Zaterdag 27/11/2021

Het snelle leven en de vroege dood van een mooie jonge god

In een tijd dat star-quality in dit land nog geen vereiste was om tot een atletiekvedette uit te groeien, was de komst van Fons Brydenbach een verrassing. Het was een cultuurschok. Alsof ook de atletiek ineens sneller, haastiger, driftiger werd, a sign of the times. Tot de komst van Fons Brydenbach was België een subtopper op de lange en middellange afstand, de ‘kleinste grootmacht’, een beetje zoals Nederland in het voetbal. Al in 1948 won Gaston Reiff olympisch goud op de 5000 meter. Daar kwam goud van Gaston Roelants bij op de steeple in 1964, zilver en brons van Karel Lismont op de marathon in 1972 en 1976, zilver van Roger Moens op de 800 meter in 1960, ook zilver van Miel Puttemans op de 5000 meter in München 1972. En dat nog zonder rekening te houden met de vele finaleplaatsen - die toen als ‘normaal’ werden beschouwd - van subtoppers. Wie kent Herman Mignon nog, zesde op de 1500 meter in München 1972. En dan gaan we nog voorbij aan de rest van de eindeloze erelijst van Gaston Roelants, die vier keer de San Silverster Corrida in Sao Paulo won, en meermaals wereldkampioenDoch die rijkdom was beperkt tot de lange afstand, het veld. Atletiek was iets voor bonken met baarden, met Roelants als archetype, voor knoestige kerels, zoals de schonkige Karel Lismont, die al gepensioneerd leek op zijn 21ste, maar marathons won van vroeg in de jaren zeventig tot ver in de jaren tachtig, toen hij haast de veertig naderde. Toen Lismont begon te lopen was er nog geen sprake van Fons Brydenbach. Toen hij stopte, was Brydenbach al lang atleet-af. Net zoals zijn betreurde generatiegenoot Ivo Van Damme trouwens.Maar Van Damme - zilver zowel op de 800 als de 1500 meter in Montréal 1976 - paste nog in het klassieke ‘curriculum’ van de Belgische atletiek: de (middel)lange afstand. Zo is dit land, zo waren onze atleten: een groep van valse tragen. Jongens van het land van ‘pas aan de meet worden de prijzen uitgereikt’. Wie zo’n wijsheid huldigt, weet dat de finishlijn liefst zo ver mogelijk mag liggen. Eerst moeten de playboys uit, de vluggen, de snellen, de mannen met veel speed maar weinig inhoud.En toen kwam Fons Brydenbach. Op het eerste gezicht: een jonge Griekse God. Halfblond, rijzig, ‘good looking and striking’, zoals de Britten zeggen. Echt een kerel voor de 400 meter.De 400 meter - al dan niet met horden - is één van de drie meest archetypische afstanden uit de atletiek. De twee andere zijn de 100 meter - in één rechte lijn rechtdoor - en de marathon: tot de triatlon de ultieme uitdaging, de flirt met de afstand, de uitputtingEn dan is er natuurlijk de 400 meter. Eén keer de volledige piste rond. Het is de koninklijkste van alle sprints. Met een tijd van 44 à 45 seconden, betekent dat: vier keer, bijna voluit, een 100 meter lopen in een tijd van goed elf seconden, tegenwoordig zelf minder. Geen proef waarin de atleten op zoveel afstand van elkaar starten. De beste 400 meterlopers zijn kerels die klauwen tegen het tartan, knauwen aan de afstand, krabben om zich naast en voorbij een ander te krijgen, en knokken tegenHet is een afstand voor grote atleten, schitterende mannenvans, Michael Johnson (met zijn gouden spikes), of de Cubaan Alberto Juantorena.En ineens, ‘onze’ Fons Brydenbach. Als junior won hij alles wat er te winen was. Hij was amper twintig en ‘senior’, zoals dat heet, en werd in 1974 al Europees Kampioen. Hij verscheen op de cover van Vlaamse magazines, in een gele (‘gouden’) trui, versierd met vleugels. Met zijn halflange haar had hij iets angeliek. Maar hij was te robuust om een engel te zijn. Misschien dat hij op een Tolkieniaanse elf leek in zijn jongste jaren, toen hij het slungelachtige van een late post-puberteit combineerde met de Sturm und Drang van een generatie die alles wat ouder dan zichzelf was als passé zag. Zo schitterde Fons Brydenbach.En toch heeft hij ‘het hoogste’ nooit gehaald. In zijn sport wil dat zeggen: een olympische medaille. Deels was dat zijn eigen schuld. Hij haalde de finale in Montréal 1976 en Moskou 1980, en dat waren net twee Spelen waarin veel concurrenten forfait gaven wegens politieke boycots (de meeste Afrikanen in Montréal, de meeste ‘Westerlingen’ in Moskou). Maar hij won geen medaille. In 1976 lootte hij de onfortuinlijke buitenbaan en werd ‘slechts’ vierde. Voor Brydenbach en zijn trainer Mon Van den Eynde was dat best een afknapper, gezien die andere poulain van Van den Eynde, Ivo Van Damme, twee maal zilver pakte. Deels was hij slachtoffer van zijn tijd. In 1980 leek Brydenbach tot op 300 meter de sterkste van het veld, en toen kraakte hij. De Rus Viktor Markin ging hem voorbij, en vervolgens nog anderen. Brydenbach zelf had altijd hetgevoel dat hij niet geklopt was door een stel atleten, maar door en verzameling apotheken. En nadien was het snel voorbij. Het lichaam wilde niet meer mee, en de geest ook niet. Het alras zware lijf van de ooit zo atletische Kempenjongen verraadde al vlug een meer Bourgondische levensstijl.Intussen won Brydenbach ook zijn (top)wedstrijden, in de tijd dat er nog geen Golden League was. In de eerste Memorial

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234