Woensdag 30/11/2022

Het rijk der tekens

Jan Lauwereyns' 'Nagelaten sonnetten': het beste poëziedebuut sinds Paul Bogaert

Dirk van Bastelaere

In haar essaybundel Poetry On & Off the Page (1998) maakt de Amerikaanse poëziecritica Marjorie Perloff zich vrolijk over de recente toevloed van 'handboeken' voor postmoderne literatuur, bijvoorbeeld Brenda Marshalls Teaching the Postmodern (1992). Wat deze publicaties onder meer typeert, zegt Perloff, is dat ze radicale theoretische denkbeelden herleiden tot lijstjes met regels en voorschriften.

Het postmodernisme is nog altijd sexy. Het symbolische kapitaal dat aan het keurmerk vastzit is aanzienlijk en de schrijver die het toegekend krijgt, geldt als bij de tijd, virtuoos, uitgekookt en mondain. "Dit is de eeuw van de porno." Been around, seen it all. Nu de kenmerken van 'het' postmodernisme in keurige lijstjes zijn ondergebracht kan een beetje ambitieus schrijver à la carte een pomotekst uit zijn pc jagen. Discontinuïteit, nieuwe medi@, scheutje pastiche, subject wat decentreren, beetje kitsch, zwarte humor en porno, per pagina een citaat, pardon: sample of twaalf en hup, here we go. En als de kritiek de term haast gedachteloos gebruikt, mogen we haar dat niet kwalijk nemen. Zij heeft die lijstjes ook maar van buiten geleerd.

In de beeldende kunst leidde dit soort marktconforme producties tot wat Hal Foster "the art of cynical reason" noemt. Kunstenaars als Peter Halley, Ashley Bickerton en Haim Steinbach, die de mechanismen van de kunstmarkt minutieus hebben geanalyseerd, produceren met het oog op die markt uiterst berekend werk dat vormen, strategieën en retoriek van zijn voorbeelden overneemt. Het resultaat is een soort plastische metataal die tot pure conventie is verworden. Van een kritiek op de representatie bij Richard Prince en Sherrie Levine belanden we met Bickerton direct in een posthistorische simulatie, in een fetisjisme van de betekenisdrager.

Het is een ontwikkeling waaraan mutatis mutandis ook de microcultuur van de Vlaamse poëzie niet ontsnapt. Recent zijn dichters als Miguel Declercq en Paul Demets nog in het slop van de simulatie geraakt. Terwijl diverse postmoderne stromingen de afgelopen dertig jaar tal van mutaties hebben ondergaan, imiteren Declercq en Demets (al dan niet uit berekening) een aantal particuliere interpretaties van een aantal postmoderne probleemstellingen die in de tweede helft van de jaren tachtig in de Vlaamse poëzie tot stand kwamen. Vreemd toch dat beiden niet de stijl imiteren van bijvoorbeeld Charles Olson, de L=A=N=G=U=A=G=E-poets (Westkust/Oostkust) of Christophe Tarkos, wier invulling van 'het' postmodernisme historisch en theoretisch sterk verschilt van de Vlaamse. Postmoderne poëzie is geen monocultuur.

Gelukkig kan het ook anders. Neem Nagelaten sonnetten, het erg interessante poëziedebuut van Jan Lauwereyns (°1969). Terwijl de uitgangspunten van schrijvende germanisten als Declercq en Demets intussen gemeengoed zijn geworden en niet langer gelegitimeerd hoeven te worden, geldt dat niet voor de poëzie van Lauwereyns. Die is psycholoog van opleiding en doctoreerde, na een verblijf aan het Psycholinguistics and Visual Cognition Laboratory van Michigan State University, in 1998 aan de K.U.L. op het proefschrift 'De intentionaliteit van visuele selectieve aandacht'. Daarin onderzocht hij welke visuele informatie onder gegeven omstandigheden voor verdere verwerking wordt geselecteerd en hoe we onze visuele waarneming doelgericht kunnen sturen. In Lauwereyns' vakgebied, visuele kennisverwerving, gaat men na hoe we dingen als mixers, giraffen of vliegtuigen herkennen, hoe we alledaagse decors zoals een keuken of een speeltuin waarnemen en hoe processen zoals benoeming, verbazing, informatie-encodering en classificatie in hun werk gaan.

Een fundamentele rol is ook weggelegd voor de bestudering van oogbewegingspatronen, die veel vertellen over visuele kennisverwerving in het algemeen. Zelf publiceerde Lauwereyns in het International Journal of Human-Computer Studies een bijdrage over 'de oogbewegingen van de poëziecriticus als informatie-instrument voor kennisverwerving in poëziekritiek'. Van een criticus die hardop een paar gedichten analyseerde, werden de oogbewegingen geregistreerd. Controlesubjecten die het correcte parcours van zijn oogbewegingen als leidraad kregen, bleken in staat om meer parafrases van het gedicht te geven dan subjecten wie een vals parcours werd voorgelegd. Of het allemaal klopt, laat ik buiten beschouwing, maar geestig is het wel en bovendien biedt het oogbewegingstracé ons een beetje aparte entree in Lauwereyns' poëzie.

Soms is dat tracé vrij onproblematisch, zoals in het gedicht 'Verslaggeving', waar het oog zich van het ene voorwerp naar het andere beweegt: "Bessenstruiken tieren welig op eenzame hoogte. / Tekens van samenleving schokschouderen aan / de voet van de berg. Twee telefoonpalen staan / op een steenworp van elkaar en ook de rood- / bruine zandweg heeft verder niks te zeggen."

Hoewel dit op het eerste gezicht een vrij neutraal 'verslag' is van de beweging die de blik over een berghelling maakt, is er veel interpretatie in het spel. De objecten die herkend werden als "struiken", "tieren" namelijk "welig". Van niet nader te bepalen "tekens van samenleving" is de beweging zo onbeschrijfbaar dat alleen een metafoor uitkomst brengt: ze "schokschouderen". En dat de schijnbaar onproblematische visuele observatie eigenlijk meer met het lezen of beluisteren van een taal te maken heeft, blijkt uit het feit dat de roodbruine zandweg "verder niks te zeggen heeft". Wie via het kijken kennis wil verwerven, moet de tekens van de wereld leren lezen.

In het gedicht 'Uit het wandelingenboek' is dat niet anders:

"Twee zwanen waren in de herfst aan het dansen. Bij nader inzien was het vooral de hals van de ene, het tot geduld aanmanende vrouwtje, die danste met de andere, die zich in het gerimpel van water bevond. Zijn zwemvliezen gingen daarbij hard heen en weer, dat kon je wel denken."

Eerst heb je de beweging van de zwanen, die geïnterpreteerd wordt als "dansen". Dan wordt de blik bijgesteld en zoomt hij als het ware in op de scène: niet de zwanen dansen, maar hun halzen. In haar overdrachtelijke betekenis van 'begrijpen' geeft de uitdrukking "bij nader inzien" perfect de gelijktijdige actie aan van kijken en interpretatie, van het kijken als interpretatie. Dat wordt nog onderstreept door het rimpelende water, dat als een indexicaal teken wordt gelezen (zoals rook een index is van vuur). De rimpels zijn namelijk een zichtbaar teken van de onzichtbare, trappelende zwemvliezen die de beroering van het wateroppervlak veroorzaken.

De bij een eerste lectuur schijnbaar eenvoudige gedichten van Lauwereyns hebben soms duizelingwekkende gevolgen. Neem de opening van 'Italiaanse haven': "Enkele wolken, een karveel, drie streepjes / zon uit het oosten, en een vloer met geen / twee tegels naast elkaar in dezelfde kleur. Een windhond met snuit landinwaarts. Ik / meen mij ook een kromgetrokken zwaard / te herinneren."

Ook in deze 'beschrijving' van een scène functioneert het oogbewegingstracé van de spreker als structurerend principe. Je bekijkt een scène waarin je een aantal objecten waarneemt (een hond, een karveel, wolken). Van die waarneming is de opening van het gedicht een soort protocol, wat tot gevolg heeft dat in deze verzen niet naar de haven zelf wordt verwezen, maar naar de (fragmentaire) waarneming ervan. Andermaal het bewijs dat de referentiële functie van de taal bijzonder problematisch is. De taal verwijst niet naar de werkelijkheid, maar naar onze waarneming ervan. Bovendien is de kans groot dat deze scène zich niet in het heden afspeelt, er is immers een karveel te zien. Zeer waarschijnlijk gaat het hier dus om een schilderij van een Italiaanse haven. En er is nog meer: "Ik / meen mij ook een kromgetrokken zwaard / te herinneren," zegt de spreker. De beschrijving stoelt dus op een herinnering, die ook nog eens erg twijfelachtig is.

Geresumeerd: de opening van 'Italiaanse haven' is eigenlijk een schriftelijke interpretatie van een niet zeer betrouwbare herinnering aan de fragmentaire waarneming van een geschilderde interpretatie van een Italiaanse havenscène. Of hoe achter een bedrieglijk eenvoudig titeltje als 'Italiaanse haven' een storm van différance opsteekt. Dit uitstel, dit uitdijen van het schrift komt bijna letterlijk aan bod in 'Inktzwam': "Schrijf wat zei jein het zwarte vocht / van oude viezigheid. Schrijven is hem / verspreiden. De sporen zitten in de inkt."

Hoezeer onze kennis het resultaat is van een na de waarneming komend, linguïstisch proces, van de taal als interpretatie van de wereld, blijkt uit 'Windhond'. In dat gedicht bevinden de spreker en een niet nader omschreven jij zich in "de ijdele tuin", vanwege de druk beoefende vormsnoei waarschijnlijk een Japanse tuin. Voor het oog zijn die gesnoeide vormen multi-interpretabel: "In de heester groeit een leeuw / of krimpt een wolf in tot iets hachelijks / en uit de tijd. Een windhond, wat ik wil." Niet de perceptie dringt ons hier een inhoud, een betekenis op, maar andersom. De amorfe, voor interpretatie openstaande snoeivorm van de heesters krijgt pas betekenis wanneer de ik hem met zijn taal vult.

De problematische verhoudingen tussen visuele waarneming, taal en kennis vormen onmiskenbaar een belangrijk thema van deze Nagelaten sonnetten. Er wordt nogal wat gefotografeerd, er worden nogal wat scènes ge(re)construeerd en zelfs de nadrukkelijkste literaire verwijzing roept associaties op met perceptie en fotografie. Nagelaten sonnetten, de titel van de bundel, verwijst namelijk naar de Franse dichter Charles Cros (1842-1888), een tijdgenoot van Rimbaud en Verlaine die veelal tussen de romantiek en de Parnasse wordt gesitueerd, maar die ook opmerkelijk wetenschappelijk onderzoek heeft verricht naar perceptie, de classificatie van kleuren en kleurenfotografie (1878).

Het ligt niet voor de hand dat iemand met Lauwereyns' achtergrond gedichten gaat schrijven. Het ligt evenmin voor de hand dat dat dan ook nog goede, subtiele en erg interessante gedichten zijn. Ik heb verwijzingen naar visuele kennisverwerving aangegeven, maar niet die naar Japan. Ik heb nog niet gewezen op de enigszins aparte stijl van Lauwereyns, die soms een beetje onhandig aandoet (een beetje art brut), maar daardoor perfect aansluit bij zijn vaak elliptisch geconstrueerde gedichten. Ik heb het ook nog niet over Lauwereyns' subtiele ironie gehad of over de schoonheid van versregels als "Rechts / is een hand met wapperen een soort / wind aan het maken, of alleen maar / beweging zonder water" of "Van alle gedachten is het / deze die je aan het hebben bent". Ik heb niet gezegd hoezeer de sensibiliteit van Lauwereyns aansluit bij Welcome hygiëne van Paul Bogaert.

Als de poëzie van Lauwereyns 'postmodern' is, dan bewandelt ze in geen geval de platgetreden paden waarlangs Paul Demets en Miguel Declercq hun entree in de poëzie hebben gemaakt. Dat maakt Nagelaten sonnetten voor mij tot het beste en interessantste poëziedebuut van de afgelopen jaren.

Jan Lauwereyns, Nagelaten sonnetten, Manteau, Antwerpen, 64 p., 625 frank (zie ook het gedicht op p. 34).

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234