Vrijdag 07/10/2022

Het rijke, volle leven in de riolen

Was het de wondere geur van olieverf en pijptabak die Otto Dix (1891-1969) in de klauwen van de kunst dreef? De jongen poseerde af en toe voor een neef van zijn moeder en kreeg de smaak te pakken. Hij holde naar de Kunstgewerbeschule van Dresden, dweilde musea af en volgde trouw het parcours van de aankomende artiest. Dix keek op naar het geweld van Kirchner en zijn expressionistische groep Die Brücke of naar de Italiaanse futuristen: had Herwarth Walden, de goeroe van de modernen, Marinetti's ophefmakende manifest niet in zijn blad Der Sturm gepubliceerd? In 1912 bezoekt Dix de grote Van Gogh-expositie in Dresden en raakt er in de ban van zelfportretten. Zijn leven lang zal hij er schilderen, almaar opnieuw. 'Telkens stel ik verbaasd vast: wat je daar maakt, dat ben jij niet. Een mens heeft zoveel verschillende gezichten.' Kunst is ook een onderzoek naar hoe de wereld er zou kunnen uitzien.

Eric Min

Moet je het eens zijn met de resultaten van Dix' speurtocht naar het wezen van de menselijke soort? Wie in het Brusselse stadhuis tussen de groteske personages van zijn olieverfschilderijen wandelt, waant zich een leesteken in een dadaïstisch vers, een paukenslag op een trommelvlies. Alles wankelt, niets is nog rustig. De man die "de moed wilde hebben om het lelijke en het volle leven te schilderen", maakte 'ontaarde' kunst zoals de nazi's zich die graag voorstelden. In 1933 trapten ze Dix dan ook uit de Academie voor Schone Kunsten van Dresden, waar hij als leraar werkte. Tweehonderd zestig van zijn werken werden uit Duitse verzamelingen geplukt en verkocht of verbrand op het binnenplein van de Berlijnse brandweerkazerne. In 1921 had zijn doek Jong meisje voor een spiegel hem al een proces opgeleverd wegens "verspreiding van obscene en schandalige beelden", maar hij werd vrijgesproken na een betoog van zijn vriend de schilder Lovis Corinth.

Is het alleen maar baldadigheid, provocatie, jong en hitsig geweld? Ik denk het niet. Misschien wás de wereld wel schots en scheef - geen plaatje uit de gewijde geschiedenis maar een helse ets, in zuur gedrenkt. In 1914 trok Dix, samen met ontelbare andere kunstenaars en intellectuelen, naar het front om zelf te ondergaan wat hij zo graag wilde ervaren: de smaak van wat echt was, de feesten van angst en pijn die de moeë mens weer tot zichzelf zouden brengen. Vandaag kunnen we nauwelijks geloven dat heel wat verstandige jongelui uit de generatie van Louis-Ferdinand Céline gretig achter vlaggen marcheerden en de oorlog begroetten als een 'bevrijdende kracht'. De befaamde rechtsdocent Von Gierke orakelde dat geweld niet alleen vernietigt "maar ook nieuw leven brengt... De kracht die een beschaving aan stukken rijt, maakt tegelijk plaats voor een andere" - het was een roes van opwindend, futuristisch gewauwel, een teken van de tijd.

Artiesten als Dix waren nieuwsgierig, gulzig naar impulsen die het burgerdom op zijn grondvesten lieten trillen en hun kunst een nieuwe wending gaven: "Ik wilde het allemaal zelf zien. Ik ben een man van de werkelijkheid, ik moet de wisselvalligheden van het leven aan den lijve ondervinden. Daarom heb ik mij aangemeld als vrijwilliger." Of: "De oorlog is vreselijk en toch subliem. Ik moest erbij zijn. Om de mensen een beetje te leren kennen, moet je ze in ontketende toestand gezien hebben."

Toch dweept Dix niet met gratuit geweld. In Brussel zijn enkele schetsen uit de oorlogsjaren te zien die het dagelijkse leven (en de dagelijkse dood) in de loopgraven weergeven. Als een opgewonden verslaggever heeft hij de werkelijkheid vorm gegeven in vrij neutrale en beschrijvende aantekeningen of in expressionistisch en futuristisch aandoende experimenten. Later, wanneer hij weer thuis is, zal hij een cyclus van tientallen wrange en ondraaglijk morbide oorlogstaferelen maken. De verschrikking had wat tijd nodig.

In Brussel wordt een selectie uit Der Krieg (1923-'24) getoond. We ruiken dood en ontbinding in de modder, de stank van de schedelplaats. De kraters van Langemark. Een verlaten positie nabij Vis-en-Artois. Soldatenhoeren in Brussel. "Het bataljon heeft het bevel gekregen het vuren te onderhouden."

Na de grote oorlog zou alles anders zijn: nog rauwer, stukgescheurd. Het dadaïsme tolde de Berlijnse straten in. Dix trok op met George Grosz en zijn vrienden. In het reusachtige drieluik Metropolis (1927-'28) strompelt een oorlogsinvalide over de straat, terwijl lichtekooien paraderen en madammen in transparante onderjurken met dandy's dansen; er is negermuziek en sigarettenrook en de mensen lijken gehavende harlekijnen uit een gestoorde dansvoorstelling - "Losgelaten de late driften, de duizend-en-éen-nacht wensen, de jacht naar rijkdom, de jacht naar glorie, de jacht naar liefde, vooral de jacht naar liefde, bij koninklik besluit weer open verklaard" (Van Ostaijen). In Dusseldorf tekent Dix bordelen met verlepte, meelijwekkend lelijke vrouwen - lijven van lillend, taai vlees en gebarsten borsten. "Voor mij was het een opluchting te weten dat het leven zo was, dat niet alles rozengeur en maneschijn kon zijn."

In de weelderige jaren twintig realiseert hij portretten die de iconen van de Nieuwe Zakelijkheid zijn geworden, zoals het schilderij waarop de mannelijk ogende journaliste Sylvia Von Harden poseert; dat essentiële doek is in Parijs te zien en kwam helaas niet naar België. Alle zeventig werken die in het Brusselse stadhuis geëxposeerd worden, maken deel uit van het schitterende ensemble dat de directeur van de stedelijke kunstgalerie van Stuttgart na de tweede oorlog van de verarmde Dix heeft gekocht; de man hield niet van de in die dagen woekerende abstracte kunst en wou de oude schilder helpen.

De collectie, die een vrij volledig beeld van Dix' productie schetst, omvat gelukkig ook enkele fraaie portretten: de acteur Heinrich George bijvoorbeeld (met zijn Latijnse opschrift oogt het doek als een werk uit de Renaissance), mevrouw Martha Dix of de danseres Tamara Danischewski. Het is niet alleen het gelaat van de modellen dat de hoofdrol speelt; hun handen zijn minstens even expressief. De pose en vooral de afwerking van de schilderijen doen dan weer klassiek aan. Dix gebruikt de glacistechniek, waarbij heel dunne verflagen op elkaar worden aangebracht zodat de kleuren bijna transparant lijken. De man die de riolen in ons hoofd in beeld bracht, is eigenlijk een Duits meester uit de traditie van Dürer of Cranach.

En gaat de kunst in die dagen niet almaar over de stad en het stedelijke? Denk aan Masereel, Van Ostaijen, Kurt Köhler, Grosz, Boccioni, Weill, Brecht. Ook Otto Dix raapt zijn modellen op in de kroeg en in de goot. Het zijn intellectuelen, invaliden en dellen. Wanneer Hitler aan de macht komt, vlucht de kunstenaar naar Singen, daarna naar de oevers van het Bodenmeer en ten slotte naar een huis bij de Zwitserse grens... naar buiten dus. Noodgedwongen schildert hij er landschappen, maar het 'werkt' niet. "De schoonheid van de natuur in mijn ballingsoord is niet mijn ding. Ik heb de stad nodig. In de natuur voel ik mij verloren." Later zal hij zelfs bijbelse taferelen vervaardigen en iets als gemoedsrust vinden.

Nooit beklimt Dix een barricade; ideologische disputen kunnen hem gestolen worden. Opstand, onrust, geweld, bitterheid en walg spelen zich af op de planken van het theatertje in zijn hoofd - niet op straat. Al in 1919 weigerde hij lid te worden van de communistische partij: "Val mij niet lastig met uw dwaze politiek. Ik ga nog liever naar een bordeel." Dat is een romantische repliek van iemand die o zo graag de rol van kunstenaar speelde, ja. Maar is niet alle romantiek ook tragisch, zoals lust alleen maar eeuwigheid wil en onmachtig naar herhaling haakt, genoegen neemt met een zandkorrel omdat het strand niet in het valiesje past?

Geen contrast kon groter zijn dan de confrontatie van Dix' oeuvre met de pronkzalen van het stadhuis ('Attention sol ciré/Opgepast pas geboend'). Wat hier te zien is, doet zeer. Had de kunstenaar Nietzsches aforisme "de waarheid is lelijk" niet tot zijn motto gemaakt? Op een foto uit 1920 kijkt hij uitdagend in de lens, met gepoederde wangen en rood aangezette lippen. Veertig jaar later poseert hij met een lauwerkrans, als een oude Romeinse keizer.

Altijd heeft hij het laatste woord. Niets wordt ons bespaard, en zoveel agressie zijn we niet meer gewend. Een zwangere vrouw (1930) heeft niets teders; haar bolle buik verbergt een verontrustend verhaal. Een non wordt door een soldaat verkracht (1924): we zien de ontzetting in haar ogen. Wanneer Otto Dix de melancholie in beeld brengt, krijgt de klassieke schedel wel een plaatsje op de plankenvloer. Het licht van de ondergaande zon valt echter op het ongenadig blote lichaam van een vrouw die haar evenwicht kwijtraakt en een krampachtige pose aanneemt, terwijl een mannelijke gestalte zich van haar afkeert. Het ontwerp voor Die sieben Todsünden (1933) is een tekening uit een hels stripverhaal, een boze droom van een kind dat de slaap niet kon vatten en dan maar kunstenaar werd.

De tentoonstelling loopt tot 7 juli in het Stadhuis van Brussel, Grote Markt (02/279.64.71). Ze is van dinsdag tot zondag geopend van 11 tot 18 uur (donderdag tot 19 uur). De toegangsprijs bedraagt 200 frank. De mooie catalogus is tweetalig (Frans/Duits) en kost 1.150 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234