Maandag 19/04/2021

‘Het schrijven is mijn reddende touw geweest’

undefined

Remco Campert: “Ik laat me meestal voortwaaien. Mijn mening kan van dag tot dag verschillen, net als het beeld dat ik van mezelf heb. In confrontaties met de buitenwereld ben ik nog steeds nerveus. Een grote onzekerheid maakt zich van mij meester als mij naar mijn mening over iets gevraagd wordt, of om enig inzicht over mijzelf te geven. In mijn boeken en gedichten geef ik veel van mezelf prijs. Maar zelfs tegenover mijn beste vrienden vind ik het lastig om mij uit te spreken. Blijkbaar wil ik iets voor mezelf houden. Een buffer, tussen mij en de verwarrende werkelijkheid.“Omgaan met de anderen vond ik lang heel moeilijk. Ik had geen vriendjes op de lagere school. Meisjes durfde ik al helemaal niet aan te kijken. Ik was de enige in de klas met een bril. Een bange jongen was ik. Voor mensen, voor situaties, voor de volwassen wereld. Daar ben ik nooit aan gewend geraakt. Een verlegen, stille jongen met een brilletje. Mijn vader was al vroeg dood, en toen hij nog niet dood was, was hij er nooit. Mijn moeder was actrice, ze was veel op tournee. Mijn ouders zijn al vroeg gescheiden. Ik werd verzorgd door een huishoudster, later door bevriende families. Er was geen bodem in mijn bestaan, en dat gevoel van verweesdheid is nooit overgegaan.“Een doorsnee-jongensdromendromer was ik. ’s Avonds in bed was ik de radioverslaggever die verbaasd uitriep hoe die mirakelse voetballer Campert het ene doelpunt na het andere scoorde. Han Hollander. Wereldkampioen boksen ben ik ook nog even geweest. Dat was in de tijd van de wedstrijden tussen Max Schmeling en Joe Louis. Maar buiten de sport droomde ik niet. Nooit heb ik de droom gehad dat ik een schrijver was, zoals mijn vader.”Januari 1943voor Joekie BroedeletIk liep over het karrespoorop een krakende winterdagmijn moeder kwam me tegemoetfiguurtje in de vertede nacht ervoor droomde ikdat ik een scheepje zeilen deedmijn hand streelde het kroosin de blikkerende sloothet scheepje zeilde naar de overkanten raakte klem in het oevergrasik keek op en zag mijn vader staanhij stak zijn arm door het prikkeldraadhij keek me smekend aanmijn vader vroeg aan mij om brood(uit: ‘Scènes in hotel Morandi’, 1983)“Veel van mijn klasgenoten op het Amsterdams Lyceum waren joods, hadden ondergedoken gezeten of waren uit de kampen teruggekeerd. Vroegrijp, ouwelijk, ontheemd. Oorlogsslachtoffers, eigenlijk. Een onderbroken jeugd hadden we allemaal. We wilden zo snel mogelijk de oorlog vergeten. De buitenwereld lokte. In de jazz klonk het nieuwe geluid. Daar hoorde ik bij, dat wist ik meteen toen ik het hoorde. Enorm opwindend. Ik moest de stad in. Amsterdam kwam tot leven. Naar Sheherazade, waar de jazzconcerten waren. De eerste drank naar binnen gieten. Een jongen die ik kende, kreeg van zijn oom uit New York de nieuwste lp’s opgestuurd. Charlie Parker, Thelonious Monk, Dizzy Gillespie. Zo anders dan de bezadigde klassieke muziek waar de rest naar luisterde. Je moet je voorstellen: Bernard Haitink zat bij mij in de klas, Bert Schierbeek speelde viool toen ik hem leerde kennen.”

Ontgroeningen

“Veel ontgroeningen ben ik ontlopen. Ik ben vroegtijdig van school gegaan. School was voor mij een verschrikking. Ik heb ook nooit gestudeerd. Er zijn daardoor nogal wat lacunes in mijn kennis. In het gebouw Campert ontbreken nogal wat stenen die ik er niet meer in kan metselen. De laatste jaren voel ik daar wat spijt over. Legerdienst heb ik ook nooit hoeven te doen. Dat vond ik niet zo heel erg. In 1948 werd ik opgeroepen. Ik zag er enorm tegenop. In zo’n kazerne, met al die onbekende jongens, uit het hele land. Ik was blij dat ik werd afgekeurd. S5 kreeg ik: psychisch labiel. Dat had met de oorlog te maken, en met de dood van mijn vader. ‘Maar u kunt wel altijd nog worden opgeroepen als hospitaalsoldaat’, zeiden ze erbij. Tijdens de Cubacrisis, bijna vijftien jaar later, kneep ik ’m behoorlijk, want ik kan natuurlijk nog geen pleister aanbrengen.“De eerste keer dat ik met een meisje naar bed ging, was een grote stap in mijn leven. Een ontgroening zoals het ooit moet zijn bedoeld. In het buitenschoolse had ik Guus Gallis leren kennen, een helaas veel te jong gestorven jazzpianist. Via hem ontmoette ik Fréderique, een prachtige meid, en de jonge Aatje Veldhoen, toen al een geniaal talent. Ik werd verliefd op Fréderique, maar dat was Guus ook. En Aatje ook, maar die was pas veertien. Ze had vaak een vriendin bij zich, die lang niet zo mooi was als zij, en ik had me er allang bij neergelegd dat die dan wel voor mij zou zijn. Dus toen Fréderique meer interesse voor mij bleek te hebben dan voor de anderen kwam dat als een volstrekte verrassing voor mij. Dat was een enorme sprong voorwaarts. Een bevrijdende ervaring. Voor het eerst had ik het gevoel dat ik de wereld aankon.”de eerste keer zweette ik als een otterin zo’n worstelingonbehouwen en tederbewoog mijn lichaam eerder nietin het zoete bloedvan onze stukgebeten mondenkwamen zoals nooit meer laterlust en liefde samen(uit: ‘Nieuwe herinneringen’, 2008)“Een ander belangrijk moment was de ontmoeting met de Vijftigers. Achttien was ik. Voor het eerst had ik het gevoel dat ik ergens bij hoorde. Ik ben bij Bert Schierbeek en Lucebert in één huis gaan wonen. Zij waren ouder dan ik, waren al schrijver, kunstenaar. Hadden daar ook voor geleerd, dacht ik. Ik vroeg me vertwijfeld af hoe ik aan mijn geld zou moeten komen. Ook mijn moeder maakte zich toen grote zorgen. ‘Wat wil je dan?’ Geen idee. Ik had geen diploma. Ik wilde niets. Wat ik zou moeten willen, wist ik evenmin. ‘Ik zal dus nooit geld kunnen verdienen’, stelde ik op een dag tot mijn schrik vast. Nachten heb ik daarvan wakker gelegen. Een paniek die duurde tot ik voor het eerst in een literair tijdschrift publiceerde. ‘Zou ik schrijver kunnen worden?’ Een gedachte die ik voordien niet eens durfde af te maken. Direct kwam daar de angst bij dat ik misschien wel een slechte schrijver was. Dat leek me geen leuk leven. Ja, de vaste grond onder mijn voeten heeft erg lang op zich laten wachten.

Dubbele eenzaamheid

“Vanaf mijn twintigste had ik zo’n vijfentwintig jaar onafgebroken geschreven en opeens was het op. Als ik voor mijn schrijfmachine ging zitten, voelde ik afkeer. En juist toen ging ik schrijvers lezen die ontmoedigend goed waren. De boeken van Nabokov, die mij vroeger altijd inspireerden, deden me beseffen dat ik nooit zo goed zou worden als hij. De werkelijkheid hield plots onbarmhartig huis. Mijn huwelijk was op de klippen gelopen. In relaties ben ik nogal een stoethaspel geweest. Ik woonde alleen, ik dronk veel te veel. Er werd me een baantje als redacteur op de uitgeverij aangeboden. Manuscripten van andere schrijvers beoordelen. Dat verveelde al gauw. Het meeste wat ik lezen moest, vond ik, eh, niet heel geweldig. Steeds vroeger op de dag verdween ik de kroeg in, een belangrijke afspraak met een al even belangrijke collega voorwendend. Ik was mijn vrouw kwijt en ik was mijn schrijven kwijt. Een dubbele eenzaamheid.“Doorzakken met vrienden, nachtenlang. Wankelend naar huis door ontwakend Amsterdam. Drie nachten achtereen doorhalen, gevierd als een prestatie van formaat. Het leidde tot niets, een idiote combinatie van uitbundig plezier en intense wanhoop. Feesten op de rand van de afgrond. Ik stond op een richel, en kon niet naar boven en niet naar beneden. Een gestold moment. Ik moest mezelf het reddende touw toewerpen. Het schrijven is mijn touw geweest. Sindsdien ben ik het veel serieuzer gaan nemen en heb ik mijn grenzen leren accepteren. Oog in oog met de zwarte diepte heb ik een inzicht gekregen dat me nog altijd begeleidt. Het heeft me ervoor behoed te eindigen als een gefrustreerd, aan drank en andere middelen verslingerd miskend talent. Tot dan was ik de veelbelovende jongeling Remco Campert geweest. Alles wat ik aanraakte werd goud. ‘Grenzeloos egocentrisch’ was niet voor niets de titel van een gedicht dat ik in die periode schreef. Mijn poëzie is, veel meer nog dan mijn proza, te lezen als mijn autobiografie. Ik realiseerde me gelukkig op tijd hoe het met mij zou kunnen aflopen. Een romantisch ten ondergaan in een orgie van vrouwen, drank en gekweld dichterschap. Filmisch gezien een prachtig einde, maar ik hield iets te veel van het leven. Op een dag werd ik wakker en was het voorbij, zoals de zon weer opkomt na een zware, doorwaakte nacht.“Ik was zo gewend geraakt aan het alleen zijn dat het contact met de anderen bedreigender werd dan de zelfverkozen eenzaamheid. Dat heb ik eigenlijk nog. Maar er is in de loop der jaren iets veranderd. Ik herberg een niet te ontkennen oergevoel als het over mijn dochters gaat. Vroeger dacht ik dat te kunnen ontvluchten, met ongetwijfeld mijn vader als schimmig voorbeeld. Lange tijd heb ik kinderen beschouwd als toevalligheden in het leven. Gelukkig is die gedachte geweken. Toen ik kinderen kreeg, bleek ik niet bij machte de boel bij elkaar te houden. Dat vind ik nog altijd geen wapenfeit. Een tijdlang lukte het me om de verantwoordelijkheid te dragen, om als huisvader het geld binnen te brengen. Maar het was een onnatuurlijke rol, ik was te veel met mezelf bezig om het vol te houden. Ik ben gevlucht. Die kortstondige weerzin tegen het schrijven had daar alles mee te maken. Ik was weggegaan uit een gezin met kinderen. Een onrustig spijtgevoel vrat aan me, omdat ik mijn kinderen in de steek gelaten had. Dat drink je niet weg. Dat knaagt nog steeds een beetje, al weet ik nu dat ik toen niet anders kon. Mijn kinderen weten dat nu ook. Ik heb een goede relatie met hen. We lopen de deur niet bij elkaar plat, maar we voelen op een instinctieve manier dat we bij elkaar horen. Ze zitten in mijn kop, ze zitten in mijn hart. Altijd.”

Telkens iets langer afscheid

“Ik ben oud. Bijna tachtig is oud. Punt. Ik hoop van harte dat ik nog veel ouder word. Ik neem graag een voorbeeld aan mijn vriend Henk Hofland. Hij is een paar jaar ouder dan ik, werkt nog als een paard. Helder van geest, niet stuk te krijgen. Henk wordt stokoud, dat kan bijna niet anders. En ik wil daar graag bij zijn. We gaan nog regelmatig samen uit eten, en elke keer houden we er vaag rekening mee dat het misschien wel de laatste keer kan zijn. Op onze leeftijd houdt dat ons bezig. De dood is natuurlijk altijd dichtbij, maar dat besef groeit als je ouder wordt. Dus nemen we telkens iets langer afscheid, al bezweren we dat het natuurlijk niet de laatste keer is. Maar, je weet maar nooit.”Op de OvertoomHet dooit op de Overtoommaar het vriest ook alweer opmelden mijn voetendie mijn dag verlopenik blijf dicht bij huissteeds dichterdat is mijn leeftijdwolken worden zwaarder van onkleurde geur van gisteren hangt nog aan meik at met mijn vriendwe braken het brooden deelden de dodenwe zijn al bijna uit zichtwij lachen nogwat moet je anders?Omhelzen elkaar ten afscheidMisschien je weet maar nooit(uit: ‘Nieuwe herinneringen’, 2008)“Nog altijd ben ik opgelucht, verwonderd bijna, als ik merk dat mijn werk in de smaak valt. Natuurlijk weet ik zo onderhand wel welke reacties ik verwachten kan, en van wie, maar de twijfel is nooit minder geworden. Ik schrijf natuurlijk niet enkel om bevestiging te zoeken. Het gaat mij om die telkens opnieuw beginnende zin in het schrijven, en daarmee ook de zin in het leven. Die twee vallen steeds meer samen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234