Maandag 21/09/2020

Het pionierswerk van

eenentwintig fotografes

In Parijs is het werk te zien van een twintigtal vrouwelijke fotografen, werkzaam tussen de beide wereldoorlogen. Smachten naar onafhankelijkheid, vastgelegd op pellicule.

Jesse Brouns

Een leven als een paragraaf uit een encyclopedie: Ilse Bing, geboren in Frankfurt in 1899, emigreerde in 1930 naar Parijs, met haar Leica. Haar rigoureus moderne foto's - portretten, zelfportretten, experimenten - werden tentoongesteld in Frankijk, Duitsland en in het Museum of Modern Art van New York. Haar reportagewerk verscheen in Das Illustrierte Blatt, Le Monde Illustré en het Algemeen Handelsblad. Ze werkte ook voor Harper's Bazaar, dat op gezette tijden haar foto's van accessoires publiceerde. In 1937 trouwde ze met de componist Konrad Wolff. Drie jaar later werd het echtpaar geïnterneerd in het kamp van Gurs, waar het verscheidene maanden lang op een visum voor de Verenigde Staten moest wachten. Bings Amerikaanse debuut verliep moeizaam, met kinderportretten en stillevens. In 1951 waagde ze zich voor het eerst aan kleur. Acht jaar later gaf ze de fotografie op. Vijfentwintig jaar later werd haar oeuvre herontdekt, door het Museum of Modern Art. Ilse Bing overleed een maand geleden, kort voor de vernissage van een tentoonstelling in een New Yorkse galerie, ter ere van haar negenennegentigste verjaardag. Haar werk is momenteel ook te zien in Parijs, samen met de foto's van eenentwintig andere opmerkelijke vrouwelijke fotografen die voor het eerst van zich deden spreken tijdens het interbellum.

De eerste stappen in de fotografie werden door mannen gezet: in de negentiende eeuw waagden slechts een handvol vrouwen zich met succes aan de fotografie - Lady Hawarden en Julia Margaret Cameron zijn de bekendsten. Vanaf de jaren twintig namen de vrouwen revanche. Werken was voor vrouwen van een bepaalde sociale klasse nog behoorlijk verdacht. Vrouwen waren eigenlijk nog geen volwaardige burgers: ze hadden geen stemrecht, volgden nauwelijks hogere studies, oefenden alleen typisch vrouwelijke beroepen uit, zoals dat van verpleegster of naaister. Dat relatief grote aantal fotografes was eigenlijk uitzonderlijk. Slechts een minderheid van de twintig of wat actieve beroepsfotografes was getrouwd. De anderen leefden samen of alleen. De fotografie gaf hen fincanciële onafhankelijkheid. Vrijheid.

Parijs was hun uitvalsbasis. Niet dat ze allemaal Françaises waren. Laure Albin Guillot, Yvonne Chevalier (portretten van Poulenc, Saint-Exupéry, Claudel), Claude Cahun en Thérèse Le Prat wél. Maar Ergy Landau, Nora Dumas, Rogi André (de eerste vrouw van de Hongaarse fotograaf André Kertesz) en Ylla waren Hongaars. Berenice Abbott en Lee Miller waren Amerikaans. Uit Duitsland kwamen Germaine Krull (alias de IJzeren Walkyrie: de meest gepubliceerde fotograaf van de jaren twintig, wat boeken betreft - haar piek was Métal, een verzameling foto's van staalarchitectuur uit onder meer Nederland, waar ze foto's maakte in het gezelschap van Joris Ivens), alsook Marianne Breslauer, Annelise Kretschmer en Gisèle Freund. Lisette Model, de latere leermeesteres van Bruce Weber, was Oostenrijkse, Vera Jablonowsky was Poolse.

Parijs was tussen de beide wereldoorlogen nog de meest kosmopolitische stad ter wereld, het verzamelpunt van kunstenaars, schrijvers en filosofen uit alle hoeken van de aardbol. Parijs was ook al jaren de hoofdstad van mode en elegantie. Aan de grenzen van de stad, in Billancourt, werden dozijnen films gedraaid. De stad was ook een belangrijke schakel in de perswereld. De geïllusteerde pers en de reclame werden tussen 1920 en 1940 volwaardige industrieën. De pers en de reclame gaven de vrouwelijke fotografen financieel de mogelijkheid om onafhankelijk te blijven. Shell vertrouwde een groot deel van zijn reclamebudget toe aan Germaine Krull en de parfums Jeanne Lanvin werkten met Florence Henri. Guillot, Landau, Henri en Le Prat waren behoorlijk succesvol. Ze hadden hun eigen atelier.

Germaine Krull reisde de hele wereld rond met haar Ikarette-fototoestel. Marianne Breslauer zocht na haar verblijf in Parijs het gezelschap van armen en verstotenen op. Gerda Taro overleed in 1937 in Spanje, waar ze met haar vriend, de fotograaf Robert Capa, de burgeroorlog versloeg. En Gisèle Freund, op de vlucht voor het nazisme, werd verslaggeefster. Ze kreeg een visum om uit te wijken dankzij haar portretten van beroemde componisten en schrijvers. In 1945 keerde ze naar Frankrijk terug, als 'grand reporter' voor Life en Magnum.

Eigenlijk hadden de fotografes, op hun geslacht na, nauwelijks overeenkomsten. Ze gebruikten alle mogelijkheden van de fotografie, specialiseerden zich in experimenteel werk (collages, fotomontages), portretten, naakten, stillevens, reclame. Verscheidene vrouwelijke fotografen hadden een zwak voor het zelfportret. Het zijn niet de minsten. Ilse Bing, hierbij afgebeeld. Ergy Landau met haar 'Autoportrait au nu' waarop de fotografe volledig gekleed en ruggelings te zien is, terwijl ze een naakt model fotografeert. Claude Cahun, die bijna uitsluitend zelfportretten maakte, zij het dan wel verkleed als iemand anders, bijvoorbeeld een pierrot. Voorts Dora Maar, die met Man Ray heeft samengewerkt en lid was van de groep Contre-Attaque van Bataille. Denise Bellon en oorlogsverslaggeefster Lee Miller sloten zich aan bij de surrealisten. Berenice Abbott, Yvonne Chevalier, Rogi André en Vera Jablonowsky verkozen het gezelschap van auteurs als James Joyce. Ylla had iets met dieren. Gertrude Fehr opende in 1934 haar legendarische geworden fotografieschool Publiphot, waar ze tot 1939 massa's vrouwen met de camera liet kennismaken.

'La Nouvelle Vision', zoals tentoonstellingscommissaris Christian Bouqueret de moderne interbellumfotografie noemt, verloor haar energie vanaf 1936. De Tweede Wereldoorlog luidde het einde in van de nieuwe fotografie. Sommige fotografes verlieten Frankrijk, op de vlucht voor het nazisme - onder hen Jablonowsky, Cahun, Krull, Bing en Ylla. Germaine Krull werd gesignaleerd als hoofd van de fotodienst van France Libre in Brazzaville en Algiers. Daarna werd ze oorlogscorrespondente in Italië, Duitsland, Indochina. Later opende ze een duur hotel in Bangkok, en nog later begon ze opnieuw te fotograferen, in India. Nora Dumas emigreerde in Frankrijk zelf, naar een gehucht in de verre banlieue van Parijs. Ergy Landau, die weigerde de gele ster te dragen, bleef in Parijs. Florence Henri wijdde zich aan de schilderkunst. Vrouwelijke fotografen zijn op de drempel van het derde millennium niet meer zo uniek, en gelukkig maar. Sarah Moon drukte haar stempel op de modefotografie van de jaren zeventig. Annie Leibovitz is nog altijd een van de meest gevraagde - en best betaalde - celebrityfotografen. Ellen von Unwerth en Corrine Day behoren tot de invloedrijkste modefotografen van de twintigste eeuw. Nan Goldin en Cindy Sherman staan in de top-tien van meest vereerde kunstenaars van de jaren tachtig en negentig. Je vraagt je af of de fotografes van het interbellum er voor iets tussen zitten.

'Les femmes photographes de la Nouvelle Vision en France, 1920-1940', tot 7 juni in het Hôtel de Sully, 62, Rue Saint-Antoine, Parijs, 's maandags gesloten, catalogus uitgegeven door Marval, Parijs. Zie ook van dezelfde uitgeverij: 'Des années folles aux années noires: la nouvelle vision photographique en France', van Christian Bouqueret, ISBN 2-86234-230-0

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234