Vrijdag 24/01/2020

Het stenen

"The Rolling Stones zijn meer dan een groep, ze zijn een manier van leven", schreef manager Andrew Loog Oldham op de hoes van de allereerste Stones-elpee. De groep had in de eerste acht maanden van haar bestaan al drie hitsingles en een EP uitgebracht en Oldham deed er alles aan om zijn protégés een bad boy-imago te bezorgen. Toen het blad NME op zijn voorpagina de prangende vraag "Would you let your daughter go out with a Rolling Stone?" stelde, was dat in zijn ogen dan ook de best denkbare reclame. De band, die debuteerde in het jaar van de Britse Invasie, speelde aanvankelijk uitsluitend zwarte rhythm and blues: rudimentair, maar explosief en opwindend. En aangezien The Stones aanvankelijk nauwelijks over eigen songs beschikten, speelden zij materiaal van lieden als Willie Dixon, Slim Harpo, Jimmy Reed, Rufus Thomas, Bobby Troup, Gene Allison en Buddy Holly. Jaggers nijdige snauw en Richards van Chuck Berry afgeleide gitaarriffs waren op dat ogenblik wel al het handelsmerk van de groep. En de beperkte technische bagage van de muzikanten zou worden gecompenseerd met een dubbele dosis energie.

De Stones blijven trouw aan hun zwarte roots en scoren hun eerste Britse nummer-één-hit met het van The Valentinos geleende 'It's All Over Now'. Dat kunstje zullen ze weldra nog eens overdoen met de ballad 'Time is On My Side' van Norman Meade. De groep covert werk van Chuck Berry, The Drifters en Dale Hawkins, maar Jagger en Richard beginnen, eerst nog wat schoorvoetend, ook zelf nummers te bedenken. De groepscomposities, waarbij ook Oldham een handje toesteekt, worden geregistreerd onder de naam Nanker Phelge. En hoewel de eerste Rolling Stones-platen vandaag een tikje gedateerd klinken, waren ze voor de blanke tieners van toen een echte revelatie.

Het aantal Jagger-Richard-composities is inmiddels opgelopen tot vier, maar dat neemt niet weg dat The Rolling Stones blijven terugvallen op vertrouwde waarden als Leiber & Stoller, Bo Diddley en Chuck Berry. Met hun interpretatie van Willie Dixons blues-standard 'Little Red Rooster' voeren ze trots de Engelse hitlijsten aan. In Amerika wordt het nummer echter in de ban gedaan wegens zijn aanstootgevende (lees: seksueel expliciete) tekst.

De groep krijgt meer en meer belangstelling voor soulgroten als Marvin Gaye, Otis Redding, Sam Cooke en Solomon Burke, wat volop blijkt uit de coverkeuze op deze elpee. Maar bovenal is het natuurlijk de plaat met '(I Can't Get No) Satisfaction', de Stones-song par excellence, waarin op een hilarische manier de consumptiewoede en de commercialisering van het verlangen aan de kaak wordt gesteld. De onsterfelijke riff dient als hefboom voor een wereldwijde doorbraak en in muziekmiddens wordt volop gespeculeerd over de herkomst van Keiths fuzzy gitaargeluid: is het te wijten aan een kapotte versterker of was het gewoon de bedoeling een blazerssectie te imiteren? Wat er ook van zij, het geluid van The Rolling Stones wordt geleidelijk poppier en melodieuzer. Hiervan getuigen zowel het bruisende 'The Last Time' als de bloedmooie ballad 'Play With Fire'.

Behalve een mooie versie van Arthur Alexanders 'You Better Move On' bevat deze plaat ook een livereprise van 'Route 66', een nummer van Bobby Troup dat eerder al de eerste Stones-elpee sierde. Maar echt klassiek zijn toch vooral het even agressieve als exuberante 'Get Off My Cloud' en het aan Jaggers vriendinnetje Marianne Faithfull weggeschonken 'As Tears Go By', compleet met prachtig strijkersarrangement. Het levendige bewijs dat brutale schoffies als The Rolling Stones ook tot subtiele dingen in staat waren.

Een mijlpaal, al was het maar omdat dit de eerste Stones-langspeler is waar uitsluitend eigen nummers op te horen zijn. Bovendien begint de groep, vooral onder impuls van gitarist Brian Jones, haar muzikale horizonten drastisch te verruimen. Jones is inmiddels gefascineerd geraakt door Marokkaanse muziek en hij wil in geen geval onderdoen voor de experimenteerdrang van The Beatles. Vandaar zijn sitarexcursies in het oriëntaals aandoende 'Paint it Black', zijn marimbaspel in 'Under My Thumb' en de hakkebordpassages in 'Lady Jane'. Jagger van zijn kant manifesteert zich steeds meer als een ironicus in hart en nieren, kruipt in de huid van diverse personages en werpt zich op als een eersterangsacteur. Of, afhankelijk van je persoonlijke zienswijze, als een onverbeterlijke poseur. Het autenthieke rebellenimago van Keith Richard blijft echter onaangetast. Aftermath vertegenwoordigt een scharniermoment in de carrière van The Rolling Stones, maar blijft, vergeleken bij gelijktijdig verschenen platen als Blonde on Blonde van Bob Dylan en Revolver van The Beatles, helaas het zwakkere broertje.

Net zoals The Beatles in hun beginperiode werken The Stones, volgens de maatstaven van vandaag, tegen een moordend hoog tempo: ze leveren gemiddeld twee elpees per jaar af, maken tussendoor nog enkele singles (verzameld op de Big Hits-compilatie High Tide and Green Grass) en houden er een halsbrekend tourschema op na. Got Live..., opgenomen in de Londense Royal Albert Hall, is de eerste van een reeks platen waarop je de liveverrichtingen van de archetypische rock'n'roll outlaws op de voet kunt volgen. In de pers wordt de groep als een bedreiging voor het establishment afgeschilderd en dat hoeft niet te verbazen: waar ze ook opduikt, overal worden de zalen gesloopt door het opgehitste publiek en ontstaan relletjes en opstootjes. Prima reclame, zal manager Oldham gedacht hebben. Maar de weerbots zou hard aankomen.

De Stones gaan verder op het pad dat ze met Aftermath zijn ingeslagen. 'Ruby Tuesday' groeit, dankzij een exotische instrumentatie en een gedurfd arrangement, uit tot een van de hoogtepunten van de plaat. Het andere pièce de résistance heet 'Let's Spend the Night Together' en leidt tot een rel tijdens de televisieshow van Ed Sullivan, omdat Mick Jagger het vertikt de tekst van dit nummer te laten censureren. Maar er staan de Stones in de loop van 1967 nog meer problemen te wachten. Vooral als Jagger, Richard en Jones worden opgepakt wegens drugsbezit en voor de rechtbank moeten verschijnen. Brian Jones raakt meer en meer van de andere groepsleden vervreemd en speelt nauwelijks meer een rol van betekenis. Between the Buttons is dan ook verre van een meesterwerk. In 'Cool, Calm & Collected' trachten The Rolling Stones met een swingpiano, een hoempabas en verwijzingen naar de Britse musicaltraditie de Paul McCartney van 'When I'm 64' na te apen en in 'Something Happened to Me Yesterday' laten ze zelfs een dixielandensemble aanrukken. Dat leidt echter niet tot Grote Kunst: veel van het materiaal laat kwalitatief te wensen over en klinkt vandaag hopeloos verouderd.

De Britse en Amerikaanse versies van Stones-elpees plachten nogal eens van elkaar te verschillen. Bovendien werden in de diverse territoria niet altijd dezelfde singles uitgebracht. Vandaar deze compilatie, die gedeeltelijk overlapt met Between the Buttons, maar interessant is omwille van 'Out of Time' (dat later een hit zou worden voor Chris Farlowe); het fantastische 'Mother's Little Helper'; het radiohitje 'Sittin' on a Fence' en de coverversie van Smokey Robinsons 'My Girl'. Het nogal druk klinkende 'Have You Seen Your Mother Baby, Standing in the Shadow?' was vooral spraakmakend om het hoesje, waarop de vijf Stones als travestieten stonden afgebeeld.

Mick Jagger en zijn vriendin Marianne Faithfull zijn inmiddels, samen met The Beatles, naar Indië gereisd en maken er kennis met de Maharishi. Ook de Stones ontsnappen dus niet aan de oostersemystiekrage: als antwoord op Sgt Pepper's nemen ze een experimenteel, psychedelisch werkstuk op, dat tot vandaag als het absolute dieptepunt uit hun oeuvre blijft gelden. De plaat heeft slechts bestaansrecht dankzij 'She's a Rainbow' en het door de latere Led Zeppelin-bassist John Paul Jones georchestreerde '2000 Light Years From Home'. De rest is richtingloos gepiel van een hoog Hare Krishna-gehalte. Wél goed is de uit dezelfde periode stammende single 'We Love You', een onverholen kritiek op het Britse gevangeniswezen, met Lennon en McCartney in het achtergrondkoortje. Manager Andrew Loog Oldham krijgt de bons en wordt vervangen door Allen Klein. Het is een beslissing die de groep zich nog lang zal beklagen.

De Summer of Love is voorbij en The Rolling Stones keren met succes terug naar hun blues- en countryroots. Met de single 'Jumpin' Jack Flash', verschenen tijdens de meirevolte, weet de groep het vertrouwen van de oude fans terug te winnen en herstelt ze haar reputatie van Ultieme Rock-'n-roll-band. Beggar's Banquet verschijnt uiteindelijk met vijf maanden vertraging, omdat het controversiële hoesontwerp voor problemen zorgt. De muziek overklast echter alles wat de Stones tot dusver hebben afgescheiden. Jaggers teksten zijn beter dan ooit en vrijbuitersongs als 'Street Fighting Man', 'Sympathy for the Devil' en 'Stray Cat Blues' worden meteen klassiek. Beggar's Banquet is een reactie tegen de bloemetjes- en bijtjesonzin van de hippiegeneratie, een conceptelpee waarin het rurale Amerika centraal staat. Het werkstuk is opgevat als een imaginaire plaat van Mississippi Fred McDowell, maar dan opgenomen met meer geld en middelen. De akoestische nummers, met veel harmonica en slidegitaar, zoals 'No Expectations' en 'Factory Girl', zijn een regelrechte belevenis. In 'Prodigal Son' klinkt Mick Jagger als een oude zwarte blueszanger, terwijl 'Salt of the Earth' wordt afgerond met een heus gospelkoor. Beggar's Banquet is een eclectische plaat, maar ze klinkt niettemin als een samenhangend geheel. Een hoogtepunt.

Op 9 juni 1969 verlaat Brian Jones de groep, officieel omdat hij zich niet langer kan vinden in de gevolgde muzikale koers. Kwatongen beweren echter dat Jones door de anderen is ontslagen, omdat hij door zijn bandeloze drugsgebruik niet meer in staat is als muzikant te functioneren. Binnen de week wordt hij vervangen door ex-Bluesbreakers-gitarist Mick Taylor, die voor het eerst te horen is op Let It Bleed - het sarcastische antwoord van de Stones op Let It Be van The Beatles. Begin juli wordt Jones dood aangetroffen in zijn zwembad. De decadente single 'Honky Tonk Women' verschijnt op de dag van zijn begrafenis.

Mick Jagger begint intussen een acteurscarrière en is behalve in de Australische film Ned Kelly ook te zien in Performance van Nicolas Roeg. Een openluchtconcert van The Rolling Stones op de renbaan van het Amerikaanse Altamont loopt uit op een drama als een jonge zwarte fan wordt doodgestoken door enkele Hell's Angels, die door de groep zijn ingehuurd om de veiligheid te garanderen. De gouden jaren zestig zijn voorbij: Let It Bleed is dan ook een brutale, provocerende plaat, waarop seks en dood een belangrijke plaats bekleden.

Stilistisch is het een voortzetting van Beggar's Banquet. Luister maar eens naar het bluesy 'Midnight Rambler' of het akoestische, van Robert Johnson geleende 'Love in Vain'. Keith Richard maakt zijn zangdebuut op 'You've Got the Silver' en zijn emotionele, Dylan-achtige frasering contrasteert sterk met de steeds maniëristischer wordende aanpak van Mick Jagger. Toch overtreft 'Rubber Lips' zichzelf in het messcherpe 'Gimme Shelter' en het bittere 'You Can't Always Get What You Want', waarvoor de hulp wordt ingeroepen van The London Bach Choir. Opvallend is ook de in country gedipte unplugged-versie van 'Honky Tonk Women'. Let It Bleed zal niet alleen de geschiedenis in gaan als de beste Stones-elpee uit de sixties; het is een van hun beste platen tout court.

Op de drempel van het nieuwe decennium maken The Rolling Stones hun laatste langspeler voor Decca: een rauwe, compromisloze liveplaat die tijdens twee avonden wordt opgenomen in de New Yorkse Madison Square Gardens. Get Yer Ya-Ya's Out!, dat achteraf in de studio met de nodige overdubs wordt 'gecorrigeerd', moet een tegengewicht vormen voor de eindeloze stroom van bootlegs die inmiddels de markt heeft overspoeld. Mick Taylor heeft het groepsgeluid duidelijk een nieuwe scherpte gegeven en de Stones-versie van Chuck Berry's 'Little Queenie' wordt zelfs een hit.

Wie nog niets van The Rolling Stones in huis heeft en geïntimideerd is door de omvangrijke discografie van het gezelschap, kan zijn/haar voordeel doen met een of meerdere van hun talloze compilaties-voor-beginners. Zo zijn er de twee Big Hits-cd's, respectievelijk High Tide and Green Grass en Through the Past Darkly, die samen 24 essentiële Stones-singles uit de jaren zestig bevatten.

De reeks Hot Rocks, die uit twee dubbel-cd's bestaat, graaft iets dieper. Ze beslaat de periode 1964-1971 en bevat, behalve de obligate hits, ook interessante elpeetracks. Het nadeel is dan weer dat beide sets, respectievelijk met 21 en 25 tracks, niet bepaald het onderste uit de kan halen.

De verzameling met de beste prijs-kwaliteitsverhouding is, zonder enige twijfel, The London Years. Deze box met 58 nummers, gespreid over drie cd's, bevat alle Britse en Amerikaanse Stones-singles en hun b-kantjes uit de periode 1963-1971. Zelfs Mick Jaggers solohit 'Memo From Turner' ontbreekt niet. Dit is dus de collectie die iedere muziekliefhebber in huis hoort te hebben, en een uitstekend vertrekpunt voor wie het Rolling Stones-oeuvre later verder wil exploreren. De echte verzamelaars doen er trouwens goed aan op zoek te gaan naar de oorspronkelijke box met vijf vinylelpees: die bevat als bonus namelijk een 74 pagina's tellend boek waarin alle oorspronkelijke singlehoesjes en de songteksten staan afgedrukt.

Dirk Steenhaut

Alle platen van The Rolling Stones uit de jaren zestig zijn uit op Abkco/London en worden verspreid door Polygram.Voor al deze cd's zijn de oorspronkelijke mastertapes digitaal bewerkt, waardoor de meeste nummers vandaag beter en helderder klinken dan ooit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234