Zondag 21/07/2019

Het streven naar de universele schoonheid

Begin dit jaar kondigde minister van Telecommunicatie Di Rupo aan dat het hoofdpostgebouw in het centrum van Oostende zal worden verkocht. Gaston Eysselincks postgebouw is een van de mooiste architectonische werken uit de naoorlogse periode. Door de verhuizing, enkele maanden geleden, van de sorteerdienst en andere postafdelingen naar een nieuw centrum, staat het gebouw voor een groot deel leeg. De Post is van plan dat deel van het gebouw te verkopen, een ander deel wordt door Belgacom gehuurd.

Architectuurcriticus Marc Dubois kent het gebouw, en het bewogen leven van zijn architect, van binnen en van buiten.

Marc Dubois / Foto's Filip Claus

Drie weken geleden zette minister van Cultuur Luc Martens het Casino Kursaal van Oostende, ontworpen door architect Léon Stynen, op de monumentenlijst. Dat dat tegen de zin van het lokaal bestuur in ging lag in de lijn der verwachtingen. In de voorbije decennia heeft het beleid in Oostende nauwelijks blijk gegeven van waardering voor architectuur. Dat kon de Gentse architect Gaston Eysselinck (1907-1953) al ervaren bij de bouw van het postgebouw tussen 1945 en 1952. Ondanks de heftige tegenkanting en de persoonlijke aanvallen die hij te verduren kreeg van zowel het stadsbestuur, de Koninklijke Commissie voor Monumenten als ten slotte ook zijn opdrachtgever de PTT, is hij er toch in geslaagd zijn project in grote mate ongehavend door te drukken. Voor zijn bijna uitzichtloze strijd tegen een bekrompen bureaucratie kreeg Eysselinck als het ware een postume hulde toen zijn magistrale creatie in 1981 op de monumentenlijst werd gezet.

Oostende kwam zwaar gehavend uit de Tweede Wereldoorlog. Bijna al zijn grote gebouwen, zoals de hippodroom, het casino, het stadhuis met feestpaleis en het hoofdpost- en telefoniekantoor, waren vernield. De stad stond voor de zware opgave om de essentiële schakels in haar infrastructuur herop te bouwen. Vrij vlug na de bevrijding krijgt Eysselinck de opdracht voor het PTT-gebouw, een gebouw dat de post- en telefoniediensten moest huisvesten, evenals een grote telefooncentrale. Het was zijn eerste grote opdracht, een project dat hij halsstarrig heeft weten te verdedigen om het overeind te houden. In de jaren dertig had Eysselinck zich met een aantal bescheiden woningen gemanifesteerd als een van de boeiendste modernistische ontwerpers in Vlaanderen. Zijn eigen woning in Gent, gebouwd in 1931, mag worden beschouwd als een monument van de architectuur uit het Interbellum. Het verhaal van het tot stand komen van het postgebouw is er een van permanente strijd tegen de oprukkende grijze middelmatigheid. Als vurig socialist was Eysselinck in de volle overtuiging dat de gemeenschap recht heeft op publieke gebouwen met kwaliteit. Wat aanvankelijk een unieke kans leek, werd geleidelijk een deel van zijn persoonlijke tragiek. De spanning culmineerde in 1953, toen Eysselinck ermee dreigde het gebouw niet in gebruik te laten nemen voor de sculptuur van Jozef Cantré in de voorgevel was aangebracht. Er werd zelfs een ministrieel besluit uitgevaardigd dat Eysselinck en zijn vriend ingenieur Mallebrancke verbood de bouwplaats te betreden. Deze uitputtende strijd, gecombineerd met het plotselinge verlies van een geliefde, eindigde op zes december 1953 met Eysselincks zelfmoord. Vlaanderen verloor een groot bouwmeester, maar verwierf een magistraal bouwwerk, dat tot op heden behoort tot de krachtigste van ons twintigste-eeuwse patrimonium. Vanaf zijn eerste voorontwerp krijgt Eysselinck hevige ruzie met het stadsbestuur, in het bijzonder met de stedebouwkundige Eggericx, omdat hij weigert de voorgevel als één groot vlak uit te voeren. Hij pleit weloverwogen voor een opsplitsing in een laag, publiek toegankelijk en een hoog, monumentaal gedeelte. In de verschillende fasen van het ontwerp maakt Eysselinck perspectieftekeningen met daarop steeds de nabijgelegen bebouwing. Er blijkt glashelder uit dat hij de grootste zorg besteedt aan het zo correct mogelijk inpassen van de grote bouwmassa in de omgeving. De keuze voor deze opsplitsing is ook bepaald door de gewijzigde stedebouwkundige situatie na 1945. De nieuwe, rechte verbinding tussen het casino en de plaats waar het nieuwe stadhuis moest komen was van kapitaal belang in het basisconcept. Hij zag zijn postgebouw als een belangrijke nieuwe schakel van deze nieuwe stedelijke boulevard.

Het naar achteren halen van het grootste deel van de voorgevel had nog twee andere voordelen. Om te beginnen ontstond zo de ruimte om een monumentaal beeldhouwerk van zijn vriend Jozef Cantré te plaatsen, een figuratief werk met vier zwevende figuren die de eenheid van de wereld door het postverkeer symboliseren. Bovendien kon er dan in het interieur tot boven de loketten daglicht naar binnen vallen. Na felle discussies gaf het stadsbestuur uiteindelijk toe. In het definitieve ontwerp voorzag Eysselinck binnen bepaalde delen van de blauwe hardstenen gevelbekleding in ruwe, onafgewerkte delen. Het stadsbestuur sprak er schande van, deze materiaaltoepassing was de Koningin der Badsteden onwaardig. Ook de wijze waarop Eysselinck kunstwerken opnam in het geheel was niet naar de zin van het stadsbestuur. Het werd een permanente strijd die tot veel tijdverlies leidde. Toen het bouwen in 1949 eenmaal was begonnen kreeg hij steeds meer problemen met de PTT.

Al in 1971 wees professor Geert Bekaert in zijn overzicht van de Belgische architectuur 1945-1970 op de uitzonderlijke betekenis en kracht van dit gebouw. In de context van de architectuurdiscussie tussen 1945 en 1955 blaast het gebouw zelfs internationaal zijn partijtje mee. Rond 1945 bepleitte men in de C.I.A.M, een internationale vereniging van avantgardistische architecten, een nieuwe monumentaliteit. Geconfronteerd met een toenemende verschraling van de architectonische taal als gevolg van eng geïnterpreteerd functionalisme, beseften toonaangevende architecten dat publieke gebouwen een nieuwe zeggingskracht behoefden. Om die te bereiken was een intense samenwerking met kunstenaars wenselijk, zelfs noodzakelijk. Deze positie werd sterk verdedigd door de Franse kunstenaar Fernand Léger. Behalve deze discussie in de C.I.A.M. heeft ook zijn grote bewondering voor het werk van Le Corbusier Eysselincks ontwerp voor het Oostendse postgebouw beïnvloed. Het verzet van deze Franse bouwmeester tegen de evolutie van het functionalisme naar visuele armoede sprak hem erg aan. Le Corbusiers uitspraak "L'Utile n'est pas le beau" verwijst naar de noodzaak het gebouwde ook vanuit een diepere artistieke ambitie vorm te geven.

De nagestreefde monumentaliteit van het postgebouw heeft haar wortels in de authentieke modernistische visie die de avant-garde in de jaren dertig verdedigde. Het exterieur is de logische voortzetting van de inwendige ordening, die op haar beurt de vertaling is van de vereisten. Dit staat ver af van de zucht naar monumentalisme die tot uitdrukking komt in bijvoorbeeld de Nationale Bank of de Albertina-bibliotheek in Brussel, gebouwen die rond dezelfde tijd in de steigers stonden. Uit beide spreekt manifest de invloed van de nationaal-socialistische stijl, zelfs al was Hitlers Derde Rijk al voorbij.

De verwantschap met Le Corbusier blijkt ook op een nog andere manier. Moderne architectuur moet volgens hem beantwoorden aan een sinds eeuwen gevoelde behoefte aan juiste verhoudingen. Als je het postgebouw analyseert, kom je tot de vaststelling dat Eysselinck met de gulden snede werkt, een verhoudingsprincipe dat de bouwmeesters uit de renaissance al toepasten om de onderdelen in perfecte harmonie te brengen met het geheel. Voor Eysselinck was er geen fundamentele breuk tussen klassieke en moderne architectuur, omdat de moderne bouwkunst voor hem ook de hogere menselijke betrachting moest bezitten om tot een universele schoonheid te komen. Die ambitie verdwijnt totaal in de jaren zestig, wanneer een inhoudloze functionaliteit haar intrede doet.

Wie een bezoek brengt aan het postgebouw komt onder de indruk van Eysselincks vakmanschap, zowel in de materiaalkeuze als in de detaillering. Het gebruik van verschillende soorten natuursteen beheerst hij volledig. Duurzaamheid was voor hem bij een openbaar gebouw een absolute vereiste. Je zet geen gebouw neer waarmee de volgende generatie al problemen krijgt, was zijn stelling. Boeiend is dat hij in zijn eerste weken pleit voor witte, bepleisterde architectuur, terwijl in het postgebouw het tastbare van de materialen het uitgangspunt is. Hiermee sluit hij naadloos aan bij de toonaangevende Europese architecten die rond 1950 opkwamen voor een tastbaarder materialisering, een richting die wordt omschreven als het brutalisme.

De imposante lokettenzaal is opgeslitst in twee in elkaar overlopende ruimten; de grootste is bestemd voor de postloketten, de kleinste voor de telefonie en de telegrafie. Door die differentiatie in oppervlakte komt de hoofdingang niet in het midden van de indrukwekkende voorgevel te liggen. Boven de toegangstrap spant zich een beglaasd, gebogen plafond. Zo kunnen de trappen egaal verlicht worden, wat noodzakelijk was aangezien het telefoniegedeelte dag en nacht geopend moest zijn. In het bouwlichaam bereikt hij een uitgepuurde compositie van symmetrische en asymmetrische onderdelen. Anders dan in de klassieke bouwkunst met haar volledige symmetrische opbouw, verkiest hij de dynamiek van het interieur tot uiting te brengen.

Eysselincks samenwerking met kunstenaars is zelfs voor de huidige discussie over de integratie van beeldende kunst in de architectuur nog steeds relevant en uiterst actueel. Kunst dient niet voor het opsmukken van de mediocriteit van de architectuur, kunst als artistiek behang verwerpt hij omdat het niets te maken heeft met wat integratie betekent. De wijze waarop kunstwerken in de recente Vlaamse ministeries als opfrisproducten wordt aangewend zou door Eysselinck beslist als een aberratie zijn beschouwd. Hij verzette zich hardnekkig tegen de toenmalige tendens van de 'murale esthetiek', het opsmukken van grote gesloten gevelvlakken met halfverheven beeldhouwwerken. De taak van de architect bestaat erin om in zijn ontwerp plaatsen te creeëren waar kunst haar specifieke autonomie kan opeisen. De gevel behoort toe aan de architect en niet aan de kunst, stelde Eysselinck.

Al in de prille beginfase van het voorontwerp betrekt hij zijn vriend Jozef Cantré en de jonge Oostendenaar Jo Maes bij het gebouw. De laatste ontwerpt twee grote keramische wanden en de gezandstraalde glaspanelen voor de lokettenzaal, wat mogelijk werd gemaakt door de steun van Emile Langui, de toemalige adviseur van de minister van Cultuur. De kunstenaars tekenden zelfs hun ontwerp op de goedgekeurde bouwplannen. Kunst is hier geen latere toevoeging maar een essentieel onderdeel van het gebouw. Het is dan ook begrijpelijk dat Eysselinck in woede uitbarstte toen hij vernam dat de PTT het gebouw officieel wilde openen zonder het werk van Cantré.

Het postgebouw is Eysselincks magnum opus, een indrukwekkend en blijvend bewijs dat de moderne bouwkunst wel degelijk in staat is tot krachtige werken. Na zijn dood werd het gebouw tot tweemaal toe uitgebreid. Hoewel men daarbij rekening hield met de formele aspecten van Eysselincks eerste fase, werd het postgebouw toch een te zwaar blok voor de twee smalle straten die er in de breedte langs lopen.

Een van de boeiendste aspecten van het bouwen is dat door diverse maatschappelijke factoren en ontwikkelingen een gebouw zijn oorspronkelijke bestemming kan verliezen en de samenleving dan plotseling een antwoord moet zien te vinden op de vraag wat ze ermee aan moet. De Post bouwde een nieuw sorteercentrum in de directe nabijheid van het station, een voorbeeldig werkstuk van het architectenbureau Felix-Glorieux, dat pas in gebruik is genomen, en heeft het gebouw van Eysselinck definitief verlaten, al worden een aantal loketten er nog aangehouden. Recent maakte De Post bekend dat zij het gebouw wil verkopen.

Moet het postgebouw een culturele bestemming krijgen, zoals het voormalig SEO-warenhuis in Oostende? Ook dat complex is door Eysselinck ontworpen, rond 1950, en fungeert sinds 1986 na een paar ingrijpende verbouwingen als Provinciaal Museum voor Moderne Kunst. Hopelijk blijven de loketfuncties behouden en krijgt de prachtige zaal een zinvolle herbestemming. Wat er met de resterende oppervlakte mot gebeuren is onduidelijk en daarom zijn een grondig onderzoek en een diepgaande studie noodzakelijk. Het is ook een unieke kans voor het stadsbestuur van Oostende om te bewijzen, na de verschillende brutale aanslagen op het waardevolle onroerende erfgoed van de stad, dat men toch enig respect kan opbrengen voor dit topwerk van de architectuur in Vlaanderen.

Marc Dubois

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden