 1892 in Genua tot een crisis leidde. Toen nam hij zich voor om, met Descartes als voorbeeld, zijn grijze cellen in te zetten in een grootscheeps offensief van de ratio tegen de hartstochten. Het verschil met Descartes was wel dat Valéry daarbij niet vertrouwde op een god; het goddelijke zat volgens hem in de geest zelf.

Terwijl Valéry zijn gedachten elke ochtend uitliet in zijn Cahiers, voelde hij vanaf 1896 geen enkele noodzaak meer om nog te publiceren. Pas toen André Gide en de uitgever Gallimard erop aandrongen om een korte toelichting te schrijven bij een heruitgave van Valéry's vroege poëzie, begon hij aan een gedicht dat uiteindelijk La Jeune Parque (1917) zou worden, een lange monoloog van een jonge vrouw in een Cartesiaanse tweestrijd tussen lichaam en geest.

Hieraan dankten volgens Valéry alle daaropvolgende gedichten hun bestaan. Onder meer de 'Ebauche d'un serpent', gepubliceerd in de Nouvelle Revue Française in 1921 en opgenomen in de bundel Charmes (1922). De slang, die ook al in La Jeune Parque voorkwam, symboliseert hier vooral de verleiding. Toch leidt ze niet alleen in bekoring, maar onder meer ook naar de Cahiers. In 1915 schreef Valéry daarin een klein 'Chanson du serpent'. Dat Valéry zijn uiteindelijk gepubliceerde gedicht een 'schets' (ébauche) noemde, is op zich al typerend voor de manier waarop hij tegenover zijn schrijverschap stond. De link tussen de schets en het serpent wordt duidelijk in een nog iets vroegere aantekening in de Cahiers: "Een kunstwerk is voor mij geen afgerond wezen dat zichzelf genoeg is - het is de huid die door een dier is afgelegd, het web van een spin, een schelp of verlaten slakkenhuis, een cocon." (125)

Deze notitie is een interessante sleutel tot Valéry's poëtica. In 2004 vertaalde Maarten van Buuren een prachtige keuze uit de duizenden aantekeningen uit de Cahiers, gebaseerd op een voorlopige selectie die Valéry zelf nog heeft gemaakt. De duizenden notities bracht hij onder in eenendertig rubrieken. Een daarvan draagt de titel 'Poietica', Valéry's versie van een poëtica zoals die van Aristoteles. Die extra 'i' geeft al aan dat Valéry meer wilde doen dan alleen een leerboek voor dichtkunst uitwerken. Het woord is geïnspireerd op fysiologische termen waarin '-poietisch' '-vormend' betekent, bijvoorbeeld bloedvormend (hermatopoietisch). Valéry was geïnteresseerd in wat 'kunstvormend' was, in het ontstaan van kunstvormen en in hun effect. Zijn ideeën hierover verschenen onder de titel Cours de Poétique, de neerslag van de colleges die hij in 1937 aan het Collège de France gaf.

In zijn Cahiers is deze poëtica nog als een reeks gebalde, losse gedachten terug te vinden. In die ruwe vorm stroken ze beter met de inhoud van zijn visie op het schrijverschap: "De manier waarop ik literaire werken bekijk is in termen van arbeid, van handelingen, van productievoorwaarden." Het ging Valéry niet om het afgewerkte product, maar om het productieproces. Hij was geïnteresseerd in het ploeteren. "Het maken is het feitelijke kunstwerk." Omdat hij elk voltooid gedicht beschouwde als een afgestroopte huid, richtte zijn aandacht zich niet op het vel maar op de slang. Een gepubliceerd gedicht is slechts een voorlopige tussenstand van het eigenlijke kunstwerk dat zich binnenin de schedel van de dichter afspeelt. De vraag die in zijn 'poietica' centraal staat is: "Wie heeft dit gemaakt? Niet welke Mens, welke naam maar welk systeem, noch mens noch naam, heeft zich door welke veranderingen van zichzelf, omgeven door welk milieu, ontdaan van wat hij voor een tijdje was?"

Bij uitbreiding geldt dit in beperkte mate ook voor documenten als die brief van Valéry in het AMVC-Letterenhuis. Dat die goed bewaard wordt, kan belangrijk zijn voor mensen die het werk van André de Ridder bestuderen. Maar vanuit het standpunt van Valéry is het niet meer dan een tussenstand op 22 januari 1926, het jaar waarin hij bijvoorbeeld ook zijn 'Ebauche d'un serpent' als apart boekje liet uitgeven onder de titel Le serpent. Waarmee hij ook dat vel achterliet om verder te kunnen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234