Woensdag 27/01/2021

Het promiscue leven van een grootheid

Bij de zestigste verjaardag van Bob Dylan hoort natuurlijk een boek (zoals dat het geval was bij zijn vijftigste en zijn veertigste, maar soit). De biografie van de Brit Howard Sounes geeft een fraai overzicht van Dylans carrière, biedt hier en daar haast voyeuristische inzichten in zijn privé-leven, maar haalt toch niet het niveau van een klassieke biografie. Daarvoor is ze te onevenwichtig en te bewonderend, en mist de auteur de gave om in een chronologisch overzicht krachtlijnen te trekken.

Walter Pauli

Howard Sounes

Down the Highway. Het leven van Bob Dylan

Uit het Engels vertaald door Gert Jan de Vries Het Spectrum, Utrecht, 424 p., 1.190 frank.

Misschien stellen journalisten zich beroepshalve wat te wantrouwig op, maar toch. Hoe immers anders reageren op een boek waarvan de achterflap belooft dat het "alle andere biografieën over Dylan ver achter zich laat"? Echt álle andere? Sinds Bob Dylan in de lente van 1962 zijn eerste lp uitbracht en al snel uitgroeide tot een icoon van de rockmuziek, verschenen over hem tientallen, zeg maar honderden boeken. Op dit ogenblik biedt bijvoorbeeld de site van internetboekhandel Barnes & Noble meer dan twintig boeken aan over Dylan.

Zo verscheen vorig jaar Clinton Heylins Behind the Shades: Revisited, een herwerkte versie van het voorlopige magnum opus van een rockjournalist die op zijn eentje een kleine bibliotheek aan Dylan-boeken vol schreef. Heylin heeft dan ook een vooraanstaande positie in het wereldje van de dylanologen. Naar analogie met de verschrikkelijke tintinologen uit de stripwereld: mensen die alles, maar dan ook álles weten van Kuifje, is er een legioen 'kenners' dat het werk van Dylan tot de allerlaatste letter uitspit, dat al zijn songs kent - en natuurlijk alle varianten op alle platen, bootlegs inclusief - freaks die iedere playlist van ieder concert bestuderen en die iedere letter van His Bobness - Dylans deels spottende, deels bewonderende koosnaampje - beschouwen als een Boodschap. In zekere zin was de (keurige) biografie van Heylin schatplichtig aan die traditie: zonder daarom in het bijgeloof rond Dylan te blijven haperen concentreerde hij zich op de optredens, de teksten, de muziek. Dat is trouwens zo gek niet voor een biografie van iemand die zijn brood verdient als tekstschrijver, zanger en muzikant.

In Down the Highway. Het leven van Bob Dylan gooit Sounes het over een andere boeg. Natuurlijk verliest hij de songs, de lp's en de optredens niet uit het oog, maar toch. Komt het omdat Sounes pas in 1965 geboren is, en dus de allerbeste Dylan (dat wil zeggen: een eerste hoogtepunt tot halfweg de jaren zestig, dat een vervolg kreeg halfweg de jaren zeventig) pas achteraf mocht smaken en vandaar minder behoefte aan exegese heeft dan kenners van het eerste uur?

Sounes moet dus andere troeven uitspelen. Daarom pakt hij uit met nieuwe gegevens en inzichten in Dylans persoonlijkheid, eerder dan in zijn werk. De auteur deed er twee jaar over om meer dan 250 mensen uit Dylans professionele en private omgeving aan het woord te krijgen. Velen kon hij verleiden tot nieuwe en vaak smeuïge indiscreties, zij het vaak onder het zegel van de discretie. Hij citeert voortdurend, zij het dikwijls anoniem.

Die aanpak zorgt voor een erg menselijke Bob Dylan. Of neen, niet menselijk: er is bijvoorbeeld veel buitensporigs en helemaal niets gewoons aan iemand die voor miljoenen dollars klusjes laat opknappen aan zijn sowieso buitenmaatse villa: hier een blinkende koepel erbij, daar nog een extravaganza - maar wel: minder verheven. Uit Sounes' relaas kan de lezer opmaken dat Dylan zeker een aantal kwaliteiten had als mens - hij beheerst zo te zien de kunst van het charmeren, weet mensen te overtuigen en intrigeren. Maar tegelijk lijken zijn zwakheden talrijker en oneindig veel zwaarder te dragen voor zijn naaste omgeving. En dat van jongs af aan.

Bob Dylan, zo legt Sounes omstandig uit, had van kindsbeen af één ambitie: slagen als zanger. Makkelijk was dat niet. Hij wordt in 1941 als Robert Zimmerman (voor de Amerikaanse administratie) en Shabtai Zisel ben Avraham (voor de joodse gemeenschap) geboren in een uithoek van de Verenigde Staten: Duluth, een klein stadje in het noorden van de staat Minnesota. Via tussenhaltes als Minneapolis en Denver zal hij in januari 1961 in New York stranden. Toen had hij zich al een andere naam aangemeten en een fictieve en zeer geromantiseerde jeugd verzonnen. Dat duurde tot Time onthulde dat Dylan geen wees of circusjongen of half indiaan was - in diens eigen mythomanie was hij soms een combinatie van alle drie - maar gewoon een joodse jongen uit een middenklassegezin uit een saaie VS-staat. Intussen had de jonge Dylan geld geschooid, vriendschappen laten verloederen, her en der wat harten gebroken en waar hij kon platen en boeken gejat.

Hij had trouwens nog meer gestolen, maar dan met zijn ogen en oren. Hij zoog alle mogelijke muzikale genres op en las tegelijk alles wat hij kon, en bij voorkeur wat hip was, beatschrijvers als Jack Kerouac en Allen Ginsberg voorop. Tegelijk raakte Dylan onder de indruk van sociale klassiekers als Bound for Glory, het bewogen verhaal van de geëngageerde folkzanger Woody Guthrie. Een passage in dat boek speelt zich trouwens af in Duluth, en mogelijk versterkte dat de identificatie van de jonge zanger met een van grootste iconen van de Amerikaanse folkmuziek.

Wellicht was het de volgende combinatie die Dylan zo snel zo hoog zou brengen, en die z'n teksten en z'n muziek zo'n intensiteit zou geven: hij zag zich tegelijk als een erfgenaam de 'oude' folk met al zijn sociale bewogenheid, maar versterkte en moderniseerde die oude boodschap met een forse scheut beatnikbranie. Dergelijke, toch erg eenvoudige gevolgtrekkingen krijg je echter nauwelijks te lezen in deze biografie. Sounes vermeldt de meeste feiten - zorgzaam, precies, af en toe onthullend - maar haalt er weinig meer uit.

Nog een voorbeeld. Hij laat zijn boek beginnen met een korte beschrijving van Dylans grootouders. Aan vaderszijde gaat het om joden uit het Zuid-Russische Odessa die in 1905 na bloedige pogroms naar de VS waren gevlucht. Aan moederszijde stamde hij af van Litouwse joden, en die hadden in 1902 de oversteek gemaakt. Sounes zou zich dan toch iets uidrukkelijker mogen afvragen of en hoe een jongen met zo'n beladen familiaal verleden worstelde met zijn joodse afkomst - vergeet niet: amper vijftien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. In hoeverre was bijvoorbeeld Dylans eerste grote anthem, 'Blowin' in the Wind', geïnspireerd door de joodse traditie, zoals soms wordt gesuggereerd?

Maar die grote lijnen ziet Sounes veel te weinig. Wellicht laat hij zich hinderen door zijn te grote bewondering voor zijn personage. Daardoor kan hij wel veel empathie tonen met Dylan, maar hij heeft daarna de moed niet meer om opnieuw afstand van zijn onderwerp te nemen. Terwijl dat juist de kwaliteit is die goede van mindere biografen onderscheidt: eerst moet je in de huid van je object kruipen - de auteur moet als het ware voelen en denken zoals zijn personage -, maar daarna moet hij zijn opgedane inzichten weer als 'waarnemer' afstandelijk kunnen plaatsen. Maar dat verzuimt Sounes, en wellicht bewust. Al in de inleiding schrijft hij zijn premisse: "de uitdaging bleef bestaan om een grote biografie te schrijven die volledig recht doet aan de grootheid van Bob Dylans artistieke prestaties". Sounes heeft niet Dylan als onderzoeksobject, maar Dylans grootheid. Als lezer ben je dan eigenlijk al gewaarschuwd. En zo behandelt Sounes zijn onderwerp zijn hele boek lang: hij staat expliciet aan Dylans kant. Nergens blijkt dat zo goed als in de talrijke, steeds kort uitgewerkte maar zo vaak ontluisterende passages over drugsgebruik tijdens de concerten. Die marihuana en coke 'overkwamen' Dylan allemaal een beetje, suggereert Sounes: slechte vrienden en onverantwoorde collega's, weet u wel.

Die nederige - soms kruiperige - attitude komt ook tot uiting in Sounes' beoordeling van Dylans ongebreidelde veelwijverij. Dat woord klinkt misschien sterk, maar het is wel zo: Dylan was 'serieel promiscue'. Hij staat bijvoorbeeld samen met zijn liefje Suze Rotolo op de cover van The Freewheeling Bob Dylan, maar op dat moment mint hij al Joan Baez. Hij tourt met Baez, maar heeft dan al een relatie met fotomodel Sara Lownds, en tussen die officiële vrouwen door is er nog een hele rits liefjes, en dat vanaf de jaren vijftig tot deze beginjaren van de eenentwintigste eeuw. Enkelen wisten het van elkaar, anderen niet. Sommige van die parallelle 'relaties' duurden amper zo lang als de daad zelf, sommige hielden het amper een dag of twee uit, andere een paar maanden. Sounes ontdekte zelfs in primeur een tot dusver onbekend extra huwelijk van Dylan met een zwarte achtergrondzangeres, gezegend met een koppel al even verborgen kinderen. Sounes schrijft wel dat Dylan gemeen uit de hoek kan komen tegen zijn partners. Maar altijd heeft hij in de eerste plaats oog voor en medelijden met de eenzame man, met een persoonlijkheid waar niet één vrouw tegenop kon en met een rusteloze geest - en piemel - die niet geboeid kon blijven door één vrouw. Maar goed, anderzijds is het natuurlijk ook niet fout dat er bewondering voor Dylans artistieke prestaties doorklinkt bij Sounes. Net zoals het behoorlijk onzinnig is om te discussiëren of Beethoven en Mozart wel belangrijk zijn geweest voor de klassieke muziek en of hun werk wel 'goed' is, is het dom en ook wel bekrompen om te redetwisten of voor de rockmuziek Bob Dylan - of Elvis, of The Beatles, of Bruce Springsteen, of U2 - 'belangrijk' of 'goed' is.

Vandaag maak je, ook bij verstandige mensen, nochtans af en toe het omgekeerde mee. Zij zijn tegen Dylan omdat ze denken dat luisteren naar zijn songs hen automatisch degradeert tot late soixante-huitards. Ze dwalen natuurlijk, en vooral voor hen is deze biografie aanbevolen. In Sounes boek proeven ze hopelijk de geweldige dynamiek van de jonge Dylan, die in een verschroeiend tempo de rockgeschiedenis mee bepaalt. Neem alleen de eerste jaren. Zijn echte doorbraak komt er als in mei 1963 zijn tweede lp, The Freewheelin' Bob Dylan, verschijnt. Dylan, een broekje van tweeëntwintig, levert met 'Blowin' in the Wind' en 'Girl of the North Country' meteen klassieke werkstukken af. Geen jaar later (februari 1964) is er al The Times They Are A-Changin', met de titelsong en 'With God on Our Side' de enige echte protestplaat - en dan nog. Dylan zat trouwens opzij van Martin Luther King toen die zijn beroemde I Have a Dream-toespraak hield (commentaar van een collega-muzikant: "Hopelijk stopt hij snel, dan kunnen we Mahalia Jackson horen zingen"). Een paar maanden later (mei 1964) is er alweer een lp - Another Side of Bob Dylan, met 'It Ain't Me Babe' en 'All I Really Want to Do'.

Dan is het naar Dylans normen lang wachten - toch tien maanden - maar opvolger Bringin' It All Back Home (maart 1965) maakt zo mogelijk nog meer indruk. Amper twee maanden later (mei 1965) ligt Highway 61 Revisited er al, met als belangrijkste nummers de titelsong en 'Like a Rolling Stone'. Dan is het een vol jaar wachten op Blonde on Blonde (mei 1966), een magistrale dubbel-lp met 'I Want You', 'Just Like a Woman' en het één, prachtige, plaatkant vullende 'Sad-Eyed Lady of the Lowlands'. Toen knalde Dylan met zijn motor tegen een boom aan, en was het tot de herfst van 1967 wachten op een zogenaamd overgangsalbum - maar daarop stond dan weer 'All Along the Watchtower', een song die Jimi Hendrix hielp uitgroeien tot een halve legende. En toen was het nog altijd een jaar voor mei 1968.

Dat maakt zes albums in vier jaar tijd, en allemaal kunt u ze vandaag nog in zowat iedere cd-winkel vinden: het waren dus geen vluggertjes, maar werk met een naar rocknormen ongemeen lange houdbaarheidsdatum. En wie die vroege Dylan toch te oud vindt, en ook niets moet weten van zijn parels uit de jaren zeventig, kan zich misschien optrekken aan recenter werk als het met drie Grammy's bekroonde Time Out of Mind (1997) of zijn recente Oscar-winnende filmmuziek.

Als deze biografie dus helpt wat (meer) smaak te krijgen in Dylans oeuvre, dan heeft Sounes al bij al verdienstelijk werk afgeleverd. En dan begrijpt men misschien de mooie anekdote die vertelt dat Dylan het wel leuk maar niet geweldig vond dat John Lennon hem een felicitatietelegram stuurde. "Hij bewonderde the Beatles in veel opzichten," schrijft Sounes, "maar 'I Want to Hold Your Hand' had toch niet het soortelijk gewicht van 'Don't Think Twice, It's All Right'." We zullen Sounes in deze niet tegenspreken, en Dylan evenmin.

Bob Dylan had van kindsbeen af één ambitie: slagen als muzikant

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234