Woensdag 21/04/2021

Het slechte geweten van Europa

Wanneer een cultuur met nieuwe uitdagingen wordt geconfronteerd, kan het leerzaam zijn om inspiratie te putten uit de verhalen die die cultuur mede hebben bepaald. Dat is zeker het geval voor de huidige multiculturele uitdaging, vindt ethicus Koen Raes.

In een aantal opzichten kan men de Europese cultuur als de cultuur van het slechte geweten kenschetsen. Waar we dat slechte geweten duidelijker thematiseren, kunnen we behoorlijk wat leren uit la mauvaise conscience de l'Europe. Nemen we, vooreerst, de meertaligheid van vrouwe Europa, zeg maar, haar versnippering.

Het probleem van het multiculturele samenleven vormt een integrerend bestanddeel van het Europese zelfbewustzijn, als een erfgoed dat is samengesteld uit de brokstukken van de klassiek-Griekse - waarvan een deel ons via de Arabische cultuur bereikte - en de Romeinse, de Frankische en de Germaanse, de Keltische en de Scandinavische beschavingen. Europa deelt grotendeels de Romeinse letters en de Arabische cijfers en heeft de mythe van de toren van Babel (Genesis 11:1-9) - veeltaligheid als een straffe Gods - steeds weer aangegrepen om op zoek te gaan naar de grondslagen van een verloren gegane eenheid. De gehele aarde was één van taal en spraak en dat wilden de mensen vieren door een groots bouwwerk: de toren van Babel. Maar zo'n menselijke hoogmoed was niet naar Gods zin, want aldus zou niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn. Daarom verwarde God hun taal, zodat zij elkander niet meer zouden verstaan.

"Europa", zo stelt Umberto Eco in Europa en de volmaakte taal, "begint met het ontstaan van zijn volkstalen, en de vaak gealarmeerde reactie op hun opkomst tekent het begin van de kritische cultuur van Europa; men buigt zich over het drama van de versnippering van de talen en begint na te denken over het lot van een veeltalige beschaving. Men lijdt eronder en probeert er iets aan te doen: enerzijds door naar het verleden te kijken en te trachten de taal die Adam sprak te achterhalen, anderzijds door vooruit te blikken en te trachten een taal van de rede te construeren met de teloorgegane volmaaktheid van de taal van Adam." Van de oud-middeleeuwse kabbala tot De vulgari eloquentia (1303-1305) van Dante Alighieri, van de Lingua Generalis (1678) van Leibniz tot het Projet d'une langue universelle (1855) van Sotos Ochando krioelt de Europese ideeëngeschiedenis van de ontwerpen van talen die niet alleen de waarheid beter zouden kunnen doorgronden, maar tevens mensen en volkeren dichter bij elkaar zouden kunnen brengen. Voor de (christelijke) godsdiensten mag de oecumenische gedachte dan al vrij recent zijn, voor Europese intellectuelen is ze een eeuwenoud ideaal.

De droom van een volmaakte - gedeelde én universele - taal steekt vooral de kop op wanneer er grote religieuze of politieke verdeeldheid heerst, en daarom is het geen toeval dat vooral in de 'nationalistische' negentiende eeuw tientallen ontwerpen van volmaakte talen het levenslicht zagen. Het Esperanto, gepresenteerd door Ludovic Lejzer Zamenhof in 1887, is daarvan wellicht de bekendste en meest verspreide geworden. Dat het, tussen de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw, op zo'n warme bijval kon rekenen van een Bertrand Russell of een Rudolf Carnap spoort naadloos met hun filosofische projecten, want waren zij immers niet ook op zoek naar een logisch-wijsgerig Esperanto?

Hoewel vaak werd teruggegrepen naar klassieke talen als het Hebreeuws en het Latijn, is het kenmerkend dat de zoektocht naar een volmaakte taal een nieuwe taal hoorde te zijn, om iedere schijn van cultureel imperialisme te ontzenuwen. Europa heeft daar, vooral na de Tweede Wereldoorlog, een belangrijke kans laten liggen, vind ik. Want hoe democratisch het vigerende systeem van 'ieder zijn taal' in het Europees Parlement ook mag lijken, in werkelijkheid worden daarvan alleen de tolken en de dominante talen beter, omdat een ernstig Europees debat bijzonder gemakkelijk in, ja, een Babylonische spraakverwarring belandt en men dan toch maar - zeker in de commissies - overschakelt op het Engels, zoals men in België overschakelt op het Frans om de discussie wat te laten vlotten. Een gedeeld Esperanto als Europese taal, dat dan natuurlijk ook aan alle Europeanen geleerd zou moeten worden, had wellicht meer bijgedragen tot zowel een eengemaakt Europa als tot een grotere bescherming voor kleine taalgemeenschappen, en het had tegelijk de Europese identiteit tegenover de Amerikaanse versterkt. Thans is het hek van de dam en worden het Engels, het Spaans en het Chinees wellicht de lingua franca op wereldvlak, waardoor het lot van alle andere talen toch enigszins precair wordt.

In dat perspectief kan men ook een andere lectuur formuleren van de toren van Babel-mythe waarbij die via God de volkse opstand verzinnebeeldt tegen een opgedrongen universele taal, een opstand van niet alleen de orale tegen de geschreven taal, maar ook van de volkstaal tegen de taal der elites. De Europese veeltaligheid kan in die zin ook worden gezien als een democratisch en volks verzet tegen het universalisme van heersers en intellectuelen, een verzet tegen het eenheidsrijk dat één taal en één cultuur zou opdringen: de cultuur van edelen, handelaren en intellectuelen, van de elite, zeg maar.

Natuurlijk is de culturele versnippering van Europa politiek vooral aangegrepen om er een militaire eenmaking van Europa mee te legitimeren: de legers van Karel de Grote, keizer Karel, Napoleon en Adolf Hitler meenden alle met hun imperialisme een hoger doel te dienen. Des te opmerkelijker is het dat de droom van een eengemaakt Europa op precies de tegenovergestelde manier gestalte kreeg. Vooreerst weliswaar in het kader van de koudeoorlogsdreiging, maar vervolgens toch steeds meer als een eigensoortig project. Dat is van cruciaal belang, want Europa is ongetwijfeld een broeinest (geweest) van het meest rabiate nationalisme en etnocentrisme en van ettelijke volkerenmoorden in naam van een godsdienst, een ideologie, een cultuur. Tegelijk kan men er echter niet aan twijfelen dat de Europese cultuur een eenheid vormt, die altijd al naties en talen heeft overstegen. Europa, dat is de cultuur van de multicultuur.

Hoewel die multiculturaliteit veel sterker een territoriaal gegeven is dan in, bijvoorbeeld, de Verenigde Staten, betekent dat geenszins dat taalgemeenschappen zich als afgezonderde culturen zouden hebben ontwikkeld of opgesloten: de grote artistiek-culturele stromingen mogen dan al specifieke lokale - Vlaamse, Italiaanse, Habsburgse - gouden hoogtijden hebben beleefd, het zijn steeds Europese stromingen geweest, net zoals de feodaliteit een Europese feodaliteit, de Renaissance een Europese Renaissance en het handelskapitalisme een Europees handelskapitalisme waren. Geen Vlaamse gotiek zonder Italiaanse gotiek, geen Engelse barok zonder Duitse barok, geen Franse romantiek zonder Duitse romantiek, geen Franse verlichting zonder Schotse verlichting en ga zo maar door. Telkens werden er wel andere accenten gelegd, maar dat neemt niet weg dat men voortdurend schatplichtig was aan elkaar en soms heel letterlijk leentjebuur speelde. In al haar verscheidenheid springt niettemin ook de eenheid van de Europese cultuur in het oog.

Europa, dat is het continent van de grote imperialistische avonturen, bezettingen en onderdrukkingen, van kolonialisme en roofbouw, het continent met uitgesproken etnocentrische superioriteitsgevoelens. En toch, zo stelt ook Ton Lemaire in Twijfels aan Europa, heeft wellicht geen cultuur tegelijk zoveel belangstelling gehad voor de andersheid van andere culturen dan precies die Europese cultuur en is zij de drager geweest van een cultureel relativisme dat opkwam voor de gelijkwaardigheid van alle culturen. Enerzijds is Europa, zo schrijft hij, "er lange tijd van overtuigd geweest de meest geslaagde belichaming te zijn van menselijke cultuur überhaupt en heeft het andere volkeren daarom ook willen 'beschaven'; anderzijds heeft het, voortgedreven door het principe van negatie, zichzelf tot in zijn fundamenten bekritiseerd en zich gerealiseerd dat er nog een immense afstand bestond tussen de feitelijk bestaande beschaving en de ideale beschaving. Het is dat idee van een 'ware beschaving' dat Europese intellectuelen voor ogen staat wanneer ze op de bovengenoemde manier hun cultuur ontmaskeren".

De Europese cultuur is een cultuur van het onbehagen en van het verlangen de eigen beperktheden te overstijgen. Dat heeft aanleiding gegeven tot twee emancipatorische strategieën. In een eerste vindt emancipatie plaats door zich dankzij 'de' cultuur - de cultuur van de kosmopolitische, rationalistische, westerse verlichting - uit de eigen tradities los te wrikken. In een tweede strategie emancipeert men zich juist door zich af te keren van 'de' heersende cultuur en zich te identificeren met een specifieke lokale cultuur waarvan de verloren gegane authenticiteit teruggevonden en hersteld moet worden: verlichting en romantiek, het zijn levenshoudingen die Europa in de moderniteit voortdurend hebben geïnspireerd. Ook politiek, want is het Europese eenmakingsproces niet parallel verlopen met een groeiende erkenning van de specifieke eigenheid van de cultuur van de Friezen, de Vlamingen, de Basken en de Catalanen? Processen van culturele uniformisering en nivellering gaan hand in hand met processen van culturele diversificatie en van verzet tegen een opgedrongen eenheid. Europa, dat is de 'eenheid in verscheidenheid' in praktijk, het is Herder én Lessing, Montaigne én Condorcet, Hume én Kant.

Van oudsher koesterden Europeanen een antropologische belangstelling voor andere manieren van leven - Europa is de uitvinder van 'het toerisme' - en probeerden zij van daaruit de mensheid beter te doorgronden of, omgekeerd, aan te passen aan hun cultuur. Dat laatste is, zonder enige twijfel, imperialisme van het zuiverste soort. Toch kan dat slechts worden verantwoord vanuit de diepere overtuiging dat alle mensen in beginsel gelijkwaardig zijn. Bekeringsijver overstijgt in al zijn paternalistische betweterigheid het etnocentrisme, omdat het ervan uitgaat dat iedereen potentieel een kind Gods is. Anderzijds hebben Europese intellectuelen sedert Montesquieus Lettres Persanes met evenveel elan de eigen gewoonten en gebruiken te kijk gezet, wanneer men opkwam voor verdraagzaamheid voor de tradities en gebruiken in niet-Europese culturen. Imperialistisch eigenbelang en antropologische empathie, twee keerzijden van dezelfde munt?

Europa, dat is natuurlijk ook het strijdtoneel van godsdienstige schisma's en godsdienstoorlogen, niet alleen tussen katholieken en protestanten maar ook tussen christenen en joden, en gedurende eeuwen niet bepaald een fraai voorbeeld van verdraagzaamheid. Toch is Europa de bakermat van een heel specifieke opvatting van tolerantie geworden, minstens op wijsgerig en juridisch vlak. Hoewel de eerste pleidooien voor een godsdienstvrede wellicht meer met 'gedogen' dan met 'wederzijds respect' te maken hadden - if you can't beat them, tolerate them -, heeft de tolerantiegedachte zich geleidelijk aan ontpopt als een stevige pijler waarop zich later het individuele recht op vrijheid van mening en van meningsuiting heeft kunnen enten. Dat is beslist een uitermate emancipatorische ontwikkeling geweest, omdat zij mensen de mogelijkheid en het recht bood om zich ook tegenover de eigen gebruiken en tradities te positioneren. In een pluralistische cultuur zijn overtuigingen en levensbeschouwingen niet vanzelfsprekend meer en dienen zij met argumenten te worden onderschraagd, wat ongetwijfeld hun diepgang ten goede komt.

In een dergelijke cultuur is men doordrongen van het besef dat er een verschil is tussen 'waarheid' en 'waardigheid'. Enerzijds in de zin dat waarheid geen afdoende grondslag is om overtuigingen desnoods met geweld aan anderen op te dringen, omdat dat in strijd is met de menselijke waardigheid. Anderzijds in de zin dat een levensbeschouwing pas oprecht kan worden beleefd indien zij op vrijheid berust: een afgedwongen overtuiging verliest als overtuiging iedere waarde. Ten slotte in de zin dat de norm van het wederzijds respect een norm is die slaat op intermenselijke verhoudingen en niet op de ideeën die mensen er op na houden: het is niet contradictorisch om iemand te respecteren en niettemin diens overtuigingen grondig te betwisten.

Vanuit die historische ervaringen is Europa bijzonder goed uitgerust om nieuwe multiculturele uitdagingen, zoals de integratie van de islamgemeenschap binnen de Europese cultuur, aan te gaan, zonder dat zij in een 'clash of civilisations' (Samuel Huntington) ontaarden. Maar dat veronderstelt in de eerste plaats, zoals gezegd, dat een onderscheid wordt gemaakt tussen tolerantie als intermenselijke norm, gebaseerd op wederzijds respect, en de waarheidsaanspraken die worden beschermd door het recht op vrijheid van meningsuiting. Tolerantie veronderstelt allereerst dat andersculturelen als volwaardige leden in de Europese Gemeenschap worden geïntegreerd, met name door hen, als burgers, alle politieke participatierechten te verstrekken. Pas dan heeft een interculturele dialoog tussen cultuurgemeenschappen over de grenzen van het multiculturalisme én zin én kans op slagen.

Bij uitgeverij Pelckmans verscheen zopas 'Verschaalde waarden. De onmin in een cultuur', een selectie van de essays van Koen Raes.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234